Interview Hein de Haan

Interview

Interview Hein de Haan

Door: Peter de Winter | 25-09-2015

Dat we nog steeds huizen bouwen gebaseerd op het christelijk kerngezin uit de jaren zestig vindt hij rampzalig. Een stad kan niet zonder een goede menging van wonen, werken en voorzieningen. Het liefst schrapt hij alle absurditeit uit de Nederlandse regelgeving. Hij vindt het schandalig dat we de crisisperiode niet hebben gebruikt om de bestaande voorraad te isoleren. Aan betrokkenheid geen gebrek bij Hein de Haan. Hij is de dertiende kandidaat in de interviewestafette en werd in de vorige editie gevraagd door temp.architecture.urbanism.

 

Vlak voordat de editie van ArchitectuurNL nummer 5 naar de drukker ging ontving de redactie het bericht dat Hein de Haan op 4 augustus op 72 jarige leeftijd onverwachts is overleden.

Onafhankelijk architect en stedenbouwer Hein de Haan wordt door Maarten van Tuijl en Tom Bergevoet van temp.architecture.urbanism uit Amsterdam gezien als één van de pioniers op het gebied van het Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO). Als jong architect raakte hij in de jaren tachtig bij de gefaseerde vernieuwing van de Amsterdamse Dapperbuurt rechtstreeks in gesprek met de buurtbewoners over hun woonwensen. Dat leverde verrassende inzichten op. ‘Traditionele Dapperbuurtbewoners wilden bijvoorbeeld aan de straat op de eerste verdieping of hoger wonen en moesten niets hebben van moderne onzin als tuingericht wonen.’ Hij voegt er in één adem aan toe dat een van de rampen in Nederland is dat niemand zich druk lijkt te maken om eigentijdse plattegronden. ‘We bouwen nog steeds huizen gebaseerd op het christelijk kerngezin uit de jaren zestig: vader, moeder en minstens twee kinderen. Die woningen worden op voorraad aangemaakt, terwijl het traditionele kerngezin in Amsterdam minder dan 20 procent van de bevolking uitmaakt. In Nieuw West is er zelfs leegstand onder koopwoningen omdat ze geen antwoord zijn op de maatschappelijke vraag van vandaag. En precies dát maakt CPO zo interessant. Ga eerst maar eens vragen wat de woonwensen zijn, en begin dan pas met bouwen. De maatschappelijke vraag is namelijk een dynamisch gegeven en dat lijken projectontwikkelaars en corporaties wel eens te vergeten.’ Steeds meer jonge mensen verdienen de kost als zzp’er. Dat gegeven vraagt om woningen met heel andere plattegronden. ‘Wie zelfstandig aan huis werkt, heeft bijvoorbeeld twee inschrijfadressen nodig: één voor de woning en één voor bedrijf of activiteit. Daar moet je bij de ontwikkeling van een woonwijk rekening mee willen houden.’

Maar wat is de kern CPO?

Dat je het samen met de bewoners doet. Dat kan enorme voordelen hebben op het gebied van werkgelegenheid en voorzieningen. Dankzij CPO beschikt het project Vrijburcht op IJburg waarin ik woon bijvoorbeeld over 16 bedrijven, een theater, een café-restaurant, een woongroep voor gehandicapten, kinderopvang, een werkplaats en een haven met een zeilschool voor kinderen uit de buurt. Dergelijke voorzieningen krijg je in je eentje nooit voor elkaar. En de bouwkosten liggen op de helft van de vrije kavels. Hoe dat kan? Door collectief en tegen kostprijs zelf te gaan ontwikkelen en bouwen.

Wat mankeert er aan doorsnee woonwijken?

Ze zijn veel te eenzijdig van opzet. Het gaat uitsluitend om wonen, terwijl het zou moeten gaan om wonen, werken en voorzieningen. Om tot een kwalitatief goede stad te komen, is een goede menging van wonen, werken en voorzieningen vandaag de dag absoluut noodzakelijk. Wie nog steeds denkt dat uit elk huis papa ’s ochtends de straat uit rijdt om naar z’n werk te gaan, heeft de tijdgeest niet begrepen. Wat steden moeten doen, is hun stedenbouwkundige programmering op de schop nemen. De tijd van gebieden die bestaan uit 100 procent werken, wonen of recreëren ligt definitief achter ons. Bestaande en nieuwe plannen moeten op zijn minst ruimte bieden aan een goede menging van functies.

Waartoe zijn woningcorporaties op aarde?

Om betaalbare woningen te bieden aan mensen met een smalle beurs, maar ook om partner te zijn in het maken van een dynamische, interessante stad die helemaal gestoeld is op kansen voor en ontwikkeling van haar bewoners. Dat gaat over veel meer dan betaalbare huisjes bouwen. Een corporatie moet vooral ook partner zijn die een interessante stedenbouwkundige ontwikkeling mogelijk maakt. En het grappige is dat in Nederland de bestuurders vooral hun best doen om met spraakmakende architectuur voor de dag te komen. Het belang van architectonisch ‘stadsbehang’ wordt enorm overtrokken terwijl het belang van goede programmering volstrekt onderschat wordt. Daarom maken we nog steeds de verkeerde nieuwbouwwijken. En het is nog veel erger, want binnen die nieuwbouw zijn we ook nog eens aan het ontmengen. Dan krijg je nieuwbouwwijken met aparte blokjes voor sociale huur, koopwoningen, studenten, senioren en starters.

Maar sociale huur en vrije sector opgelegd mengen, gaat toch wringen?

Klopt, maar dat heeft vooral te maken met de manier van ontwikkelen. Op IJburg verrijst een blokje sociale huur bestemd voor mensen die door de stedelijke ontwikkeling uit Nieuw West verdreven zijn. Die mensen worden gedropt op IJburg en dat werkt dus niet. Wat je moet doen, is die bewoners betrekken bij de ontwikkeling van ‘hun’ woonblok. Net zoals wij destijds in de Dapperbuurt deden. In die buurt werd niet in de lift gepist en in de Bijlmer wel.

Hoezo werd er in de lift niet gepist?

Omdat het ‘hun’ blokje was. Hoe we dat voor elkaar kregen? Door de bewoners te betrekken bij de ontwikkeling van het blok. Dat begint met vragen of de tekeningen die je maakt, voldoen aan hun verwachtingen. Uiteraard kan je als architect bij sociale woningbouw geen maatwerk per bewoner leveren, maar je kunt wel luisteren naar wat bewoners willen. De gesprekken die we voerden, leidden soms tot radicale planwijzigingen. Het bleek dat we een nogal studentikoos beeld van ouderen in een wijk hadden. De bewoners wilden helemaal niet in een gezellig zijstraatje op de begane grond wonen en spitten in een tuintje. De ouderen wilden het liefst in een brede straat wonen. Een brede straat heeft in hun optiek meer status en ze wonen bij voorkeur vanaf de eerste verdieping, met z’n allen rond de lift en met uitzicht op de markt, de tram of de trein. Zonder die gesprekken hadden we met de beste bedoelingen een totaal verkeerde woonwijk ontwikkeld. Uit die tijd stammen m’n opvattingen over CPO en het is vreemd dat we in Nederland dertig jaar later de huizen die we bouwen nog steeds baseren op het christelijk kerngezin uit de jaren zestig. Dergelijke ideeën zijn door de tijd ingehaald, maar het geestige is dat als je er in vakkringen over praat, de anderen met een opvatting over de vormgeving reageren.

Wat is daar dan mis mee?

Helemaal niets. Over het algemeen zien de wijkjes er best aardig uit. Het probleem is de programmering en het gekke is dat architecten voortdurend slechts worden afgerekend op hun vormgeving. Alsof architectuur uitsluitend gaat over stadsbehang produceren. Maar wie bepaalt de programmering? In Nederland lijkt het erop dat niemand er verantwoordelijk voor is en dat de programmatische invulling de uitkomst is van een reeks toevalligheden zonder vooropgezet plan. De laatste vijf jaar heb ík althans het woord stedenbouw in de praktijk niet meer horen noemen. Men spreekt over gebiedsontwikkeling, maar wie de regie heeft over de stedenbouwkundige programmering blijft onduidelijk. Wie gaat er over voorzieningen waarmee je mensen naar een wijk kunt lokken? Denk aan kleinschalige zwembaden verwarmd met zonne-energie, waar de badmeester of -juf als zzp’er per uur wordt afgerekend. Daar kunnen kinderen hun zwemdiploma halen. Bouwen we dergelijke voorzieningen? We komen niet eens op het idee, terwijl er duidelijk behoefte aan is.

Stef Blok belt of u zijn PA wilt worden. Wat is uw eerste advies?

De Nederlandse regelgeving in zijn geheel op de schop nemen en alle absurditeiten eruit gooien. Wat ik zoal absurd vindt? Dat je gestraft wordt als je dingen deelt. Dat is echt idioot. Voorzieningen delen is de eerste stap op de weg naar duurzaamheid. Twee AOW’ers die zich door dezelfde kachel laten verwarmen, besparen op energie en woonoppervlak. Dat moedigen we niet aan, maar straffen we af. Hetzelfde geldt voor uitkeringstrekkers. Studentenhuisvesting wordt alleen nog als hotelprogramma gerealiseerd, per persoon een toilet, douche en keukenblok. Er groeit een hele generatie op die nooit heeft geleerd om rekening te houden met een ander. Wat m’n eerste beleidsdaad als minister van Volkshuisvesting zou zijn? Ik zou op alle digitale stukken van het ministerie een computerprogramma loslaten dat het woordje wonen vervangt door wonen, werken en voorzieningen. Dat is de enige manier om tot echt radicaal betere programmering te komen. Ons categoraal produceren, leidt namelijk tot categoraal denken en praten. Nieuwbouw is huizen bouwen. Dat zit als beton tussen de oren gegoten en daar moeten we definitief vanaf. Net als van architecten die zich niet met programmering bezighouden. Natuurlijk is het belangrijk dat huizen er goed uitzien, dat is m’n vak, maar als je de organisatie, opzet en verantwoordelijkheid van het programma weghaalt uit het vak, word je ontwerper van stadsbehang. Een uitholling van het vak. Wát je bouwt, voor wie je bouwt en hoe je bouwt, hoort onderdeel te zijn van de opgave.

Bent u teleurgesteld over duurzaamheid in Nederland?

Het is treurig zoals we achterop lopen als het om duurzaamheid gaat. Van de 28 Europese landen staan we op een schamele 24ste plek als het gaat om duurzaam energie opwekken. We zijn al ingehaald door Litouwen. En het wordt alleen maar erger. Gas stoken om ruimtes te verwarmen, is binnenkort in heel Europa een milieudelict. Behalve bij ons. Terwijl de Groningers door het maaiveld zakken en Poetin ons bij de kloten heeft blijven wij onbekommerd het heelal verwarmen. Nederland heeft tijdens de crisis verzuimd de bestaande woningvoorraad te isoleren. Isoleren verdien je dubbel en dwars terug. Het had honderden faillissementen in de bouw gescheeld en architecten hadden slimme bouwfysische oplossingen kunnen bedenken omdat bestaande woningen isoleren hartstikke moeilijk is. Op dat vlak hadden we buitengewoon veel winst kunnen boeken, zowel in reductie van de energiebehoefte als in voortschrijdend inzicht in optimalisering van innovatieve installatietechniek en toepassing van alternatieve energiebronnen. Maar wat doet Nederland? Nederland doet niets. Waarschijnlijk ontbreekt het domweg aan organisatorisch talent om een dergelijke megaklus te klaren.

Tot slot. Wie van de jonge generatie ga ik interviewen en wat wil je dat ik ga vragen?

Thomas Rau. Niet de allerjongste, maar voor mij toch iemand van een andere generatie. Rau onderschrijft de maatschappelijke noodzaak van anders, duurzaam bouwen. Daar moeten jullie het maar eens over hebben, met name over zijn aanbevelingen hoe de samenleving daarop in te richten.

Hein de Haan (1943-2015) werkt na zijn studie Architectuur aan de TU Delft achtereenvolgens bij de gemeente Delft en Herman Hertzberger en richt in 1980 CASA Architecten op, het Coöperatief Architectenbureau voor de Stadsvernieuwing in Amsterdam. Hij ontwerpt en realiseert binnen CASA tot 2006 projecten, met name sociale woningbouw in de stadsvernieuwing en ontwikkeling van CPO projecten. De Haan is initiatiefnemer, architect en bewoner van Vrijburcht op IJburg Amsterdam. Hij is ruim vier decennia actief in het onderwijs, o.a. op de TU Delft. Sinds 2006 werkt hij vanuit zijn eigen bureau Hein de Haan A+S en is hij o.a. medeoprichter van Urban Resort, voorzitter van stichting Het Schip en bestuurslid bouwzaken Ruigoord, een kunstenaarskolonie ten noorden van Amsterdam.

Tekst: Peter de Winter
Fotografie: Martin Wengelaar

Dit artikel is gepubliceerd in ArchitectuurNL nummer 5 van 2015

Gerelateerd

Tags: , , , , ,

    Schrijf een reactie

    Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.