Het zilveren jaarboek

Inspiratie

Het zilveren jaarboek

Door: Vincent van Rossem | 20-06-2012

De lente begint met asperges, dan bloeien de bollenvelden en tenslotte arriveert de nieuwe haring. Ook de publicatie Architectuur in Nederland is folklore geworden. Dit jaar verscheen de 25e editie. Het is altijd een deftige reclamefolder geweest voor toch al florerende Nederlandse architecten. De redactie heeft nooit veel moeite gedaan om tot serieuze architectuurkritiek te komen.

Het artikel ‘Junkspace’ van Rem Koolhaas werd tien jaar geleden niet in het jaarboek gepubliceerd maar in het Amerikaanse tijdschrift October, dat alleen gelezen wordt in kunstkringen die zich met de avant-garde bezig houden. Architectuur is in ons land een product dat naar goed Hollands gebruik in de markt wordt gezet. Ongeletterde wethouders en andere potentiële opdrachtgevers moeten niet geprikkeld worden om na te denken over de vraag wat architectuur eigenlijk is. En zij moeten vooral niet op de gedachte worden gebracht dat veel architectuur misschien wel een hele kostbare vorm van gebakken lucht is, ‘junkspace’, om het woord van Koolhaas te gebruiken.

Het zou echter flauw zijn om de opeenvolgende redacties ernstige verwijten te maken. Men had nu eenmaal gekozen voor de tamelijk onbenullige opzet om jaarlijks 30 gebouwen te selecteren voor een soort architectonische hitparade. Dat is ongetwijfeld al die jaren naar eer en geweten gedaan. In deze zilveren editie wordt zelfs moedig teruggeblikt op het resultaat. Dat valt niet mee. De architectuurhistoricus die zich anno 2050 wil verdiepen in de massawoningbouw uit de periode 2000-2012 kan beter op zoek gaan naar oude glossy’s van projectontwikkelaars. De triomf van het traditionalisme in dit marktsegment is vrijwel geheel aan de redactie voorbijgegaan. Men heeft zich beperkt tot een select gezelschap van architecten die veel bijzondere opdrachten krijgen.

De ranglijst van het jaarboek wordt na een kwart eeuw ongelukkigerwijs aangevoerd door Erick van Egeraat. Maar veel zegt dat niet over die ranglijst, want Felix Claus staat op de tweede plaats. Wiel Arets en Neutelings Riedijk volgen op een gedeelde vijfde plaats. Zo staan de drie meest intelligente ontwerpers van Nederland toch nog dicht bij elkaar in de top tien. Voor het overige moeten we constateren dat de jaarboeken niet veel meer bieden dan een modieus rommeltje. De betekenis van Rem Koolhaas blijft in nevelen gehuld.

Voormalig redacteur Bernard Colenbrander leidt de jubileumeditie in met een artikel dat een wat gedesillusioneerde indruk maakt. Hij is duidelijk geen bewonderaar van lijstaanvoerder Van Egeraat en ook MVRDV en Neutelings moeten het ontgelden. Het lijkt alsof Colenbrander door zijn status als hooggeleerde in Eindhoven wat meer afstand heeft kunnen nemen van de waan van de dag. Zijn pleidooi voor de architectuur van het hergebruik is echter weer wat voorzichtig. Dat is een interessante opgave, maar vernieuwen binnen dat kader vereist meer dan het gebruikelijke roltrapje hier en daar. Carlo Scarpa (1906-1978) was de laatste meester op dit terrein, door Manfredo Tafuri aangeduid als: ‘the experience of discontinuous historical space’, in zijn boek History of Italian Architecture, 1944-1985, dat het herlezen waard is.

De kritische inleiding van Colenbrander heeft andere medewerkers aan het jaarboek niet geïnspireerd tot nadenken. De Top Tien van de afgelopen 25 jaar vertoont geen begrijpelijke samenhang, de oogst van het afgelopen jaar evenmin. De diversiteit is groot, maar moeten we dat beschouwen als rijkdom of verwarring? Moeten we lachen of huilen om het stadhuis in Nieuwegein? Maar men moet wel een hart van steen hebben om niet te zwichten voor de bravoure van het architectenhuis dat Hans van Heeswijk heeft gebouwd, niet alleen voor zichzelf maar ook voor de weduwe van Mart van Schijndel. Koen van Velsen realiseerde een bescheiden meesterwerk bij Paleis Het Loo, een hommage aan het klassieke modernisme.

Kritiek is moeilijk. De vakliteratuur moet een adequaat beeld geven van het Nederlandse bouwen. De gemakzucht van het jaarboek siert ons land echter niet. Op een geheimzinnige manier lijkt alles even goed, maar dat is juist niet het geval. De Kunsthal van Koolhaas is inmiddels een wereldberoemd gebouw, net als de Beurs van Berlage, maar aan een verklaring daarvoor wagen de auteurs zich niet. Ook de Universiteitsbibliotheek in Utrecht van Wiel Arets wordt geen recht gedaan, terwijl die architectuur eveneens van een andere orde is. Het moet toch de bedoeling zijn van architectuurkritiek om onderscheid te maken?

Vincent van Rossem
architectuurhistoricus

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Ontvang iedere week het laatste nieuws en informatie op het gebied van architectuur in uw mailbox.

Gerelateerd

Tags: , , , , , , ,

    Schrijf een reactie

    Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.