Martin Visser verzamelaar, ontwerper, vrije geest

Nieuws

Martin Visser verzamelaar, ontwerper, vrije geest

Door: Petra Starink | 13-03-2012

Zijn kunstcollectie was visionair, zijn meubels vernieuwend en voor de bouw en uitbreiding van zijn woonhuis te Bergeijk, koos hij de avant-garde architecten Gerrit Rietveld en Aldo van Eyck. Van 13 maart tot en met 17 juni is in het Bonnefantenmuseum een grote tentoonstelling over het werk van Martin Visser als verzamelaar, meubelontwerper en opdrachtgever.  Dit artikel over Vissers leven en werk is gebaseerd op mijn publicatie ‘Rietveld in Bergeijk’ voor Docomomo 2008 en op eerdere interviews die ik had met Martin Visser en zijn partner Joke van der Heijden.

Tekst: Madeleine Steigenga

Op de cover van de catalogus bij de recente tentoonstelling ‘Wonen volgens ’t Binnenhuis’  in het Haagse Gemeentemuseum, staan een paar kinderen die op een stoel geklommen zijn. Het middelste kind is Martin Visser. Met de tentoonstelling ‘Berlage Totaal’ begin 2011 in hetzelfde museum1 is de basis in beeld gebracht voor het werk van Martin Visser, die gedurende een halve eeuw op unieke wijze bijgedragen heeft aan het gezicht van het Nederlandse ontwerp en aan het kunstbezit in enkele grote musea.

Martin Visser (1922-2009) groeit op in Papendrecht, in zijn ouderlijk huis staan meubelen van ’t Binnenhuis, van ontwerpers als Jacques van den Bosch en Berlage. Vader Arie Visser heeft belangstelling voor architectuur en bestudeert geschriften van Berlage. Later geeft hij zijn zoon Martin zijn eigen exemplaar van Berlages boek ‘Over Stijl in bouw- en meubelkunst’. Maar hoe enthousiast Arie Visser ook is over meubelkunst en architectuur, zijn zonen zijn voorbestemd om het familiebedrijf – Aannemersbedrijf Visser – voort te zetten. Martin rondt zijn MTS opleiding in civiele techniek af en werkt na de Tweede Wereldoorlog in Middelburg als tekenaar bij Rijkswaterstaat. Zijn jongere broer Carel (1928) start aanvankelijk met een bouwkunde studie in Delft, maar kiest al snel voor de Koninklijke academie te Den Haag en wordt beeldhouwer. Martins jongste broer Geertjan Visser (overleden 2010) studeert in Delft af als civiel ingenieur en stapt als enige in het familiebedrijf. Als dit bedrijf in de zeventiger jaren wordt overgenomen2 richt Geertjan Visser zich fulltime op zijn kunstverzameling, een ambitie die hij met zijn broer Martin deelt.

Kennismaking met kunst en architectuur

Visser is nieuwsgierig en ondernemend. Hij heeft al jong interesse in kunst, koopt als kind al een enkel kunstwerk en zoekt zijn weg in de kunstwereld. Daarom gaat hij op bezoek bij een in die tijd belangrijke kunstverzamelaar – Pierre Regnault in Laren – en bezoekt hij rond 1943 hij de schilder Otto van Rees in Utrecht. Van Rees merkt dat Martin ook geïnteresseerd is in het ontwerpen van meubelen en stelt hem voor aan zijn onderbuurman, Gerrit Rietveld, die aan de Oudegracht zijn werkplaats heeft. Visser: ‘Deze ontmoeting was een openbaring voor mij […] De aluminium vouwstoel was in de maak.’ Visser beschrijft deze ontmoetingen summier in zijn autobiografische gegevens maar vermeldt zijn bezoek aan Parijs met architect Bijvoet uitgebreider  ‘Bijvoet brengt me bij de bouwwerken van Pierre Chareau (Bijvoet en Chareau ontwerpen samen La Maison de Verre), le Corbusier en Perret en toont me ’s avonds nog eens meubelen van Chareau, enigszins zorgelijk over het feit dat die meubelen in het zo fraaie ‘Maison de Verre’ geplaatst zijn’3.

Chef meubelafdeling van de Bijenkorf

Martin Visser trouwt in 1945 met Mia van den Hoek. Ze wonen in Den Haag en krijgen al snel twee kinderen. Terwijl Visser door de week in Middelburg ‘in pension’ is, ontwerpt hij voor een vriend een ameublement. Hij laat meerdere exemplaren maken en slaat deze op bij zijn ouders in Papendrecht. Dan neemt Visser een dag vrij om met zijn portfolio bij Amsterdamse interieurwinkels langs te gaan. Zonder succes. Maar als hij nog even bij de Bijenkorf naar binnen loopt om een schilderijententoonstelling te bekijken, raakt hij in gesprek met de inkoper Bram Verhoog. Verhoog koopt alles en neemt Visser in dienst.

Over zijn eerste houten meubelen zegt Visser: ‘Mijn overgrootvader was timmerman. Dat draag ik mee. Terwijl de mensen me vooral kennen van de stalen buisframes, houd ik het meest van hout. Het is snel en direct.’

Al snel wordt Visser chef van de meubelafdeling van de Bijenkorf. Visser zet ook zijn kennis van kunst en architectuur in bij zijn werk. De klanten maken via een gratis boekje, geschreven door J.J. Vriend kennis met de moderne architectuur en het moderne wonen4. Ook organiseert Visser elk jaar op zijn afdeling een interieurtentoonstelling OHOT: Ons Huis Ons Thuis. Voor de inrichting van deze tentoonstellingen nodigt hij ontwerpers en kunstenaars uit. Op zijn tweede OHOT in 1949 hangt Visser werk van de Cobragroep boven de meubels; In 1952 nodigt hij Aldo van Eyck en Hein Stolle uit en in 1954 Rietveld en de schilder Constant. Visser: ‘We kregen publiciteit, de door Rietveld ingerichte modelflat met een prachtig kleurenplan van Constant trok veel mensen, er werd over geschreven … Het was eigenlijk de voortzetting – in de winkel – van wat Goed Wonen aan het Rokin deed: mensen duidelijk maken dat het anders moest.’ Over de open keuken die Rietveld ontwerpt, destijds een totaal nieuw concept, worden kritische artikelen geschreven.

Overstap naar ’t Spectrum Bergeijk

Martin Visser bouwt een breed netwerk op met kunstenaars, klanten, Bijenkorfcollega’s en meubelontwerpers. Samen met zijn vrouw Mia verzamelt hij Cobra kunstwerken. Na een arbeidsconflict in 1953 gaat Visser praten met de directeur van De Ploeg, Piet Blijenburg, die wel eens langskomt bij de Bijenkorf. De Ploeg produceert en verhandelt voornamelijk stoffen maar heeft ook een kleine kunstnijverheidsafdeling. Blijenburg wil de omslag maken van kunstnijverheid naar meubelproductie5. Hij neemt Martin Visser in dienst voor ’t Spectrum, de meubelafdeling van De Ploeg. Vissers eerste reactie naar buiten over wat hij aantreft aan productiemogelijkheden bij ’t Spectrum was ‘… zoooo primitief,’

Met dezelfde voortvarendheid als bij de Bijenkorf, start Visser zijn werk in Bergeijk. Hij zorgt voor nieuwe ontwerpen en regelt de productie van ’t Spectrum6. Martin Visser zegt later: ‘Het was vlak na de oorlog een benepen tijd. Bij ‘t Spectrum waren ze van de houten krukjes. Daar reageerde ik op … In de jaren vijftig maakte het bedrijf een omslag naar het functionalisme, waarin we zelfs een voortrekkersrol speelden.’

Hij kiest voor het assembleren van meubels uit onderdelen en zo organiseert Visser met relatief kleine toeleveringsbedrijven een grote productie-op-maat. In een interview voor het tijdschrift Goed Wonen door Simon Vinkenoog7 legt Visser uit ‘…we werken met gespecialiseerde toeleveringsbedrijven, een plaatwerkindustrie die ook spatborden voor DAF maakt … voor één meubel werken we soms wel met vier of vijf verschillende leveranciers…’ Met zijn assemblageaanpak vergroot Visser ook de keuzemogelijkheid voor zijn klanten, een tafel kan bijvoorbeeld uitgevoerd worden met verschillende materialen voor het blad. Ook haalt Visser direct andere ontwerpers binnen, in de collectie van ’t Spectrum wordt ‘de Bijenkorf’ zichtbaar; in 1956 staan er 26 verschillende meubelwerken in het ’t Spectrum programma van Martin Visser zelf en van Hein Stolle, Constant Nieuwenhuijs, Friso Kramer, Elmar Berkovich en Benno Premsela. Deze ontwerpers bezorgen ’t Spectrum succes. Visser vertelt later: ‘Het wandrekje van Constant Nieuwenhuijs liep zo goed, dat de directie voorstelde het contract met Constant te wijzigen en zijn percentage per verkocht exemplaar te verlagen.’

De ruimte die zijn directeur Blijenburg hem biedt, nut Visser volledig uit voor zichzelf en voor anderen. In de catalogus8 bij een expositie van zijn werk in de net geopende galerie van Jan des Bouvrie toont Visser met foto’s en bijschriften zijn werksituatie en schrijft er commentaar bij ’een vage foto van Dick van der Net met als bijschrift ‘Nebato metaalfabriek: directeur Dick van der Net die met mij sinds 15 jaar contact heeft & waarmee ik heel veel meubels ontwikkeld heb. Het begrip voor metaal wat ik heb heeft hij me bijgebracht . Hij (Dick) heeft eens honderd á honderdvijftig kunstwerken voor Amerikaanse kunstenaars uitgevoerd, die op de Europese kunstmarkt verkocht werden.’ En ‘Walter Antonis de man die tot voor kort mijn modellen maakte. Evenals Dick van der Net zag hij kans de meubelen die we met elkaar onderhanden hadden, iets persoonlijks mee te geven. Walter werkt nu eigen ideeen uit.’ En bij foto 17 ‘De chef spuiterij is zeer vakkundig‘. Hij laat ook zijn over de gehele gemeente Bergeijk verspreidde werklocaties zien en legt bijvoorbeeld ook de productie van een stoel van Claire Bataille vast, één van de vaste ontwerpers voor ‘t Spectrum.

Het is de liefdevolle manier waarop Visser over anderen praat in deze catalogus, die hem tekent. Je kunt zeggen dat Visser eclectisch gebruik maakt van mensen en van mogelijkheden. Zijn vrije geest en het open staan voor anderen levert hem veel op. Zo ontwikkelt hij in samenwerking met Dick Van der Net van Nebato – een staalbewerkingsbedrijf – verschillende klapmechanieken voor de slaapbanken en lasconstructies voor de haakse hoeken met de slanke ronde buizen. En fauteuil Cato wordt, naast de traditionele stoffering, ook in tuigleer uitgevoerd en in het woonwagenkamp met pitriet bekleed.

Bergeijk verwerft een eigen plaats in de ontwikkeling van het moderne Nederlandse design op basis van de idealen van De Ploeg: ‘ten dienste van het individu en van het algemeen welzijn’.

Huis Visser in Bergeijk

Je doet Martin Visser absoluut te kort wanneer je zijn meubelwerk los ziet van zijn opdrachtgever- en kunstverzamelaarschap.

Eerst vragen Martin en Mia aan Aldo van Eyck om hun huis te bouwen, maar die ziet van de opdracht af omdat de Vissers geen geld hebben. Dan benadert Martin Gerrit Rietveld, die veel ervaring heeft met kleine, low budget, particuliere woningen. Van Eyck schrijft later over Rietvelds ontwerp voor de Vissers: ‘Enkele jaren geleden bouwde Rietveld een huis voor iemand wiens hartstocht het was de schilderijen […] om zich heen te kunnen hebben. […] En zie, in Bergeijk heeft tenslotte de puurheidsdrang het van de puurheid gewonnen. Geen schilderij kan of mag er hangen. De bewoners moeten het hebben van de beeldende betekenis van de wanden (deze zijn hier grotendeels wél gekleurd!) terwijl de schilderijen moesten worden opgeborgen. Hier matigt zich de architectuur iets aan wat buiten haar vermogen ligt, of ontkent het bestaan ervan: de betekenis van de picturale beelding.’9

In 1967 neemt Aldo van Eyck de opdracht aan om het huis te vergroten. Van Eyck realiseert in 1968 een cirkelvormige uitbreiding, waarmee de hoek tussen het woon- en slaapgedeelte wordt dichtgebouwd. Het extraverte huis met de grote glasgevel, die zich opent naar het bos, wordt door de twee uitbreidingen naar binnen gericht. Deze omkering van Rietvelds concept wordt later versterkt met de bouw van een sculptuur van Sol LeWitt in de tuin voor het woonkamerraam in het Rietveld-deel.10

Tijdens de verhuizing van Amsterdam naar Bergeijk wordt de Cobracollectie – zo’n honderd stuks inmiddels – in het depot van het Van Abbemuseum te Eindhoven opgeslagen. Martin kent de directeur De Wilde via de Bijenkorf. De paar wanden waar wat kon hangen in het Rietveldhuis blijven leeg. Visser geeft als reden: ‘We kwamen uit zo’n Amsterdams grachtenhuis … In dit huis van Rietveld waren we eerst helemaal in de war. We wisten niet hoe we er in moesten wonen … dat haveloze armoedige Cobra. Ze hebben allemaal met slechte verf op slecht linnen geschilderd. Dat ademt het helemaal.’ Dan koopt Visser een werk van Piero Manzoni. De Vissers willen meer en ruilen enkele Cobrawerken voor andere werken van Manzoni. Dit wordt de basis van een veel grotere kunstcollectie, met vooral conceptuele kunst en minimal art, werken van Carl Andre, Jan Schoonhoven, Christo, Fontana, Beuys, Manzoni, Arman, Judd, Warhol, Panamarenko, Bruce Nauman, Sol LeWitt, Robert Morris, Bruce Nauman, Walter de Maria en Carel Visser11.

Om hun collectie onder te brengen plaatsen de Vissers op een industrieterrein in Bergeijk een nissenhut (loods). Zij stellen deze ook beschikbaar aan kunstenaars om in te werken. Naast Panamarenko die in Bergeijk werkte van 1973 tot 1975, maken o.a. Sol LeWitt and Daniel Buren gebruik van deze werkruimte. De kunstenaars wonen tijdens zo’n werkperiode bij de Vissers in huis. De Vissers nemen enige decennia een belangrijke positie in binnen de Nederlandse kunstwereld. Wim Beeren, de latere directeur van Museum Boijmans van Beuningen en het Stedelijk Museum Amsterdam: ‘Als Martin zegt dat het goed is, weten wij, die zijn vrienden zijn – dat wil zeggen de kunstenaars en de museumcollega’s, de designers en de architecten – dat wij dan hebben op te letten.’12

Succesvol meubelontwerper bij ’t Spectrum

Visser krijgt al snel bekendheid als ontwerper voor ’t Spectrum. In 1960 ontvangt hij twee prijzen; voor slaapbank br39 de Belgische Signe d’or en een Nederlandse prijs, het Industriële Gouden Kenteken. In 1958 staan er al meubelen van Visser op een tentoonstelling in het Stedelijk Museum Amsterdam. Er volgen meer exposities in het SMA en Visser ontwerpt en produceert de essenhouten lattenbanken, die inmiddels bijna 40 jaar dienst doen in het Museum. Die banken zijn in 1965 ook in de collectie van ’t Spectrum opgenomen.

Later verwerft ’t Spectrum ook de opdracht voor het meubilair voor het Nederlands paviljoen op de wereldtentoonstelling te Osaka (1970). De eerste jaren van Visser bij ’t Spectrum leveren de bestsellers op die nu nog steeds verkocht worden. De serie eetkamerstoelen die hij start in 1960, met de ronde RVS-buis en het knikje in de achterpoot en de fauteuil Cato sz01 en sz02 worden nog steeds in pitriet (nu kunststof!) en tuigleeruitvoering verkocht. En de tijdloze schoonheid van de slaapbankenserie waarvan de verkoop start in 1960, de br02 met de scherpe 1/5 -3/5 -1/5 verhouding tussen de overstekende zitting en poten en het zweven van het zitkussen boven het onderstel, wordt in 2006 door het publiek gewaardeerd met de derde plaats in de NRC contest voor het beste Nederlandse design van de laatste 100 jaar.

Maar ’t Spectrum en de Ploeg bestaan dan niet meer. In de zeventiger jaren komt de werkgemeenschap De Ploeg in de problemen. In 1974 wordt voor ’t Spectrum faillissement aangevraagd, een paar jaar later volgt De Ploeg. Visser: ‘Het was doodgebloed hier’13.

Visser kiest in deze voor hem turbulente periode voor de kunst. De eerste onderhandelingen met het Kröller-Müller Museum over de overdracht van de grote kunstverzameling van de Vissers zijn al gestart in 1972-73 14. Zijn vrouw Mia blijkt ongeneeslijk ziek en overlijdt in 1977. Na haar dood wordt Vissers vriend Wim Beeren benoemd tot directeur bij het Museum Boijmans van Beuningen te Rotterdam. Hij heeft behoefte aan een soulmate en vraagt Martin om hoofdconservator te worden. Martin pakt de kans graag aan: ‘Ik vond het ontzettend eervol’.

50 jaar doorwerken op een thema

Wanneer Visser begin zestig is en zijn werk bij Museum Boijmans van Beuningen afloopt, start zijn meest expressieve periode als meubelontwerper. Nu kan hij vrij van productiezorgen werken en onafhankelijk van de markt. En samen met een kritisch maatje: Joke van der Heijden, freelance stoffenontwerper en docent aan de Design Academy verhuist in 1980 naar Bergeijk. De opslagruimte – de nissenhut die in de zestiger en zeventiger jaren beschikbaar is voor de kunstenaars en als opslagruimte voor de grote stukken van de Visser Collectie dient – wordt meer dan 25 jaar de opslag en werkruimte waar bijzondere meubels tot stand komen van Visser en Van der Heijden. Martin Vissers ontwerpen in combinatie met de vrije en frivole ontwerpbenadering van Joke van der Heijden levert vernieuwend werk op. De meubels worden in vorm en uitdrukking barokker en het kleurgebruik uitgesproken. Hun meubels worden in eerste instantie nog geproduceerd via de opvolgers van het Spectrum, maar ze kiezen er al snel voor om de veelal unieke exemplaren in eigen beheer aan een kleine kring liefhebbers te verkopen.

Het intrigerendste ontwerp van Visser is ongetwijfeld zijn bumpertafel, de barokke vertaling uit 1965 van zijn tafelonderstel tz06 uit begin jaren 60, een omkeerbare driepoot, later Abusir genoemd. Ogenschijnlijk simpel met de drie punten op de vloer en de drie punten om het blad te dragen. Er worden van de bumpertafel verschillende uitvoeringen geproduceerd; gevarieerd wordt in hoogte, breedte, materialen en afwerkingen. De ontwikkeling rond de bumpertafel leert hoe Visser werkt als ontwerper. Het idee van de ‘omkeerbare driepoot’ gebruikt hij rond 2006 ook voor de nieuwe bumpertafel, nu gefacetteerd uitgevoerd in verchroomd plaatstaal. Vergelijkbaar met de toepassing van autobumpers, is de toepassing van droogtrommels (uit wasmachines) als tafelonderstel voor een serie houten/ MDF tafels.

En bij zijn laatste eetkamerstoel, de Alida, een aluminium stapelstoel geproduceerd in 2005, herken je ook een terugkomend thema, de afronding van de zitting in de knieholte. Die is ook te zien bij de serie houten stoelen se20, se21 en se22 uit 1988, maar ook in de zestiger jaren bij de robuuste fauteuils sz11 en sz12.

De aluminium kokers die de Amerikaanse kunstenaar Sol LeWitt achterlaat na zijn werk bij de Vissers in Bergeijk, worden gebruikt voor de onderstellen van de serie tafels Sofie, Eva en Carol. De modellen worden een aantal jaren via het inmiddels herrezen ’t Spectrum verkocht. Die exemplaren hebben altijd een aluminiumkleurig onderstel met een in kleur afgewerkt stalen blad. Tijdens een gesprek in 2002 over deze tafel zegt Martin Visser ‘hij moet wit’. En een paar maanden later hebben Joke en Martin hun oorspronkelijke uitvoering van deze tafels vervangen door geheel witte exemplaren. Hoe robuuste stalen tafels feeëriek kunnen zijn, is te zien op de tentoonstelling in Maastricht van deze intrigerende ontwerper, inspirerende opdrachtgever en bevlogen verzamelaar, die altijd over zijn grenzen heen keek.

De expositie Martin Visser, verzamelaar, ontwerper, vrije geest, loopt van 13 maart tot 17 juni 2012 in het Bonnefantenmuseum. Tegelijkertijd toont ook het Kröller-Müller Museum een deel van de kunstverzameling van Martin Visser.

Voetnoten

1 Rechte stoelen, rechtschapen burgers, Wonen volgens ’t Binnenhuis (1900-1929) 8 oktober 2011 t/m 4 maart 2012 en Berlage Totaal, Hendrik Petrus Berlage: Architect en Ontwerper 27 november 2010 t/m 27 februari 2011 GEM Den Haag

2 samengevoegd met Adriaan Volker, dit bedrijf wordt rond 1978 nogmaals overgenomen

3 respectievelijk Martin Visser en Wim Beeren in Martin Visser, Theo Limpergprijs 1989, isbn 90-6450-094-0

4 Weverij De Ploeg, Boterenbrood, H., 1989 Rotterdamisbn 90 6450-086-x

5 Vissers kennismaking met het werk van Pierre Chareau en Le Corbusier, tijdens een bezoek aan Parijs in 1947 samen met architect Bijvoet, is herkenbaar in de illustraties voor dit boekje zonder titel.

6 uitvoerig beschreven in ’t Spectrum, Jojanneke Clarijs, 010 Rotterdam, 2002

7 In gesprek: Martin Visser, Vinkenoog, S., Goed Wonen 1964

8 Catalogus triton 1971 jan des bouvrie | martin visser.

Martin begint zijn deel van de catalogus met een citaat uit H.P. Berlage ‘Studies over Bouwkunst, Styl en Samenleving’ Rotterdam 1910: ‘ Het denkbeeld der verdwijning van het individu, met zijn pedantisme, als ikheid, als kroondrager alleen, van zijn hedendaagsch piedestal af, ten behoeve van het eigenlijke werk, als uiting niet van één persoon, maar van een tijdgeest, waarvan de leidende kunstenaar slechts de vertolker is, schijnt in deze tijd van geconcentreerd individualisme volstrekt onaannemelijk, zelfs bij hen, die niet geacht kunnen worden het denkbeeld van een zoo begrepen kunst te weerstreven’.

In deze catalogus van de gemeenschappelijke presentatie van Visser en Des Bouvrie in 1971, staat ook een  notitie van een gesprek tussen beide ontwerpers met Loek van der Sande, toen adjunct-directeur Industriële vormgeving Eindhoven. Martin Visser zegt hierin met ‘het ding’ bezig te zijn, op zoek te zijn naar gegevens als basis voor het ontwerpen. Hij vindt dat de markt (marktonderzoek) de informatie moet verschaffen die de ontwerpers inspireren en vertelt dat er 2 heren van De Klerk in Bergeijk zijn geweest om het bedrijf te informeren over ‘het gevoel bij het publiek’ en de toekomst met onderzoek, marktgegevens en informatie over leefgewoontes koopkracht, assortiment-opbouw. Aan wie wil de fabrikant leveren? Albert Heijn of Metz? Visser verwijst naar zijn Bijenkorftijd, naar het directe contact met de klant. En concludeert dat Jan Des Bouvrie dat contact middels zijn net geopende ‘winkel’ (de galerie m.s.) ook zoekt. Het is 1971 en je leest in Vissers woorden zijn melancholie naar zijn vroegere directe klantcontacten.

9 Aldo van Eyck artikel ter gelegenheid van Gerrit Rietvelds’ 70ste verjaardag ‘De bal kaatst terug’ in Forum 3 1958

10 verbouwingen naar ontwerp van Aldo van Eyck aan het Visserhuis:

1968 aanvraag bouwvergunning 1e uitbreidingen met cirkel, 1971 bouwvergunning uitbreiding slaapkamer naar de straatkant en de later gerealiseerde verlenging van de garage. Na Van Eycks’ dood is de buitenkant van het metselwerk van de cirkel in de door Aldo gekozen rode kleur geschilderd. In 1993 is de bouwvergunning voor het sculptuur van Sol Lewitt 1993 verkregen en uitgevoerd.

11 Op een expositie in de Duitse Galerie Konrad Fischer kopen de Vissers een kunstwerk van Carl Andre. Plaats en afmeting worden door Andre vastgesteld in hun huis. Nebato, één van de producenten voor ’t Spectrum, maakt het werk. Naast Carl Andre laten ook Sol LeWitt, Robert Morris, Bruce Nauman en Walter de Maria hun werk in Bergeijk produceren, Mia Visser begeleidt de productie.

12 W. Beeren in Martin Visser/ Theo Limpergprijs, 010 Rotterdam, 1989

13 De werknemers van ’t Spectrum maken een doorstart als Arspect, zonder Visser. Maar ook Arspect redt het niet. Harrie Verhoeven, de boekhouder, start in 1988 met het tweede Spectrum.

13 De complete Vissercollectie wordt in 2000 opgenomen in de collectie van het Kröller-Müller Museum. The Collection Visser at the Kröller-Müller Museum, KMM Otterlo 2000.

Gerelateerd

  1. Guus Vreeburg

    zie ook het artikel ‘De meubelkunst van Martin Visser’, een eerste overzicht van Visser’s meubelontwerpen dat ik in 1985 publiceerde in het tijdschrift ‘Jong Holland’1 (1985) 2, pp 38-55; http://www.guusvreeburg.nl/read/5130?submenu=4214

    Reageer

Schrijf een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.