Jan Brouwer over het ontwerpen van stoelen

Design, Inspiratie, Vreemd gaan

Jan Brouwer over het ontwerpen van stoelen

Door: Redactie ArchitectuurNL | 15-02-2013

De variatie in stoelen is zo onvoorstelbaar groot, dat af en toe de vraag rijst of het nog wel nut heeft om nieuwe modellen te ontwikkelen. Die vraag is overigens ook gerechtvaardigd bij woningontwerpen. Architecten beginnen elke keer weer met enthousiasme aan een nieuwe opdracht voor weer een andere woning. Zo zal het ook gaan bij de stoelen. Vooral ook omdat de stoel een interessant cultureel verschijnsel is, met soms ook menselijke trekjes. Zo worden menselijke lichaamsdelen zoals rug, voet, poot en oor gebruikt om onderdelen van een stoel aan te duiden. De typologische benaming van de stoel is eveneens uitgebreid: eetkamerstoel, schoolstoel, terrasstoel, directiestoel, maar ook luie, lig-, bar-, klap- en schommelstoel. Soms is er zelfs sprake van ‘corrupte stoelen’. En deze opsomming is verre van compleet.

Berlage, Wright en Mackintosh

Van oudsher maken veel ontwerpers een stoel als een mentaal statement. Meestal vanuit het beeld, vanuit materiaal, vanuit methodiek of vanuit historisch perspectief. Soms ook vanuit een maatschappelijke metafoor. Toch zijn er de laatste decennia belangrijke wijzigingen te constateren. Vooral de invloed van de industrieel ontwerper laat zich gelden. Dat gaat meestal ten koste van de architect als ontwerper.
Tot midden van de vorige eeuw waren het vooral architecten die zich met het interieur bezighielden. De architectuuropdrachten waren vaak completer, niet slechts het gebouw maar ook het meubilair behoorde tot het aandachtsgebied van de architect. Je zag duidelijke conceptuele overeenkomsten tussen de architectuur en het meubel. Berlage was daarvan een duidelijk voorbeeld. Hij ontwierp zijn meubels alsof het gebouwen waren. Maar ook architecten zoals Frank Lloyd Wright en Charles Rennie Mackintosh werkten op deze wijze.

Industrie of ambacht

Voor de Tweede Wereldoorlog ontwierpen architecten zoals Mies van de Rohe, Marcel Breuer en Mart Stam stoelen die zelfstandig werden gerealiseerd. Ze waren niet gekoppeld aan architectuuropdrachten. Er was overigens wel degelijk een relatie met hun architectuuropvattingen. Je zag bij die ontwerpen een poging om de stoel als een industrieel product te beschouwen. Hoewel er nog niet echt sprake was van een fabrieksmatige productie, werden er andere werkplaatsen ingeschakeld dan die van de traditionele meubelmaker. Het hout werd vervangen door staal.

Thonet

De industrialisatie had zich overigens al eerder ingezet. De Gebroeders Thonet hadden reeds in 1855 stoelen uit gebogen hout geïntroduceerd. Door hout via een behandeling met stoom te bewerken ontstond er een eenvoudige methode om hout te buigen. De caféstoel Thonet nr. 14 werd in grote aantallen geproduceerd. Tussen 1860 en 1930 werden 50 miljoen stoelen van dit type op de markt gebracht. Sindsdien is de machinale benadering van de stoelenproductie steeds verder ontwikkeld.

Prouvé

Natuurlijk bleef ook de avant-garde stoelen ontwerpen als statements die niet de industriële productie haalden en waaraan ook geen opdrachtgever te pas kwam. In dit verband maak ik ook enige opmerkingen over Jean Prouvé, een bijzondere ontwerper die weliswaar als kunstsmid is begonnen maar zich later heeft ontwikkeld tot architect en ingenieur. De Franse architectenbond wilde hem overigens niet als lid inschrijven en als architect erkennen. Le Corbusier had grote bewondering voor hem en noemde hem een groot ‘bouwmeester’.

Prouvé was een groot voorstander van serieproductie. Hij richtte daarvoor in 1930 Les Ateliers Jean Prouvé op waar hij meubels in serie produceerde. Later heeft hij zich ook bezig gehouden met geprefabriceerde bouwdelen zoals gevels, maar ook met prefab woningen. Zijn stoelen zijn onlangs opnieuw in productie genomen en over de hele wereld verkrijgbaar.

Samenwerking BASF en Konstantin Grcic

Zoals eerder beweerd zijn er nog steeds avantgardisten en vrije jongens die hun energie stoppen in het ontwerp zonder een echte opdrachtgever. Ze ontwerpen vanuit hun eigen opvattingen stoelen als statements.

Daarnaast is er ook een tendens waarneembaar dat branchevreemde industrie zijn oog laat vallen op topontwerpers van stoelen. Zo heeft BASF de bekende ontwerper Konstantin Grcic gevraagd om een kunststof stoel te ontwikkelen. De autoproductie, een belangrijke afnemer van BASF, hapert enigszins en men zoekt daarom naar andere marktsegmenten. Daarbij is de stoel een interessant object omdat het hier vaak gaat om grote series. Mits uiteraard het ontwerp aanslaat bij het publiek.

Grcic bedacht voor BASF een stoel zonder poten maar gebaseerd op het ‘cantilever’- principe. Dit principe was door Verner Panton al eens succesvol gelanceerd, ook in kunststof. Het model is in eerste instantie in het atelier van de ontwerper ontwikkeld alvorens met de producent samen te werken over het productiemodel. De materiaaleigenschappen en de verwerkingstechniek zijn belangrijk voor het eindproduct. Dit is veelal een langdurig en duur proces. De kosten van een matrijs lopen al snel op tot € 100.000. Maar deze samenwerking heeft een interessante stoel opgeleverd. Het ‘cantilever’-principe is constructief niet eenvoudig, maar de vasthoudendheid van Grcic en de inventiviteit van BASF hebben een goed resultaat opgeleverd.

Clemens Weisshaar en Reed Kram met Audi

Een vergelijkbaar proces is de samenwerking tussen de ontwerpers Clemens Weisshaar en Reed Kram met het Audi Leichtbauzentrum. De beide ontwerpers geloven heilig in een procesgestuurde ontwerpmethode waarbij expertise van buitenaf kan worden verkregen. Op de meubelbeurs van Milaan in 2012 is een prototype voorgesteld. De naam van de stoel, R18 Ultra Chair Public Beta, verwijst naar de door Audi ontwikkelde techniek voor het R18 racemonster, dat zo’n succes had tijdens de 24 uurs race van Le Mans.

De stoel bestaat uit een kunststof zitting versterkt met carbon vezels, een sandwich met carbonvezels als rugleuning en een onderstel uit aluminium. Bij transport van de stoel kunnen de poten worden gedemonteerd zodat er een reductie van 80% in het transportvolume ontstaat. Met zijn kennis van lichte constructies heeft Audi elke overbodige gram materiaal uit de stoel gehaald. Het testmodel kon door het publiek in Milaan worden getest waarbij steeds de op de stoel uitgeoefende krachten in een database werden opgeslagen. Mede op deze basis is het definitieve model vervaardigd, gepresenteerd in december 2012 tijdens Design Miami. Het is de eerste keer dat de techniek die ontwikkeld is in de automotive industrie, wordt toegepast in het ontwerp van een stoel. Het belooft wat voor de toekomst als dergelijke hightech industrieën zich gaan interesseren voor de stoel.

Nieuwe lelijkheid

Dit soort processen is kennelijk noodzakelijk om massaproductie tot stand te brengen. De intensieve samenwerking tussen ontwerpers en industrie levert zeer interessante producten op. Maar het zou te betreuren zijn als de ontwerper, die geen directe relatie met een of andere industrie heeft, het hoofd laat hangen en geen statements meer afgeeft. Voorlopig is dat niet het geval. De stoel als icoon van de ontwerper is nog steeds populair. Menig glossy tijdschrift besteedt ruim aandacht aan de door industriële ontwerpers verzonnen stoelen.

Maar het is moeilijk een richting aan te geven bij deze vooral individuele ontwikkelingen. Als men al een nieuwe tendens zou willen vaststellen is het een tendens van de Nieuwe Lelijkheid, vooral zichtbaar bij de niet door de industrie geïnitieerde ontwerpen. Die ontwerpers die zonder opdracht en met veel creativiteit hun stoelen voorstellen, werken meestal vanuit hun eigen eenvoudig uitgeruste ateliers met eenvoudig te bewerken materialen en ambachtelijke methoden. Maar deze ontwerpen zijn van bijzonder belang voor toekomstige ontwikkelingen.

De industrie is veelal wat specifieker in hun programma dan de vrije ontwerper. Vanuit hun standpunt is de functionele omschrijving van de stoel belangrijk. Daarbij is de typologie van betekenis, aspecten zoals hoog, laag, liggen, werken en lezen zijn dan aan de orde. De functievraag en de vraag voor de typologie worden meestal door de meubelfabrikant opgesteld. Zij kennen de markt, hun eigen potentie en mogelijkheden en geven van daaruit een opdracht aan ontwerpers. Maar ook andere functionele eisen vanuit de maatschappelijke context zoals duurzaamheid spelen een rol in het moderne stoelontwerp. De maatschappelijke relevantie van de stoel blijft groot. De stoel is een onmisbaar element in huis, op het werk en in het openbare leven. Ik ben er dan ook van overtuigd dat de creativiteit van ontwerpers zal bijdragen aan nieuwe ontwikkelingen, nieuwe materialen en nieuwe methoden.

Dit artikel is verschenen als “De heilige stoel” in ArchitectuurNL 01 2013
Tekst: Jan Brouwer

Gerelateerd

Tags: , , , , , ,

    Schrijf een reactie

    Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.