Frits van Dongen: De kunst en techniek van verbinden

Interview

Frits van Dongen: De kunst en techniek van verbinden

Door: Peter de Winter | 15-06-2015

Frits van Dongen voelt niets voor wijze lessen aan de jonge generatie architecten. Liever kijkt hij naar wat ze beter, slimmer en anders doen dan hij. Hooguit wil hij ze iets bijbrengen over de basis van creativiteit. En dat is niets aannemen op basis van de standaard, maar buiten wat zich om ons heen voordoet, ook een andere werkelijkheid zoeken en ontdekken. Dat is waar het volgens hem om draait. Van Dongen is de elfde kandidaat in de interviewestafette. In de vorige editie werd hij uitgenodigd door Joep Mollink.

In de vorige editie wees Joep Mollink van MOPET architecten Frits van Dongen van Van Dongen-Koschuch Architects and Planners aan als zijn opvolger in de interviewestafette. Gevraagd naar wat hij van hem wil weten, stelt Mollink dat zoals Ton Schaap Amsterdamse stedenbouw naar Europa exporteerde, Frits van Dongen dat doet met architectuur naar onder andere Korea. Waar Mollink benieuwd naar is, is of Van Dongen de Nederlandse typologie introduceerde op de Koreaanse markt of dat hij het land helpt de eigen woning- en stedenbouw vanuit de Koreaanse typologie verder te ontwikkelen. Van Dongen zegt dat zijn opdracht in Korea min of meer op toeval berust. Een Koreaanse delegatie die Nederland bezocht om de Rotterdamse Markthal te bewonderen, zag toevallig een artist impression van een architectonisch ontwerp dat zijn bureau voor het gebied tussen de Markthal en de Laurenskerk maakte [eerste ontwerp voor gebouw Rotta Nova, red.]. Dat maakte kennelijk zo’n indruk op de delegatie dat contact werd gelegd en Van Dongen- Koschuch Architects and Planners nu ook in dit deel van de wereld actief zijn. Volgens Van Dongen kan hij in Korea aan de slag juist om de kracht van de Nederlandse woningtypologie.

Wat maakt die typologie dan zo bijzonder?

Dat heeft een lange voorgeschiedenis. We zijn het enige land op aarde dat in 1901 een woningwet kreeg waarin het om twee dingen ging. Speculatie door ontwikkelaars en bouwers tegengaan – dus bouwen vanuit sociale in plaats van commerciële motieven – en woningen hygiënisch krijgen. Achterliggend idee was de woonomstandigheden voor de massa verbeteren. Die uitgangspunten hebben we tot aan de Tweede Wereldoorlog in kleinschalige projecten in onder meer de jaren dertig wijken behoorlijk goed gestalte kunnen geven. Na de oorlog hebben we met de verworvenheden van de woningwet in het achterhoofd, woningbouw als productiemachine doorontwikkeld als antwoord op schrijnende woningnood. In die naoorlogse jaren zie je behalve eengezinswoningen ook flatgebouwen verschijnen en worden de woningplattegronden en het stedenbouwkundig ontwerp steeds verder gerationaliseerd. Wat die nieuwbouwwijken bijzonder maakt, is de sociale gedachte van waaruit ze ontworpen zijn. Je vindt er allerlei combinaties van gebouwtypen en buitenruimten met hofjes en speeltuintjes ofwel gebieden waar mensen elkaar konden ontmoeten en kinderen hun speelterreintjes hadden. Het galerijtype in al dan niet gesloten bouwblokken is daar ook uit voortgekomen. Zo is de galerij de eerste plek waar bewoners elkaar ontmoeten als ze uit hun ‘cel’ kwamen en dat idee van ontmoeting vind je terug in de verdere opzet van de wijk. De goedkoopte is pas later gekomen. Maar hoe armoedig in materiaalgebruik en detaillering die flats soms ook waren, het stedenbouwkundig plan en de plattegronden van de woningen borduurden voort op de sociale bevlogenheid die aan de woningwet ten grondslag lag. Die traditie zit diep verankerd in het DNA van Nederlandse architectuur en stedenbouw en dat wordt in landen als Korea blijkbaar herkend en gewaardeerd. In die zin exporteren we dus de Nederlandse typologie naar de Koreaanse woningmarkt.

Joep Mollink wil ook van u weten of studenten zich al tijdens hun studie moeten oriënteren op exporteren van hun kennis.

Als student ben je bezig zoveel mogelijk kennis te absorberen en dan lijkt het me buitengewoon ingewikkeld die kennis tegelijkertijd te exporteren. Maar je doelt op oriënteren. Wat ik op basis van eigen ervaring kan zeggen, is dat jonge mensen de ongekende mogelijkheden van architectuur aan het verkennen zijn. Niet geremd door welke kennis dan ook, ontwikkelen ze ideeën die niet per saldo maatschappelijk gebonden zijn, maar wel alles met het vak te maken hebben. Daar komt bij dat je, zeker vandaag de dag, als bouwkundige niet meer gebonden bent aan je eigen landje of cultuur. Door de digitalisering waar we middenin zitten, wordt het vak steeds grenzelozer. Als je dat vergelijkt met hoe wij vroeger onze plannen letterlijk in elkaar plakten. Tegenwoordig Google je de meest verrassende beelden bij elkaar en kan je zien hoe waar ook ter wereld architecten hun opdracht interpreteren. In dat opzicht is het een mondiaal vak geworden en zullen studenten er dus wel bij moeten stilstaan of de kennis die ze absorberen en de ideeën die ze ontwikkelen iets kunnen toevoegen aan de waarde van het vak.

Waarom wilde u als Rijksbouwmeester een visie ontwikkelen op de toekomstige Rijkswerkplek?

Daarvoor moet je het achterliggende verhaal kennen. Begin jaren negentig introduceerde Interpolis ‘het nieuwe werken’. Grondlegger en ontwikkelaar van de achterliggende ideeën was Erik Veldhoen. En dan wil de overheid in 2013 opeens de standaard werkplek introduceren. Verrassend vind je niet? Wat nou zo aardig is, is dat ze daarbij exact dezelfde uitgangspunten hanteerden die Veldhoen destijds introduceerde. De overheid vergat helaas rekening te houden met hoe de inzichten rond het nieuwe werken sinds de introductie evolueerden. Men negeerde dus twintig jaar voortschrijdend inzicht. Dat heb ik ter discussie gesteld en in samenspraak met directeuren van andere ministeries is toen besloten om een nieuwe, experimentele visie op de werkplek van de toekomst te ontwikkelen. We vroegen een aantal jonge bureaus hun visie op de toekomstige Rijkswerkplek te geven. RAAAF redeneerde als enige bureau niet vanuit de ‘zittend werk’- methodiek, maar vanuit hun analyse van de ontstaansgeschiedenis van de werkplek [zie ArchitectuurNL #01/15 ‘The end of Sitting’, red.].

En welk verhaal vertelt die geschiedenis?

Lang geleden werd uitsluitend staand gewerkt. Dat had alles te maken met het ambachtelijke karakter van het werk dat toen gedaan werd. Kantoorwerk was er nauwelijks. Dat veranderde in de loop van de tijd en nu zitten we de hele dag achter een bureau naar een beeldscherm te staren terwijl we weten dat dat ongezond is. Regelmatig bewegen of staand en zittend werk combineren, is wellicht een optie. Wat het concept van RAAAF zo interessant maakt, is dat ze de nieuwe werkplek niet op basis van het bestaande bureau en kantoor ontwikkelden – Veldhoen deed dat wel – maar kozen voor een totaal andere aanpak die uitgaat van verschillende werkposities en waar geen conventionele stoel, tafel of bureau meer in voorkomt. Een fascinerend uitgangspunt dat aanzet tot nadenken over de werkplek van morgen. En een visie ontwikkelen op de werkplek van de toekomst is nodig want de manier waarop we in de toekomst dagelijks aan de slag gaan, is gegarandeerd anders dan hoe we het nu doen.

Waarin verschilt uw generatie van die van Joep Mollink?

Daar heb ik met Joep toevallig een diepgaand gesprek over gehad en als ik puur voor mezelf spreek, verschillen we in niks. Toen ik begin jaren tachtig mijn bureau begon, zaten we ook middenin een economische crisis. Toch hadden we werk omdat we ons niet eenzijdig als architect profileerden. Kregen we een opdracht, dan waren we tegelijkertijd initiator, ontwerper, PR-agent, speelden we voor aannemer en maakten we met de gebrekkigheid die er was fantastische computermodellen. We gingen naar allerlei onderaannemers met onze ideeën over deuren, kozijnen, badkamers en hekwerken en wisten precies voor welke prijs ze gemaakt konden worden. Wat dát betreft is er niets nieuws onder de zon. Bureaus zoals MOPET zitten ook in de crisis, maar worden toch groot omdat ze veel meer doen dan wachten op die grote, luxe ontwerpopdracht om dan als ‘de mooie architect’ te gaan zitten schetsen. De jonge architecten die het vandaag de dag redden zijn én ondernemer én ontwerper én bouwer én PR-bureau. Het zijn interdisciplinaire verbinders, geen solisten. Je ziet dan ook overal creatieve samenwerkingsverbanden ontstaan. Het aardige is dat ik inmiddels op leeftijd ben en door mijn Rijksbouwmeesterschap een nieuw bureau moest beginnen. En ik doe het niet anders dan de jonge jongens nu: als verbinder multidisciplinair ondernemen.

Wie zit nog op net afgestudeerde architecten te wachten?

Ik denk iedereen. Een van de verworvenheden van de net afgestudeerde architecten is dat ze over een enorme creativiteit beschikken. Ik denk dat door alle tijden heen, en zeker ook nu, er een enorme behoefte bestaat aan dergelijke mensen. De ontwikkeling die nu gaande is in mijn vakgebied, richt zich niet eenzijdig op stedenbouw en architectuur, maar op alle randgebieden die aan het vak raken. De gemeenschap zit dus niet zozeer op architecten te wachten, maar op creatieve ontwerpers, waarbij ontwerpen de kunst en techniek van het verbinden is. Letterlijk alles is momenteel aan verandering onderhevig. Als dát het uitgangspunt is van een bepaalde groep, en dat kunnen architecten zijn, dan heeft de maatschappij ze nodig.

Wat wilt u de nieuwe generatie meegeven?

Ik wil het omdraaien: ‘Wat kan ik van hen leren?’ Ik geloof in education permanente en het is dus niet zo dat ik wel even zal zeggen waarom het draait in het vak. Zij zijn de creatieven van deze tijd. Het enige wat ik doe, is zorgvuldig bestuderen hoe zij tegen het vak aankijken en wat ze anders, beter en slimmer doen dan ik. Dus geen wijze lessen van Frits van Dongen. Hooguit kan ik ze iets bijbrengen over de basis van creativiteit. En dat is niets aannemen op basis van de standaard, maar zo creatief zijn dat je buiten wat zich voordoet ook een andere werkelijkheid ontdekt. Dat is waar het om draait. De zoektocht naar die andere werkelijkheid.

Tot slot. Wie van de jonge generatie wilt u dat ik ga interviewen en wat wilt u dat ik ga vragen?

Maarten van Tuijl van temp.architecture. Je doet me een groot plezier als je met hem het vak bespreekt op een manier die verbazingwekkend is voor mij. Dat ik er wat van kan leren. Education permanente zogezegd

Gerelateerd

Tags: , , , ,

    Schrijf een reactie