Liefde voor harmonie

Boeken, Kennis, Onderzoek

Liefde voor harmonie

Door: Kirsten Hannema | 29-06-2015

Met de verschijning van de dubbeldikke monografie over de relatief onbekende architect Jan de Jong groeit de belangstelling voor deze ‘pionier van het plastisch getal’. Wat kunnen we anno 2015 van hem leren? Auteur Hilde de Haan en architecten Tom Thys, Fred Humblé, Miel Wijnen en Sjors Onneweer over de betekenis van Jan de Jong en het ontwerpen met ruimtelijke proporties.

 

Hij was het tegenovergestelde van een starchitect: wars van publiciteit. Voor architect Jan de Jong (1917-2001) draaide alles om zijn werk; hij legde zijn ziel en zaligheid in projecten als de Priorij Emmaus in Maarssen, de Willibrordkerk in Almelo (gesloopt in 2006) en zijn eigen woonhuis in Schaijk, waar zijn weduwe Riek nog altijd woont. Zijn gebouwen konden weliswaar rekenen op waardering van zijn collega’s van de ‘Bossche School’ – een naam die verwijst naar de cursus Kerkelijke Architectuur die tussen 1952 en 1973 in het Kruithuis in ’s-Hertogenbosch gegeven werd door de architect en benedictijner monnik Dom Hans van der Laan (1904-1991). Maar bij het grote publiek werd De Jong nooit bekend, en bijna was hij in vergetelheid geraakt. Met de verschijning van ‘Jan de Jong monografie’, geschreven door journalisten Ids Haagsma en Hilde de Haan, en Wim Ramselaar (1932-2013, architect en oud-werknemer van De Jong) is dat aan het veranderen. De monografie is dan ook meer dan een boek over het leven en werk van een ‘miskende’ architect. Met de herontdekking van zijn oeuvre is ook De Jong’s ‘geheime code’ gekraakt: het plastisch getal, waarmee hij ruimten ontwierp. Het plastisch getal, ontwikkeld door De Jong’s leermeester Van der Laan, is een ruimtelijk verhoudingenstelsel. Van der Laan stelde dat de natuurlijke ruimte te groot is voor de mens en beschouwde het als de taak van de architect om daarbinnen ruimten af te bakenen, afgestemd op de menselijke maat. Maatvoering – niet bouwtechniek of uiterlijk – was de essentie van architectuur, luidde zijn theorie. Want hij was in de eerste plaats een man van ideeën, die hij uitdroeg in de Bossche School cursus. Hij had nog nauwelijks gebouwd, toen De Jong zijn theorie in de praktijk wist te brengen, in een moderne architectuur. ‘Iedereen kent de drie kloosters van Van der Laan’, vertelt Hilde de Haan. ‘Maar Jan de Jong heeft honderden gebouwen gerealiseerd. Het probleem was altijd: hoe leg je de werking van het plastisch getal uit? Zodra je over getallen met breuken begint, haken architecten af. De Jong’s oeuvre biedt de mogelijkheid om aan den lijve het effect van verhoudingen te ervaren, en om er vervolgens zelf mee aan de slag te gaan. Die praktische toepassing maakt hem zo boeiend voor architecten.’

Groeiende belangstelling

Er is veel belangstelling voor het boek, getuige de lange lijst sponsors, waaronder Jo Coenen, Hans van der Heijden, Geurst en Schulze, Peter van Assche (bureau SLA), Wingender Hovenier en Happel Cornelissen Verhoeven. Er worden excursies georganiseerd naar De Jong’s gebouwen, lezingen zijn afgeladen en ook de workshops voor architecten die met het plastisch getal willen leren werken, lopen snel vol. De belangstelling komt volgens De Haan niet uit het niets. ‘Sinds de crisis zie je dat men weer terug gaat naar de basis van de architectuur. En dat is precies waar de Bossche School goed in was: pure bouwkunst, waar alles gaat om de ruimtelijke beleving – en dat in een breed scala uitgewerkt, variërend van raadhuizen en kerken tot kleinschalige invullingen in de stad. Het was degelijk, duurzaam en ambachtelijk bouwen. Je zou kunnen zeggen dat de architectuur sindsdien letterlijk uit verhouding is geraakt; het moest allemaal steeds groter, schever en gekker, tot de bubbel barstte. Zo bezien is het logisch dat architecten nu op zoek gaan naar manieren om zaken weer in de juiste proporties te brengen.’

Proporties in architectuur  

Wat is de betekenis van proporties voor architectuur? Volgens De Haan zit het vooral in het gevoel dat de ruimte ‘klopt’. Dat is ook wat mensen die een week in retraite zijn geweest in het klooster in Maarssen zeggen: het gebouw ‘voelt zo goed’. De jonge Belgische architect Tom Thys heeft een soortgelijke ervaring. Hij kwam voor het eerst in aanraking met het plastisch getal tijdens een excursie naar de Sint Benedictusabdij in Vaals (Dom Hans van der Laan, 1967), die een verpletterende indruk op hem heeft gemaakt. Hij past het verhoudingsstelsel nu in zijn ontwerpen toe, en gebruikt het ook in de colleges die hij geeft als docent aan de universiteit van Leuven. Hij heeft zich als student erover verbaasd dat in het architectuuronderwijs zo weinig verteld wordt over hoe je ruimtes maakt. ‘Verhouding is een fundamenteel architectonisch element, toch wordt het nauwelijks gebruikt als tool.’ Het probleem is dat er weinig is opgeschreven over hoe je dat doet: ontwerpen met verhoudingen. De Bossche School is uiteindelijk doodgebloed. Van der Laan’s beroemde boek ‘de Architectonische Ruimte’ wordt weliswaar wereldwijd gelezen, maar is toch vooral een filosofie – geen handboek. ‘Terwijl ons werk concreet is’, zegt Thys. ‘We bouwen scholen, sociale woningbouw – opdrachten waarbij al veel is vastgelegd in oppervlaktes. Ik ben op zoek naar hoe je binnen die randvoorwaarden, op een pragmatische manier met proporties kunt werken.’ Thys’ interesse in het plastische getal is tweeledig. Enerzijds gebruikt hij het als een wiskundig instrument, om het ontwerp consistent ‘in de maat’ te zetten. Anderzijds zoekt hij naar een ‘groter verband’, waarbij het gaat om de vraag welke elementen je in verhouding met elkaar brengt: de deur ten opzichte van de kamer, de kamer ten opzichte van de gebouwvleugel, het gebouw ten opzichte van zijn omgeving. ‘Het gaat om de balans tussen harmonie en disharmonie. Denk aan de muziek van Brahms, die gebaseerd op een enkele melodielijn een heel werk componeerde. Dat is wanneer het verschil ontstaat tussen een gewoon gebouw en grootse architectuur.’ ‘Architectuur wordt gevormd door dat wat het uitsluit. Werken met verhoudingen is een streven naar een perfecte omgeving’, zegt Fred Humblé, architect in Maastricht en (waarnemend) hoogleraar aan RWTH Aachen University. Op zich is dat is niets nieuws; van Fibonacci (de Gulden Snede) tot Le Corbusier (de Modulor) tot de Bossche School (het Plastische Getal) houden architecten zich al bezig met het zoeken naar de ‘goddelijke’ verhouding. Maar in de huidige tijd is het gebruik van verhoudingsstelsels niet vanzelfsprekend; het wordt vaak als een beperking beschouwd van de ontwerpersvrijheid.

Spelen met regels

Die vrijheid is een verworvenheid, maar kan ook problematisch zijn; de ontwerper weet niet meer waar hij moet beginnen en valt gemakkelijk ten prooi aan willekeur en modes. Humblé ziet dat studenten ook weer belangstelling hebben voor het spelen met regels: een architectonisch canon, naast de vrijheid van interpretatie. ‘Er is een heroriëntatie op het traditionalisme in de huidige Nederlandse architectuur. Niet zozeer als bouwstijl, als wel om meer inzicht te krijgen in klassieke architectonische middelen als tektoniek, textuur, proportie.’ Het is in zekere zin dezelfde zoektocht die Jan de Jong aflegde. Hij reisde daarvoor destijds naar Italië, en liet zich inspireren door de kerken en kloosters die hij bezocht. Humblé nam een groep studenten mee naar het Jan de Jong huis, om hen die bijzondere ruimtelijke ervaring daar te bieden. Hij legt uit: ‘Het gebruik van het plastisch getal was geen doel op zichzelf. Ontwerpen is een spel dat zijn eigen regels maakt. Voor De Jong was maatvoering de regel waarmee hij architectuur in zijn greep kreeg. Maar de Mexicaanse architect Luis Barragan bereikt in zijn woonhuis intuïtief een vergelijkbaar ruimtelijk effect.’ ‘Er zijn lelijke, maar ook veel mooie gebouwen ontworpen zonder het plastische getal’, vult architect Miel Wijnen aan. ‘Het is geen garantie voor succes.’ Zelf zou Wijnen echter niet meer zonder kunnen; als zoon van de bekende Bossche School architect Gerard Wijnen, is ontwerpen met het plastisch getal voor hem een tweede natuur. ‘Wat ik het mooie eraan vind, is dat je op een andere manier naar een ontwerp gaat kijken. Niet alleen als een concept of een groepering van functies, maar als een groter geheel. Je bent je bewuster van de keuzes die je maakt; er is geen twijfel meer over of iets 50 of 53 centimeter moet worden.’ Het vergt wel enige oefening om het werken met verhoudingen in de vingers te krijgen, weet Wijnen. ‘Ik heb studenten begeleid die het plastisch getal uitsluitend als een systeem benaderden; ze misten een zekere flamboyance, de wil om de regels naar hun eigen hand te zetten. Dan wordt het een ballast.’

Logica en rust

‘Ons vak blijft echt ontwerpen, vormgeven’, beaamt Sjors Onneweer, pas afgestudeerd aan de Amsterdamse Academie voor Bouwkunst. ‘Het plastisch getal is een middel om logica in een gebouw te krijgen; geen receptenboek.’ Gedreven door zijn fascinatie voor verhouding, verdiepte hij zich in de lessen van Van der Laan en ontwierp, als onderdeel van een toeristische strategie voor de Achterhoek, een boothuis met behulp van het plastisch getal. Een oude spoorbrug vormde de basis voor zowel het gebouw als voor het verhoudingsstelsel. Vanuit deze – grootste – maat is het hele gebouw uitgedacht, van de hoogte, breedte en lengte van de ruimtes, tot en met de dikte van de gemetselde muren, het ritme van de (constructieve) penanten en de zitnissen. Onneweer is tevreden over het eindresultaat. ‘Op een of andere manier oogt het vertrouwd, het straalt rust uit. Dat is ook wat mij aanspreekt in het werk van Jan de Jong; zijn streven naar harmonie. Onneweer, die inmiddels een eigen bureau heeft, is nog aan het ontdekken wat het plastisch getal in de praktijk van alledag voor hem zou kunnen betekenen. ‘Het is nu een lastige tijd en deze verhoudingenleer is een ingewikkeld onderwerp dat voor leken niet meteen te begrijpen is. Bij opdrachtgevers hoef je er niet mee aan te komen; die willen vooral een goedkoop gebouw. En ik loop nog tegen praktische zaken aan; wat doe je als een plank 20 cm is, en het eigenlijk 19 cm moet zijn, of een kozijn niet in een bepaalde maat verkrijgbaar is? Hoe ver ga je? Dat leer je pas door te doen.’ En dat ‘doen’ is precies wat De Haan met het boek hoopt aan te moedigen. ‘Wat mij het meest heeft getroffen, is hoe een lokale architect die verdienstelijk werk maakte, uiteindelijk adembenemende ruimtes wist te scheppen. Het plastisch getal was voor De Jong een instrument om zich te ontworstelen aan middelmatigheid. Dat maakt zijn zoektocht zo fascinerend: hij ontwierp steeds krachtiger architectuur.’

Het Plastisch getal

Het plastische getal (ψ) is een verhoudingenstelsel, bestaande uit reeksen ingenieus samenhangende maten (en daarin enigszins vergelijkbaar met het notenstelsel in de westerse muziek). Het vormt de grondslag van een architectuurtheorie, ontwikkeld door de benedictijner monnik en architect Dom Hans van der Laan (1904-1991) als alternatief voorde gulden snede (φ). De meerwaarde van het plastisch getal, ten opzichte van de gulden snede, schuilt onder meer in het gegeven dat de maatsprongen kleiner en subtieler zijn, wat de verhoudingen ‘spannender’ en rijker maakt. Daarbij komt dat de gulden snede in wezen een verhouding betreft tussen twee maten (a en b), terwijl het plastische getal de onderlinge verhouding betreft tussen drie maten (a, b en c), wat het bij uitstek geschikt maakt voor toepassing in de – immers driedimensionale – architectuur.

Lees ook het artikel Goddelijke meubels van Hans van der Laan.

Gerelateerd

Tags: , , , , ,

    Schrijf een reactie

    Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.