Interview Boudewien van den Berg

Interview

Interview Boudewien van den Berg

Door: Peter de Winter | 12-10-2016

Ze is breed georiënteerd: van nadenken over hoe architectuur ouder worden positief kan beïnvloeden tot aan decorontwerp voor modeshows van Prada en peinzen over ruimtelijk ontwerp en bedrijfsstrategieën. Die brede blik houdt haar scherp en fris en voorkomt dat ze multi-inzetbare trucjes ontwikkelt. Haar motto: Observe (re)Think and Create. Zij noemt zichzelf dan ook meer denker dan maker. Van den Berg is de eenentwintigste kandidaat in de interviewestafette. In de vorige editie werd zij uitgenodigd door Floris Alkemade.

Ontwerper Boudewien van den Berg houdt kantoor aan de Vijverhofstraat in Rotterdam. Zelf spreekt ze van pre-renovatieboogje, een ruimte onder het spoor dat ooit de Hofpleinlijn was, die niet is gerenoveerd. Ze heeft haar werkplaats op de ingebouwde verdieping en deelt de boog met Carlijn Kingma, die aan de TU Delft afstudeert op de gebouwde omgeving, en Annemarie van den Berg, social designer en grafisch
ontwerper. Floris Alkemade wees Boudewien van den Berg aan als kandidaat in de interviewestafette omdat zij zowel het decor heeft ontworpen van de modeshows van Prada, maar ook schitterende fotoreportages maakt die de leefomgeving van ouderen in Nederland minutieus in beeld brengen. Een wonderlijke combinatie, vindt de Rijksbouwmeester. Op zijn aangeven moet ons gesprek onder meer gaan over wat architectuur en vormgeving op het vlak van ouder worden kan betekenen.

Kunnen vormgeving en architectuur het proces van ouder worden positief beïnvloeden?

Ik ben ervan overtuigd dat de kwaliteit van architectuur invloed heeft op hoe mensen het proces van ouder worden ervaren. Ik denk dat Floris op die vraag gekomen is door het boek IN Beeld – ouderenzorg
instellingen in Nederland anno 2013, waarin beeld van mij gebruikt is uit een beeldonderzoek dat ik eerder gedaan heb naar de fysieke omgeving waarin mensen in Nederland nu oud worden. Door de politieke en sociaal-maatschappelijke veranderingen worden wonen en zorg steeds verder van elkaar gescheiden waardoor de nadruk steeds meer komt te liggen op ouderen zo lang mogelijk zelfstandig laten wonen. Het is dus belangrijk dat we de huidige, maar ook de nog te bouwen woonomgeving en de daarin opgenomen gebouwen op een goede manier aanpassen aan het maatschappelijke gegeven dat ouderen steeds langer zelfstandig moeten kunnen wonen. Het is dus de taak van ontwerpers een gebouw zodanig vorm te geven dat je er fijn woont als er nog niks aan de hand is, maar dat je er ook op een prettige manier kunt verblijven als je wat gaat mankeren en zorg en hulp nodig hebt. Helaas gaat dat aanpassen aan veranderende behoeftes momenteel nog maar mondjesmaat en dat is geen goede ontwikkeling.

Hoe radicaal moeten we dan ingrijpen?

Behoorlijk radicaal. We ontkomen er niet aan de focus compleet te verleggen. Het gaat namelijk niet om een zorgomgeving waarin gewoond kan worden, maar om een woonomgeving waarin je mensen kunt
verzorgen als dat nodig is. Die moet je per definitie anders ontwerpen omdat de ontwerpparameters anders zijn. Een zorgomgeving aanpassen aan woonwensen pakt anders uit dan een woonomgeving aanpassen aan zorgwensen. Denk daarbij aan zaken zoals de grootte van de kamers, maar ook aan het programma van het gebouw. Ik denk dat je bij een woongebouw dat geschikt is voor zorg veel meer waarde toekent aan het privédomein van de bewoner. Men woont niet in een ‘instituut’, maar gewoon in een huis waar het instituut af en toe binnenkomt als het nodig is. Dat klinkt heel banaal, maar het ene gebouw wordt vanuit een institutionele en het andere vanuit een thuisbenadering ontworpen. Het eindresultaat wordt hoe dan ook anders. Bovendien neemt het aantal ouderen dat er mee te maken heeft in een rap tempo toe. Er is dus haast geboden.

Welke inzichten heeft jouw beeldonderzoek naar de leefomgeving van ouderen opgeleverd?

Dat het niet over stijl gaat of over huiselijkheid als sausje erover, maar dat gebruiksgemak en een gevoel dat je ergens bij krijgt ten grondslag ligt aan een prettige leefomgeving. Zo is het bijvoorbeeld lastig om naar buiten te gaan als de stoeptegels scheef liggen. Maar ook simpele dingen als te hoge drempels of bewegwijzering die niet te lezen is, bepalen of ouderen hun leefomgeving als prettig of onprettig ervaren. Door een aangepaste omgeving kunnen mensen langer autonoom blijven en zelfstandig dingen ondernemen. En precies daar ligt de belangrijkste taak voor ontwerpers. Zij kunnen al hun creativiteit inzetten om de behoeftes van ouder wordende mensen te vertalen naar de gebouwde omgeving.

Wordt de ouder wordende mens jouw specialisatie?

Ik zal me daarmee bezig blijven houden, maar ik wil me breder oriënteren. De achterliggende methodiek wil ik ook op andere terreinen gaan toepassen. Wat die methodiek is? Voor mijn beeldonderzoek heb
ik de leefomgeving van oudere mensen in verzorg- en verpleeghuizen minutieus in kaart gebracht; van de parkeerplaats voor het huis, tot aan de badkamer, het uitzicht en de planten. Je kunt het een grondige
objectieve observatie noemen. Die observatie is geanalyseerd en geplaatst in een bepaald toekomstperspectief. Als je de huidige situatie en het idee over de toekomst over elkaar heen legt, ontdek je de verschillen, de aspecten die om verandering vragen en de aanpassingen die je moet maken om aan de toekomstige situatie te voldoen. Voor zover ik weet, is de leefomgeving van ouderen niet eerder zo nauwgezet in kaart gebracht. Jammer genoeg heb ik er nog niet veel concrete ontwerpopdrachten aan overgehouden.

Dat lijkt me geen ramp voor iemand die zichzelf meer denker dan maker noemt.

Toch zou ik graag betrokken willen worden bij ontwerpopdrachten. Bijvoorbeeld om het denkkader te bewaken of als adviseur. Ik zou de resultaten van het beeldonderzoek willen vertalen naar richtlijnen
waaraan een goed ontwerp zou moeten voldoen, zowel in functie als in gebruiksgemak en uitstraling. De uitgangspunten voor het ontwerp formuleren. Ik wil de handleiding zijn die geraadpleegd kan worden.
Je bent vrij breed georiënteerd, een bewuste keuze? Een bewuste keuze is het niet, maar het bevalt me goed. Het is een gevolg van het feit dat mijn manier van denken en benaderen nou eenmaal toepasbaar is op meerdere gebieden. Van elk gebied neem ik wat mee en dat komt altijd weer van pas. Het houdt me scherp en fris en voorkomt dat ik een soort multi-inzetbare methodes ontwikkel. Juist door de breedte moet ik me steeds opnieuw in een opdracht verdiepen en over de juiste aanpak nadenken.

Hoe kan iemand met een designachtergrond een bedrijfsstrategie ontwikkelen?

Ik ben in Eindhoven afgestudeerd met foto’s en textiel. Twee totaal verschillende dingen, maar voor mij heel logisch omdat er eenzelfde benadering en denkwijze aan te pas komen. Voordat ik naar de Design
Academy ging, heb ik sociale wetenschappen gestudeerd, maar die studie heb ik niet afgemaakt. Toch heeft die sociale achtergrond m’n werk altijd beïnvloed. Ik heb er een onderzoekende en analytische,
kritische houding door ontwikkeld. Gaandeweg heb ik een interesse ontwikkeld voor hoe een mens zijn fysieke en abstracte omgeving ervaart. Daar is empathie voor nodig. Met diezelfde bagage bekijk ik
bedrijven. Als objectieve buitenstaander kan ik juist een heel ander licht op de materie te laten schijnen. Mijn ervaring is dat als een bedrijf iemand zoals mij vraagt om naar de bedrijfsprocessen te kijken, de organisatie al openstaat voor verandering of een experiment. Er komt altijd een zekere mate van angst bij kijken omdat de uitkomst onzeker is. Veranderen en de weg daar naar toe is geen lineair proces. Wat ik doe om de organisatie niet al te zenuwachtig te maken, is elke stap in beeld brengen. Zo kan ik laten zien wat er al gedaan is, waar de knelpunten zitten en waarom we welke weg moeten inslaan. Ik hou ervan als dingen kloppen, maar de weg ernaar toe hoeft niet van te voren bepaald te zijn. Als je durft om open en creatief naar iets te kijken, is de kans groter dat er een verrassende oplossing uitkomt. Deze werkwijze past ook bij mijn motto: Observe (re)Think + Create. Ik begin met observeren dan volgt het overdenken en pas daarna ga ik concreet aan de slag.

Hoe raakte je verzeild bij zoiets vergankelijks als modeshows van Prada?

Ik kreeg na mijn afstuderen een baan bij AMO, onderdeel van OMA. AMO is een onderzoeks- en ontwerpstudio die architecturaal denken wil loslaten op domeinen buiten de architectuur. Ik kon er aan de slag op basis van mijn portfolio. Hoewel ik afkwam op het onderzoeksgedeelte, boden ze mij aan om te werken aan de modeshows van Prada. Dat leek me ook wel wat. Het is natuurlijk iets heel anders dan waar ik me nu mee bezighoud. Modeshows zijn per definitie vluchtig en bestemd voor een selectief gezelschap. Het is fashionweekend, het publiek zit er een kwartier en rent dan weer naar buiten. Dat is inderdaad vluchtig. Heel iets anders dan de bijdrage die ik wil leveren aan de discussie over hoe vormgeving en architectuur kunnen bijdragen aan de leefkwaliteit van ouder wordende mensen. Toch heb ik er met heel veel plezier aan gewerkt. Voor mij zat de uitdaging in de benadering van de shows. OMA doet ze al 15 jaar. In de archieven ontdekte ik dat de shows steeds in dezelfde rechthoekige ruimtes met een rij kolommen plaatsvindt. Wat me opviel, was dat er altijd iets ín de ruimtes gebouwd werd. Al 15 jaar zagen de bezoekers dus dezelfde ruimte. Ik wilde de perceptie van die ruimte anders maken. Door vanuit de muren elkaar overlappende diagonale vlakken te laten komen, werd de vorm van de ruimte totaal anders en kregen de kolommen een andere positie ten opzichte van de muur. Dit had ook consequenties voor de route die de modellen moesten lopen. Niet de gebruikelijke rechte lijn heen en weer, maar ze kwamen van boven en moesten de nieuwe vorm van de ruimte volgen. De weg werd
aangegeven door het licht uit een bijna 100 meter lange lichtbak die in de ruimte zweefde. Toen gold ook al mijn motto van observeren, perspectief en visie ontwikkelen en dan handelen.

Tot slot. Wie van de oudere generatie wil je dat ik ga interviewen en waarover moet ons gesprek gaan?

Otto Trienekens, oprichter van de Veldacademie in Rotterdam, een onderzoekswerkplaats en een kennisplatform voor wijkontwikkeling. Zij combineren kwantitatieve en kwalitatieve onderzoeken en betrekken daar stedelingen bij. Het perspectief van de gebruiker is belangrijk. Jullie gesprek moet gaan over de verhouding tussen de probleemeigenaren en de gebruikers en het belang van de schakel daartussen – de onderzoeker/ontwerper – om tot een goed ontwerp te komen.

Tekst: Peter de Winter
Fotografie: Martin Wengelaar
Dit artikel is gepubliceerd in ArchitectuurNL 5/2016

Gerelateerd

Tags: , ,

    Schrijf een reactie

    Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.