Studio Prototype: Form follows material

Architect, Platform jong talent

Studio Prototype: Form follows material

Door: Jacqueline Knudsen | 12-08-2013

Architecten Jeroen Spee en Jeroen Steenvoorden ontwerpen nadrukkelijk vanuit het materiaal. Materiaaleigenschappen zijn bepalend voor de constructie, vormgeving en detaillering in hun ontwerpen. In tegenstelling tot veel andere jonge architectenbureaus zoeken ze geen nieuwe kansen buiten het vak. Ze concentreren zich puur op doorwrochte architectonische en stedenbouwkundige ontwerpen. In 2009 richtten ze hun eigen bureau op en de eerste projecten die ze op eigen titel realiseren, zijn veelbelovend.

Prototype studio for architecture and urbanism

In een voormalig schoolgebouw vlakbij het Museumplein in Amsterdam resideren diverse jonge creatieven, waaronder architecten Jeroen Spee en Jeroen Steenvoorden. Hun bureau Prototype studio for architecture and urbanism, heeft de beschikking over een vergaderkamer, een kamer met vier werkplekken en een maquettekamer. Vier werkplekken, want naast Jeroen Spee en Jeroen Steenvoorden lopen er continu een of twee studenten bouwkunde stage bij Prototype. Spee: ‘Ik werk ook als gastdocent op de TU Delft en ik ben afstudeermentor op de Academie van Bouwkunst in Arnhem, de beste studenten nodig ik uit om hier stage te lopen.’

Bundeling van krachten

De twee geestverwanten vonden elkaar op de TU Delft. Na hun studie bouwkunde werkten ze allebei bij OIII architecten en bij Sander architecten, tot ze in 2008 besloten om een eigen bureau te beginnen. Spee: ‘Bij beide bureaus kregen we de kans te werken aan grote projecten, bij OIII was architect Eric Paardekooper Overman onze mentor en werkten we onder meer aan ROC het Sieraad in Amsterdam. Bij Ellen Sander hebben we jaren meegewerkt aan het bestuurscentrum van de Rabobank in Utrecht, als deelontwerper van enkele paviljoens en als ondersteuning bij de supervisie. Ook hebben we waardevolle ervaring opgedaan bij het ontwerp voor het Ministerie van Defensie. Eerst in dienst van Sander en toen we voor onszelf begonnen, in opdracht van Sander. We hebben tot de oplevering in 2012 doorgewerkt aan het Ministerie.’

Steenvoorden: ‘De Rijksgebouwendienst is een heel goede opdrachtgever, je krijgt er de kans om echt iets grondig te onderzoeken, integraal te ontwikkelen en uit te detailleren. Zo hebben we vanaf het begin van het ontwerpproces voor de overkapping over de binnenplaatsen van het ministerie van Defensie met fabrikanten en adviseurs overlegd, bijvoorbeeld met de composietenleveranciers, van huis uit botenbouwers. En bij de uitvoering van het dak hebben we een bussenbouwer erbij betrokken. Door deze werkwijze is niets aan het dak standaard.’

Vanuit het materiaal

Spee: ‘We vinden het belangrijk om in een vroeg stadium van een ontwerp al met leveranciers en fabrikanten in gesprek te gaan, om te kijken wat mogelijk is en om nieuwe ideeën op te doen. Zij hebben de specialistische en specifi eke kennis die wij in het ontwerpproces willen bundelen om zo tot een unieke oplossing te komen, die ook precies zo uitgevoerd kan worden zoals wij voor ogen hebben.’ Die intensieve samenwerking met leveranciers kost natuurlijk de nodige voorbereidingstijd, zeker als er ook mockups worden gemaakt en getest. Het technisch doorontwerpen vanuit het materiaal resulteert in gedegen vakwerk en nieuwe originele oplossingen. Het is een belangrijk aspect van het ontwerpen dat in de studie bouwkunde aan de TU veel te weinig aandacht krijgt. Als jonge architect moet je dit zelf in de praktijk leren. Spee en Steenvoorden kregen hiervoor de kans die ze met beide handen hebben aangegrepen.

Een benadering die de heren ook in de naam van hun bureau tot uitdrukking willen brengen. Ze ontwikkelen elk project als een prototype, vanuit het niets ontwerp je binnen een multidisciplinair team iets totaal nieuws op basis van rationele, theoretische analyse van de randvoorwaarden. Die zijn bij elke opgave weer uniek, net zoals de gebruiker. Daarom zal een prototype bij Spee en Steenvoorden nooit een vervolg krijgen, en daar houdt de vergelijking met een prototype in bijvoorbeeld de auto-industrie dan ook weer meteen op.

Spee: ‘Het traditionele bouwproces doorloopt de verschillende ontwerpfasen, waarin verschillende partijen afzonderlijk werken en processen parallel verlopen. Dit kost in veel gevallen meer tijd en geld en gaat ten koste van de kwaliteit. De huidige tijd vraagt om een op andere wijze gestructureerd bouwproces. Het prototypische bouwproces dat wij propageren, benadert de opgave integraal en bundelt in een vroeg stadium van het ontwerpproces specifi eke krachten en kennis. Zo vullen we onze kennis aan met expertise vanuit bijvoorbeeld de auto-industrie en de scheepvaartindustrie, die al veel meer zijn toegesneden op een integrale procesaanpak en geprefabriceerde onderdelen.’

Samenwerking met specialisten uit de toeleverende industrie en uit andere branches is tegenwoordig dé manier van werken van veel jonge architecten en andere creatieven. Daarmee schaart Prototype zich in de heersende trend. Maar tegelijkertijd kiezen Spee en Steenvoorden voor een duidelijke eigen koers.

Concentratie op de essentie van het vak

Veel jonge architecten besteden – veelal noodgedwongen – een groot deel van hun tijd aan het zelf creëren van nieuwe opdrachten. Ze maken zelf initiatiefplannen, zoeken locaties, zoeken partijen om samen een idee van de grond te krijgen, in de hoop om zo uiteindelijk een plan te kunnen realiseren. Ook zoeken ze opdrachten buiten de architectonische opgave. Zo niet Prototype.

Spee: ‘We hebben veel respect voor architecten die daarin succesvol zijn, zoals ZUS [Zones Urbaines Sensibles], met wie we soms samenwerken. Maar wij stoppen geen tijd en energie in activiteiten buiten de architectuur. We willen ons puur concentreren op onze core business: het ruimtelijk ontwerp.’

Steenvoorden vult aan: ‘Wanneer je je energie en tijd besteedt aan een goede detaillering, creëer je gebouwen die de tand des tijds kunnen doorstaan, die mooi verouderen.’ Kortom: Prototype wil doorwrochte ontwerpen maken en begeleiden tot en met de oplevering. Wanneer het goed in elkaar zit kan het lang mee, houdt het zijn waarde.

Oog voor de buurt

Die concentratie op de essentie van het bouwen is eigenlijk een luxe positie. Tot nu toe hebben ze voldoende nieuw werk. Hoe lukt het hen om opdrachten te verwerven? Steenvoorden: ‘We zoeken zeer actief de publiciteit op, in tijdschriften en op internet. Ons ontwerp voor het August Allebéplein in het Overtoomse veld in Amsterdam Nieuw West voor de Prix de Rome [tweede prijs] heeft breeduit aandacht gekregen, ook op televisie. Zo’n prijs levert veel aandacht en waardering op, maar minder nieuwe opdrachten dan we hadden gehoopt.’ Een direct gevolg was wel een opdracht van Atelier Rijksbouwmeester voor een herontwikkelingsvisie voor het St. Annaterrein in Venray. Dit in het kader van een reeks projecten in aandachtswijken van de RGD onder de titel ‘Oog voor de buurt’.

‘Samen met ZUS hebben we dit plan gemaakt. In een tijdsbestek van 20 jaar moet het gebied gefaseerd transformeren tot een woondorp voor 900 mensen waarbij de focus ligt op flexibele woonvormen en woonunits voor arbeidsmigranten en woonurgenten, de groepen waar de komende jaren groei in zit. 60% van de arbeidsmigranten, voornamelijk Polen, wil zelf hier blijven wonen en de provincie Limburg heeft die mensen nodig om het huidige voorzieningenniveau te kunnen behouden.’

Dankzij een ontwikkelmodel van permanente tijdelijkheid worden van het begin af verbeteringen in het gebied aangebracht. Kleinschalige publieke interventies, strategische ingrepen in de bestaande gebouwen en op kleine schaal nieuwe woningbouw kunnen het park weer tot leven roepen en een rol laten spelen binnen het publieke leven van Venray. ‘Juist die gefaseerde aanpak kan op veel waardering rekenen, want als stedenbouwer kun je moeilijk anticiperen op sociale veranderingen in de maatschappij.’

Het plan is eind 2012 door rijksbouwmeester Frits van Dongen aan gemeente en woningcorporatie aangeboden. De Van Gogh stichting, eigenaar van het St. Annaterrein, zoekt nog investeerders. Eind juni 2013 krijgen Prototype en ZUS een vervolgopdracht vanuit de RGD om het probleem van migrantenhuisvesting te koppelen aan leegstaand vastgoed, in samenwerking met enkele corporaties uit Limburg.

Watervilla

Ook met de watervilla nabij het Olympisch stadion in Amsterdam wisten Spee en Steenvoorden veel publiciteit te genereren. De villa kreeg ruim aandacht in designbladen en op architectuursites, en het Amerikaanse HGTV – Home & Garden Television – heeft zelfs een filmpje over de villa in de serie Extreme Homes uitgezonden.

Het ontwerp voor de watervilla maakte Prototype samen met buurman Framework Architecten, medehuurder in hetzelfde pand aan de Gabriel Metsustraat. Steenvoorden: ‘Het bijzondere lijnenspel in de houten gevels van deze woonboot is een abstracte knipoog aan de grillige rimpelingen in een wateroppervlak, maar zorgt ook voor een bijzondere lichtval binnen. Ook verminderen de houten shutters de inkijk.’ Het lijnenspel wordt binnen doorgezet in de lijnen van het stalen trappen en hekken rond de centrale vide en in de balken. Spee: ‘Die zijn in het hart uitgefreesd, zodat de grove maat optisch wordt gehalveerd, een truc die we hebben gezien in het huis van Le Corbusier op de Weissenhofsiedlung in Stuttgart.’

Transparante gevelstructuren

Lattenstructuren die in meer of mindere mate lichtdoorlatend zijn, zijn een geliefd thema in de ontwerpen van Prototype. Spee: ‘In ons winnende prijsvraagontwerp voor een paviljoen in het Theo van Goghpark in Amsterdam IJburg bestaan de gevels uit een ruimtelijke lattenstructuur, die een patroon vormt over het gehele gebouw.’ Helaas besloten de initiatiefnemers begin 2013 om het project niet uit te voeren vanuit economische gronden. Spee vervolgt: ‘Maar ook in de ontwerpen voor de uitbreiding van een woonhuis in Duiven en voor de villa in Schoorl, zijn die transparante gevelstructuren toegepast. Bij de laatste in staal met walshuid, die is verouderd en behandeld met een scheepscoating, zodat hij niet zal corroderen.’ Ook weer een doorwrocht ontwerp vanuit het materiaal.

www.studioprototype.nl

Favoriet historisch gebouw? David Chipperfield’s verbouwing van het Neues Museum in Berlijn, de wijze waarop de historische gelaagdheid is blootgelegd is werkelijk indrukwekkend.
Favoriet hedendaags gebouw? Zijn er veel, de meeste recente is een woongebouw op de Hobbemakade in Amsterdam, dat viel ons laatst op, puur door eenvoud en vakmanschap, bleek van Rapp + Rapp Architecten te zijn. Een ander is de doorgezaagde bunker van Ronald Rietveld, prachtige vondst. In het buitenland – misschien cliché – Therme Vals van Peter Zumthor en SESC Pompéia in São Paulo van Lina Bo Bardi. Dat zijn ware meesterwerken.
Favoriet Nederlands gebouw? Zijn toch de gebouwen, die zich over langere periode hebben bewezen en daardoor niet gedateerd overkomen: De Bazel, Beurs van Berlage, het Scheepvaartshuis, Radio Kootwijk en Raadhuis Hillversum.
Favoriete architect? Peter Zumthor
Favoriete Nederlandse architect? Veel architecten hebben mooie dingen gebouwd, toch hebben weinig architecten een steady portfolio van constante kwaliteit. Koen van Velsen is een uitzondering, al jaren levert hij het ene goede gebouw na het andere op, daar hebben we veel bewondering voor.
Wanneer niet in Nederland, vanuit welk land zouden jullie dan willen werken? Zwitserland of Scandinavië, vanwege de landschappen en mentaliteit
Droomopdracht? Wij hebben min of meer al mogen ruiken aan twee droomopdrachten, als projectarchitecten bij Sander Architecten: het Ministerie van Defensie en het interieur voor Rabobank Nederland, twee opdrachten waar eigenlijk alles inzat, behoorlijk prestigieus en beide grootschalig. Toch kan een kleine opgave ook een droomopgave zijn. Het ligt vooral aan de gezamenlijke ambitie van opdrachtgever en architect.
Wat zou je nooit ontwerpen? Ook hier is ambitie de basis, een uitgeklede opdracht, waar de architect alleen maar wordt gebruikt voor een omgevingsvergunning en een ‘geveltje’ is niet ons ding. Hier ligt een taak voor een architect om de opdrachtgever te overtuigen dat deze opgave meer zou kunnen inhouden, hoewel dit vaak wel heel moeilijk is.
Wat irriteert je het meest in het vak? Eigenlijk de collega’s zelf. Grotendeels hebben de architecten het zelf verpest de afgelopen jaren, de arrogantie, geen vakbekwaamheid, met dingen bezig zijn waar we vooral niet goed in zijn, i.p.v. de focus op de essentie, namelijk het bouwvakmanschap.
Belangrijkste inspiratiebron buiten architectuur? Dat zijn onze architectuurreizen, gebouwen zelf kunnen aanraken en erover discussiëren. Architectuurreizen hebben ons veel gebracht, alleen al om ons gezamenlijke referentiekader te vergroten.

Tekst: Jacqueline Knudsen Fotografie watervilla: Jeroen Musch
Gepubliceerd in ArchitectuurNL 05 2013

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Ontvang iedere week het laatste nieuws en informatie op het gebied van architectuur in uw mailbox.

Gerelateerd

Tags: , , , , , ,

    Schrijf een reactie

    Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.