Ik zet de dingen niet naar mijn hand

Architect, Interview

Ik zet de dingen niet naar mijn hand

Door: Peter de Winter | 04-10-2014

Voor hem geen sterallures. Eerder zijn ernst, bescheidenheid en verbazing zijn uitgangspunt. Kijken, luisteren en aan de kant staan, dat is volgens architect Ard de Vries precies waar je mee bezig bent als je iets creëert. Zijn rol is niet dicteren hoe het er allemaal moet uitzien. Architectuur gaat over een stap terugdoen en over concentratie en discipline. De Vries is de vijfde kandidaat in de interviewestafette. In de vorige editie werd hij uitgenodigd door Piet Oudolf.

Voordat het interview begint en Ard de Vries vragen over de rol van architectuur, de essentie van het vak en de betekenis van schoonheid beantwoordt, leest hij ‘Dichter’ van Henk Ester voor. Het gedicht beschrijft een aantal eigenschappen van een dichter en De Vries vraagt zich hardop af of je dichter vervangen kan door architect. ‘Een dichter treedt niet op, zet de dingen niet naar zijn hand en verklaart niets. Hij kijkt, luistert, staat aan de kant, in de berm, midden op de weg, aan zee, op een berg of in het centrum van een stad. Hij luistert en kijkt, naar eksters die dansen na een exclusief ontbijt lachend langs het water. Het water stroomt, hoorbaar, door de oudste bocht van de stad’. Uit dit citaat kan je voorzichtig opmaken dat de architectuur-opvatting van De Vries er niet een is van een man die zijn vorm wil
aan opdrachtgevers opdringt. Voor hem geen sterallures. Eerder zijn ernst, bescheidenheid en verbazing zijn uitgangspunt. De dichter heeft het immers over kijken, luisteren en aan de kant staan.

‘Dit gedicht’, zegt De Vries, ‘beschrijft volgens mij waar je mee bezig bent als je iets creëert. Daar kan ik als architect nog wat van leren. Mijn rol is niet prominent aanwezig zijn en dicteren hoe het er allemaal moet uitzien. Als architect moet je een stap terugdoen en concentratie en discipline opbrengen als het om je vak gaat. Doen waarvoor je geschoold bent in plaats van proberen grote gebaren op te richten.’ Het luisteren en proberen te doorgronden wat de opdrachtgever voor ogen staat en dat vertalen in een vorm die bij die woondroom past, dat is de essentie van het vak in zijn optiek. ‘Je hebt de architect, het idee en de ruimte die je creëert. Wat je naar mijn smaak te vaak in interviews leest, is dat de architect als persoon centraal staat en nooit de weg naar zijn ideeën. Ik hoor zelden een architect zeggen dat hij een ruimte maakte van zo en zo hoog waar het licht van opzij prachtig invalt, het beton mooi glad is en dat dát perfect combineert met het onbewerkt eiken van de vloer. Het gaat bijna altijd over processen en computermodellen en nauwelijks over ideevorming. Gek, want het proces is slechts een middel om een doel te bereiken. Ook zie je dat er weinig over schoonheid in architectuur wordt gesproken, maar wel over hoe we de potjes geld onderling moeten verdelen. Architectuur zou meer naar zichzelf moeten teruggrijpen. We moeten het hebben over waartoe architecten dienen. Over de essentie van het vak.

Waar haal jij je ideeën vandaan?

Zo’n tien jaar geleden werkte ik op het bureau van Henning Larsen in Kopenhagen waar ik enorm veel leerde van de Deense modernistische architectuurtraditie. Henning Larsen was overigens een man waarbij ik dacht: zo wil ik later oud worden. Hij kwam ’s ochtends op kantoor, vaak met z’n vrouw, en liep dan bij iedereen langs voor een praatje. De gesprekken gingen altijd over wát je aan het maken was en waarom het eruit zag zoals het eruit zag en bijna nooit over hoe het gemaakt werd. De rust en wijsheid waarmee Larsen dat deed inspireerde iedereen. Daarnaast heb ik tijdens m’n studie voor de Rijksbouwmeester gewerkt. Eerst voor Jo Coenen, later voor Mels Crouwel. Op een gegeven moment vroeg Jo Coenen of ik bij hem wilde werken, er was in die tijd genoeg te doen. Ik kreeg van hem direct veel vertrouwen en heb er voornamelijk grote stedenbouwkundige projecten mogen doen.

Waarom kies je dan toch voor een eigen bureau?

Ik heb altijd gezegd dat ik voor m’n 35ste voor mezelf wilde werken. Daar was ik altijd heel stellig in. En als je dan nadenkt over ouder worden in het vak, dan krijg ik direct het beeld in m’n hoofd van Henning Larsen die langskwam, maar ook de lezing van het echtpaar Venturi in Delft. De inhoudelijke waardigheid waarmee ze over het vak en over elkaar spraken vond ik buitengewoon aantrekkelijk. Als ik dan af en toe andere mensen ouder zie worden in het vak, niet in hun eigen bureau, maar in loondienst, dan worden ze beoordeeld op hun specialisme. Dat is me te beperkt. In een eigen bureau kan ik me bezighouden met alle aspecten van het vak. Die veelzijdigheid spreekt me aan. Dat vind ik interessant. Daarvan blijf ik het gelukkigst. Daar komt bij dat ik inhoudelijk m’n eigen ideeën heb over hoe ik iets wil maken en dat is een andere route dan wanneer je voor iemand werkt. M’n grootste angst is namelijk gevangen te raken in de eenzijdigheid van een specialisme. Dat is de pest voor je onbevangenheid. Na bijna drie jaar als zelfstandige begint het inhoudelijk vorm te krijgen. Op een landgoed in Twente werk ik intensief samen met een  veelzijdige opdrachtgever die uitgesproken wensen heeft. Het gebouw dat ik er maak heeft een eigentijdse vorm gestoeld op de lokale traditie. Een boeiend project waarin ik mijn ideeën kwijt kan. Met Piet Oudolf werk ik aan een huis voor dementerenden in Monnickendam en af en toe werk ik aan stedenbouwkundige projecten voor Jo Coenen. Wat opdrachtgevers betreft, heb ik beslist geen reden tot klagen.

Wat zijn eigenlijk de USP’s van architect Ard de Vries?

Ik denk nooit in dergelijke termen omdat ik mezelf niet als product wil neerzetten. Denk maar aan het gedicht van Henk Ester waarmee we begonnen. Ik laat het graag aan andere over te formuleren waarin ik me onderscheidt van de rest. Als ik dan toch iets moet noemen? Ik ga naar de mensen toe en begin met luisteren naar hun verhalen en daar kan ik dan zomaar enthousiast over worden. Die verhalen probeer ik te matchen met de boeken die ik las en de gebouwen die ik ken. Op basis daarvan probeer ik samen met m’n opdrachtgever tot een gebouw te komen waarin hun ideeën letterlijk gestalte krijgen, maar steeds geredeneerd vanuit het gedicht. Ik zet de dingen dus niet naar m’n hand en ik verklaar niets. Ik luister en sta aan de kant. Ik zeg nooit dat je voor een leefbaar, duurzaam of futuristisch gebouw bij mij moet zijn. Als eerder gezegd wil
ik niet gevangen raken in eenzijdig specialisme. Waar het om gaat, is hoe ik voor een speciaal iemand op een bepaalde plek een oplossing kan bedenken die past bij zijn dagelijks levensritme. Dat gaat over uitzicht, licht, materiaalgebruik ofwel dingen die uit architectuur zelf voortkomen. Goede architectuur ‘ontvangt’ de mensen die haar gebruiken. De mensen moeten het ontwerp als vanzelfsprekend ervaren en er goed in kunnen
leven, waarbij de architectuur niet constant met ze in gesprek mag zijn of zich anderszins mag opdringen.

Ik geloof dat de taal van de architectuur niet gaat over een specifieke stijl. Elk gebouw zou toegesneden moeten
zijn op zijn specifieke gebruik, op zijn specifieke plek en voor een specifiek samenlevingsverband. Dat is in mijn ogen de essentie van het vak en die is lastig vorm te geven in de beeldcultuur waarin we leven.Architectuur is geen product. Net als poëzie en schilderkunst, wordt architectuur niet beter, sneller of mooier. Het verandert wel met de tijd waarin het ontstaat. Als architect bewijs ik me met de gebouwen die ik maak en daarop wil ik beoordeeld worden. Ik wil me niet laten vangen als beeld of merk. Ik ben geen heerlijk helder Heineken. Die opvatting over het vak mag je m’n USP noemen.

Je neemt behoorlijk elitaire standpunten in over het vak

Ik snap wat je bedoelt, en het kan te maken hebben met de opdrachtgevers waarvoor ik momenteel werk. Maar er moet ook brood op de plank komen. Ik haal m’n neus heus niet op voor eenvoudige opdrachten. Ik wil niet op het soort opdrachten beoordeeld worden, maar op de inhoud. Dat klinkt misschien elitair, maar is niet zo bedoeld.

Piet Oudolf wil graag weten waarom jouw generatie landschap zo belangrijk vindt.

We zijn bij Bouwkunde in Delft opgegroeid met het idee van context dat voortkomt uit het boek Delirious New York van Rem Koolhaas. Dat werk heeft een hele generatie architecten beïnvloed. Koolhaas haalde met dat boek de Amerikaanse traditie naar Europa. De Amerikaanse gridstad waarin telkens iets anders kon ontstaan terwijl wij in Europa steden met een geschiedenis bezitten. Een vergelijkbaar gevecht had inhoudelijk natuurlijk ook al plaatsgevonden tussen de wederopbouw architecten en Aldo van Eyck. Zelf omarm ik meer de Deense moderniteit waar de natuur een kernwaarde was. Het dogma van Koolhaas is al een tijd lang dominant, maar er ontstaat bij mijn generatie een aversie tegen contextloos ontwerpen. Juist nu zijn we ons steeds meer bewust van de historische context, de landschappelijke context, maar ook de persoonlijke context van de mensen die er in gaan wonen. Dat geeft steeds specifiekere ontwerpen. Ze kunnen alleen maar landen op de plek waar ze staan in het tijdsbeeld waarin ze ontstaan en ook het gebruik is heel specifiek voor de mensen die op dat moment op die plek in die tijd zijn. Het gaat dus en over landschap en over functionaliteit. Je kunt het zien als tegengeluid tegen iconen die alleen hun eigen kwaliteit verkondigen. Maar het komt ook voort uit liefde voor architectuur.

Is er nog toekomst voor het vak?

Ik ben helemaal niet zo negatief over de toekomst. Ik heb niets met het cynisme waarmee het vak nu vaak benaderd wordt. Er zijn mensen die ons een marginaal bestaan toedichten, maar daar geloof ik niet in. Onze rol verandert, maar de essentie blijft hetzelfde. Uiteraard komt de tijd van Berlage nooit terug zoals ook periode van buitensporige welvaart waarin alles kon, voorgoed voorbij is. Of dat erg is? Zeker niet. Gedwongen door
de tijd komen we tot bezinning en gaan we terug naar de oorsprong en daar vinden we de zin en betekenis van het vak. Mensen zullen namelijk altijd behoefte houden aan iemand die hun ruimte kan ontwerpen, een goede lichtval kan realiseren en de juiste materiaalkeuzes weet te maken. Daar ligt onze toegevoegde waarde. Maar wij zijn nauwelijks in staat gebleken de inrichting van ons land te bespreken in de media. Terwijl er nergens ter wereld een zo diepgewortelde traditie ligt in het ontwerpen van het land, de stad en gebouwen ruimten als in Nederland. Op de shortlist van de Libris literatuurprijs 2013 staan 6 boeken, 2 daarvan gaan over architectuur. Wanneer je vertelt dat je architect bent, vinden de meeste mensen dat interessant. Er is dus brede belangstelling. Toch zijn we in de publieke media, bijvoorbeeld in DWDD, zo goed als onzichtbaar. Dat is best gek.

Tot slot, wie van de oude generatie is de volgende interview kandidaat en wat moet ik hem vragen?

Hans Ruijssenaars heeft tijdens zijn studie een jaar lang drie halve dagen per week les gehad van Louis Kahn. Een leerling behoeft een meester, de meester stelt zichzelf en zijn ideeënleer kwetsbaar op voor zijn leerlingen. Hoe kwetsbaar was Louis Kahn in zijn ideeën als meester?

Tekst: Peter de Winter
Fotografie: Fred Libochant

Gerelateerd

Tags: , ,

    Schrijf een reactie