Dirk Osinga: Architectuur vanuit noodzaak

Architect, Platform jong talent

Dirk Osinga: Architectuur vanuit noodzaak

Door: Jeroen Junte | 01-09-2015

Voor veelzijdig ontwerptalent Dirk Osinga begint de crisis pas in 2012. Na zijn afstuderen in 2010 werkt hij achtereenvolgens voor het Rode Kruis in Zuidoost-Azië en bij een architectenbureau gespecialiseerd in villa’s voor de goudkust van New York. Terug in Nederland beantwoordt hij een breed gedragen behoefte aan autonomie met modulair meubilair Open Objects. Ook bedenkt hij voorstellen voor het creëren van nieuwe activiteiten en economische bedrijvigheid in leegstand in Ljubljana en voor een toekomstbestendig ROC in Nederland.

Noodopvang Rode Kruis

Na zijn afstuderen aan de faculteit Bouwkunde van de TU Eindhoven in 2010 vertrok Dirk Osinga naar Zuidoost-Azië. Daar werkte hij anderhalf jaar voor het Rode Kruis in Nepal, Bangladesh en de Filippijnen. ‘Ik heb een online database ontworpen met ruim tachtig verschillende huizen, die in deze landen zijn gerealiseerd door verschillende NGO’s [nongouvernementele organisaties red.]. Deze database dient als archief en kan worden geraadpleegd na een volgende natuurramp. Het bouwen van noodopvang is een zeer complex proces. Zo is het bijvoorbeeld na een natuurramp een enorme logistieke puzzel om alle materialen op afgelegen plekken te krijgen. Tot nu toe werd telkens het wiel weer opnieuw uitgevonden.’ Daarnaast vergeleek Osinga de door NGO’s gebouwde huizen met de huizen die de lokale bevolking zelf realiseerde. Waarbij opmerkelijke verschillen werden blootgelegd. ‘Sommige mensen zijn enorm veerkrachtig en bouwen met vindingrijkheid een huis van 80 dollar. Maar deze gaan slechts mee tot de volgende tyfoon of overstroming. De transitional shelters van het Rode Kruis zijn robuuster maar te weinig flexibel. Mensen willen hun huis aanpassen aan persoonlijke omstandigheden maar dat gaat lastig. Dit dilemma wordt nog versterkt, doordat het Rode Kruis er vanuit gaat dat noodopvang tijdelijk is, terwijl mensen veel langer in deze transitional shelters wonen.’

Villa’s op Long Island New York

Aansluitend werkte hij ongeveer een jaar in New York bij Smith & Thomson Architects, een bureau met clientèle hoofdzakelijk op Long Island en met name in de Hamptons. ‘De Goudkust van New York. Wij bouwden bij wijze van spreken het huis van de buurman van Steven Spielberg. Het bureau was de crisis vrijwel ongeschonden doorgekomen.’ Zijn drijfveer om uitgerekend hier aan de slag te gaan was om ook de andere kant van architectuur te ervaren. Dus niet alleen de functionalistische gebouwen met een noodzaak maar ook architectuur gedreven door comfort en esthetiek. Daarbij was Smith & Thompson een ondernemend bureau dat al in de jaren zeventig de rol van ontwikkelaar op zich nam door zelf lege kavels te kopen op Manhattan en hierop zelf te bouwen en te verhuren. ‘Die aanpak van een ondernemende architect spreekt mij enorm aan.’ En ja, natúúrlijk werd hij ook aangetrokken door het dynamische leven in New York.

Designers in Eindhoven

Hoe groot ook de culturele en economische verschillen tussen Nepal en Manhattan, er zijn ook opmerkelijke overeenkomsten in de architecturale praktijk. ‘Bij zowel de transitional shelters als kustvilla’s werkte ik als architect nauw samen met de gebruiker. Je ontwerpt geen generieke woningen die voor Jan en Alleman geschikt moeten zijn, zoals bij grote woningbouwprojecten in Nederland gebruikelijk is.’ Met de harde realiteit in Nederland maakte hij kennis toen bij in 2012 weer neerstreek in Eindhoven. ‘Al snel was duidelijk dat ik zelf iets moest opbouwen. Ik ben geen traditionele bouwmeester die maar één ding wil: ontwerpen en bouwen. Dat is mijn wens natuurlijk ook. Maar het onderzoek naar de context waarbinnen architectuur opereert vind ik minstens zo interessant.’ In Eindhoven werd hij voornamelijk geïnspireerd door de ontwerpers van de Design Academy met wie hij veel optrok. ‘Ook ontwerpers verdienen nauwelijks geld door de crisis, maar zijn veel ondernemender. Ze delen bijvoorbeeld een werkplaats en maken hun eigen ontwerpen.’ Daarbij zijn ontwerpers veel beter in staat om de maatschappelijke relevantie van hun vak te bevestigen. ‘Mensen kijken naar design als de oplossing voor grote problemen als vergrijzing, energie of transport. Bij architectuur denkt men al snel aan geldverslindende projecten of massale woningbouw.’ Kortom, architectuur zit in een identiteitscrisis, aldus Osinga. ‘Het is een gesloten discipline die misschien de rode draad is kwijtgeraakt, hoewel er nog fantastische gebouwen worden gerealiseerd.’

3D-printen

De designwereld is veel opener, meent de architect. ‘Designers vinden het gewoon om samen te werken met een architect of een wetenschapper. Nieuwe technieken als 3D-printen worden ook meteen omarmd. Architecten kunnen veel leren van ontwerpers.’ Al is dat andersom ook zeker het geval, voegt hij daar aan toe. ‘De designwereld is heel positief en optimistisch, op het naïeve af soms. Er is nauwelijks een kritisch discours. De theorieboeken over design zijn bijvoorbeeld op één hand te tellen. Architectuur daarentegen torst een eeuwenlang verleden met zich mee dat prikkelt tot reflectie.’

Open objects

In samenwerking met productontwerper Lotte de Raadt start Osinga in 2013 het zelf geïnitieerde onderzoek- en ontwerpproject Open Objects. ‘Uitgangspunt is de realisatie een serie hybride objecten die de relatie tussen ontwerper en gebruiker gelijkwaardiger probeert te maken, zodat er uiteindelijk voorwerpen ontstaan waarop de consument daadwerkelijk invloed kan uitoefenen.’ Het eerste ontwerp was gebaseerd op een stalen profiel waarmee de gebruiker zelf een kast, stoel of tafel kan maken door te variëren met houten elementen. Inmiddels is deze eerste versie verbeterd tot een minder vrije module. ‘Te veel vrijheid vindt de consument helemaal niet fijn, zo bleek uit de reacties op de presentatie van Open Objects tijdens de Dutch Design Week in 2013. Waarmee maar weer eens is bewezen dat de rol van ontwerper nog lang niet is uitgespeeld.’
De invloed van de do-it-yourself cultuur op design gaat al ver terug. Gerrit Rietveld experimenteerde hiermee al in de jaren dertig met zijn Kratstoel. In de jaren zestig – dus nog ver voor Ikea – bedacht de Italiaanse ontwerper Enzo Mari de meubelcollectie Autoprogettazione van standaard houtplaten die iedereen zelf in elkaar kan zetten. ‘Inmiddels gaat die maakcultuur verder met 3D-printen of het eenvoudige computerbesturingssysteem Arduino, waarmee iedereen een huis-tuin-en-keuken robot kan bouwen.’ Naast deze praktische innovaties ziet Osinga ook een ideologisch verschil. ‘Ontwerpers als Rietveld en Mari ontwierpen vanuit een intellectueel en idealistisch startpunt maar gaven weinig vrijheid aan de gebruiker. De hedendaagse drijfveer is veel meer een in de samenleving breed gedragen behoefte aan autonomie. Door mensen bijvoorbeeld zelf hun meubels te laten maken, of te gaan moestuinieren, kan er weer een relatie aan worden gegaan met de materiële wereld, die steeds vluchtiger wordt door de verdergaande digitalisering.’

Noodarchitectuur voor Europa

Deze participatieve processen tussen ontwerper en gebruiker probeert Osinga nu ook in de architectuur te integreren. ‘Vorig jaar heb ik deelgenomen aan Europa’ s oudste designbiënnale BIO in Ljubljana, Slovenië. Met bio50, heeft curator Jan Boelen het bestaande model op zijn kop gezet door niet bestaand werk te tentoon te stellen maar juist nieuwe projecten te initiëren in de lokale context. Voor één van de thema’s ‘Affordable Living’ was de opgave om de enorme leegstand en een groeiende behoefte aan betaalbare woningen in Ljubljana op elkaar af te stemmen. De motor achter onze voorstellen is het creëren van nieuwe activiteiten en economische bedrijvigheid.’ Dit kan uiteenlopen van een cultureel centrum op een lege bouwkavel tot praktijkgerichte bijscholing voor wijkbewoners in een leegstaand kantoor. Daarom maakte Osinga met zijn onderzoeksteam een inventarisatie van de potentie in een aantal wijken en maakten zij voorstellen voor nieuwe diensten en voorzieningen. ‘Want als er voldoende economische activiteit is, dan krijgt een gebied ook nieuwe potentie. Dit trekt investeringen aan en daarmee mogelijkheden om leegstaande gebouwen te transformeren.’ Lachend: ‘Je zou het noodarchitectuur voor Europa kunnen noemen.’

Toekomstbestendig ROC

Voortbordurend op deze architectuur vanuit noodzaak is Osinga een onderzoek opgestart naar hergebruik van bouwmateriaal. Daarnaast is de Rotterdamse architect met productontwerper Jurgen Bey en architect Rianne Makkink van Studio Makkink & Bey een onderzoek gestart naar het toekomstbestendige schoolgebouw van het middelbaar beroepsonderwijs. ‘Onder het mom van schaalvergroting zijn enorme ROC-gebouwen gerealiseerd. Maar deze sluiten niet meer aan bij de huidige ontwikkelingen in het onderwijs. De roep om decentralisatie wordt steeds luider. In Leiden is onlangs zelfs een ROC failliet gegaan. Het splinternieuwe gebouw staat nu leeg – nota bene een duurzaam gebouw van architect Thomas Rau.’ Daarom komen er zelfstandige MBOcolleges voor bijvoorbeeld Techniek of Zorg.
Osinga: ‘Vanuit het Ministerie van Economische Zaken wordt vakmanschap gepromoot maar wat bekent vakmanschap in de 21e eeuw eigenlijk in het licht van een aantal technologische ontwikkelingen zoals automatisering en robotisering. Het beroepsonderwijs wil meer aansluiting zoeken bij het bedrijfsleven en tegelijkertijd heeft het een pedagogische taak. Ons onderzoek richt zich op de omgeving waarin vakmanschap wordt onderwezen, de werkplaats, in de meest brede zin van het woord. Hoe ziet de werkplaats er in de 21e eeuw uit? En welke functie heeft de werkplaats in de stad en in bijvoorbeeld de creatieve industrie? Maar bovenal: welke rol kan de architect spelen in deze ontwikkelingen.’ Want, zo is de rotsvaste overtuiging van Osinga, de rol van de architect verandert weliswaar. Maar zijn rol is nog lang niet uitgespeeld. ‘Architectuur blijft noodzakelijk.’

Questionnaire

Favoriete historische gebouw? Het Centraal Station in Antwerpen, waarbij historie en moderniteit in één beweging samen komen, een eclectische kathedraal voor het treinreizen. Daarmee vergeleken zijn zeker de moderne Nederlandse stations troosteloos, hoewel het nieuwe centraal station in Rotterdam een dappere poging doet.
Favoriete hedendaagse gebouw? Ondanks de mythe van de stad in het gebouw, is het interessant om De Rotterdam van OMA te zien in de historische lijn van de Van Nellefabriek van Brinkman en Van der Vlugt en het Groothandelsgebouw van Maaskant – indrukwekkende gebouwen die een verbinding leggen tussen de havenstad en de rest van de wereld. Met zijn overweldigende aanwezigheid, schuurt het aan alle kanten en toch is De Rotterdam fijnzinnig vormgegeven.
Favoriete Nederlandse gebouw? Ons appartement dat verrassend modern is ontworpen door Granpré Molière, met uitzicht op Van Tijen’s Bergpolderflat en Bonnema’s toren, die elke dag er weer anders uit ziet.
Favoriete hedendaagse architect? Een aantal fascinerende architecten in Europa: Lacaton & Vassal in Frankrijk, Christian Kerez in Zwitserland, Caruso St. John in Engeland en de Vylder Vinck Taillieu in België. In Azië zijn Atelier Bow-Wow in Japan en Studio Mumbai in India interessant.
Favoriete Nederlandse architect? Al een tijd is België interessanter dan Nederland. Samen met een naoorlogse bouwtraditie gericht op het alledaagse en een architectuur discours aangezwengeld door bijvoorbeeld Geert Bekaert in de jaren 80 zijn er veel bijzondere gebouwen bedacht en gemaakt die bewegen tussen bescheidenheid en aanwezigheid, tussen lichtheid en zwaarte.
Wanneer niet in Nederland, vanuit welk land zou je willen werken? Voor mij is het essentieel om een internationale blik te houden door bijvoorbeeld projecten in Afrika en Azië uit te voeren.
Wat zou je nooit ontwerpen? Alles is uiteindelijk interessant om te onderzoeken, over na te denken en om vorm te geven.
Wat irriteert je het meest in het vak? Dat in de nabije toekomst sloopbedrijven het drukker krijgen dan monumentenzorg; wat uiteindelijk ook een bevrijdende gedachte is. Er zijn de afgelopen twintig, dertig jaar nauwelijks gebouwen gemaakt die als erfgoed kunnen worden aangemerkt. Vanuit een duurzaamheidsoogpunt wordt er niet nagedacht over de verschillende snelheden die gebouwen kunnen hebben.
Droomopdracht? Samenwerkend in een los multidisciplinair netwerk de kwaliteit van de gebouwde omgeving verbeteren in bijvoorbeeld een sloppenwijk als Baseco in Manila, waar 16.500 families leven op een halve vierkante kilometer, door het ontwerpen en bouwen van een architectonische infrastructuur.
Belangrijkste inspiratiebron buiten architectuur? Mensen, bijvoorbeeld kunstenaars die vanuit een onafhankelijke positie een zoektocht uitvoeren naar de betekenis van deze wereld, gelijk aan wetenschappers, zoals Joost Konijn die een eigen vliegtuig bouwt en daarmee naar Afrika vliegt. Zijn actie geeft een ander perspectief op de mens die vanuit Afrika de Middellandse zee probeert over te steken.

Afbeeldingen 1 en 2. Transitional shelters is een onderzoek voor het Rode Kruis waarbij bestaande shelterprojecten die door humanitaire organisaties zijn gebouwd in Bangladesh, Nepal en de Filippijnen zijn geanalyseerd en vergeleken met huizen die door mensen zelf zijn geconstrueerd. Het gebruik en de aanpassingen van de huizen zijn onderzocht. Een van de aanbevelingen was om een meer strategische en integrale benadering te kiezen voor het ontwerpen van transitional shelters en settlements waarbij rekening wordt gehouden met het milieu en de tactieken van mensen die hun eigen omgeving willen aanpassen. Op de foto’s zelfgebouwde shelters in Bangladesh en de Filippijnen.
Afbeeldingen 3 en 4. Spatial Probes. In Ljubljana zijn er door de economische crisis veel verlaten bouwplaatsen die zich als gaten in het stedelijk weefsel bevinden. Samen met designer Lukas Wegwerth ontwikkelde Osinga voor zo’n plek de ontwerpmethode Spatial Probes, architectonische prototypes van materialen die lokaal werden gevonden of bij de bouwmarkt werden gehaald. De feedback van de bewoners werd gebruikt om uiteindelijk samen een contextueel ruimtelijk voorstel te genereren die door de bewoners zelf georganiseerd kan worden.
Afbeeldingen 5-7. Infra-services is een ontwerpmethode ontwikkeld door architect Dirk Osinga en designer Lukas Wegwerth tijdens de designbiënnale BIO50 in Ljubljana. Samen met masterstudenten van de Design Academy zijn nieuwe diensten ontworpen die gebruik maken van de specifieke kwaliteiten van de leegstaande gebouwen in Ljubljana en de lokale beschikbare economische, sociale, culturele en natuurlijke hulpbronnen. Door deze met elkaar te verbinden zijn er vijf verschillende diensten gecreëerd die door middel van performances zijn uitgetest, v.l.n.r. cultureel trefpunt, lokaal communicatieplatform en museum voor maatschappelijk welzijn.
Afbeeldingen 8 en 9. Chair One. Open objects is een doorlopend ontwerp- en onderzoeksproject dat mechanismes van zelforganisatie, open systemen en de potentie van beschikbare technologieën onderzoekt met het doel om nieuwe samenwerkingsmodellen te testen tussen ontwerper en gebruiker. Chair One bestaat uit een set van zeven delen, die makkelijk op verschillende manieren in elkaar kan worden gezet om zodoende elke keer een andere stoel te assembleren met dezelfde onderdelen. I.s.m. Lotte de Raadt.

Gerelateerd

Tags: , , , , , , , , ,
0 Reacties Schrijf een reactie

    Schrijf een reactie

    Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.