Interview Otto Trienekens

Interview

Interview Otto Trienekens

Door: Peter de Winter | 12-11-2016

Het is hem primair om mensen te doen en een gebouw is pas goed als het een ontmoetingsplek is waar je initiatieven kunt ontwikkelen die bijdragen aan de levendigheid van de stad. Hij is ook nauw betrokken bij de Veldacademie, een wijkgerichte onderzoekswerkplaats waar hij met studenten nauwgezet in kaart brengt wat er speelt onder bewoners om zo tot betere wijkontwikkeling te komen. Architect Otto Trienekens is de 22ste kandidaat in de interviewestafette. In de vorige editie werd hij uitgenodigd door
Boudewien van den Berg.

Architect Otto Trienekens (45) is een ondernemer die wordt gedreven door de innerlijke mbitie ‘gezonde’ steden te maken. Waar het hem om gaat, is hoe we met z’n allen de stedelijke leefomgeving zo kunnen inrichten dat er aantrekkelijke leefmilieus ontstaan die in ruimtelijk en sociaal opzicht matchen. Mensen kunnen er niet alleen (tot op hoge leeftijd) wonen en werken, maar ook recreëren en zich verder ontwikkelen. Hij is opgeleid aan de TU Delft en heeft als architect zo’n vijftien jaar gebouwd en in de uitvoering gewerkt. Meestal aan binnenstedelijke bouwopgaven. Geleidelijk kwam hij in de binnenstedelijke ontwikkeling terecht.Aanvankelijk in Amsterdam, later ook in Den Haag, Utrecht en Rotterdam. Een goed voorbeeld op dat vlak is het Louis Hartlooper Complex (LHC) in Utrecht; een binnenstedelijke herontwikkeling van een bestaand stukje van de Utrechtse binnenstad. Het LHC is ondergebracht in een voormalig politiebureau uit 1927 op de Tolsteegbrug in het Museumkwartier. Het complex is een rijksmonument in de stijl van de Amsterdamse School en ontworpen door de Utrechtse stadsarchitect J.I. Planjer. Hij ontwierp ook de naastgelegen brug met kademuur en de tramhalte. Trienekens opdracht was deze plek te transformeren in een Arthouse met vijf bioscoopzalen, kantoorruimte en plek voor exposities.

Wat zegt het LHC over jouw architectonische opvattingen?

Het laat zien dat het me primair om mensen te doen is. Een gebouw bestaat voor mij bij de gratie van leven en gebruik. Ik zie een gebouw als een ontmoetingsplek waar je initiatieven kunt ontwikkelen die
bijdragen aan de levendigheid van de stad. De opdracht in Utrecht was een Arthouse te ontwikkelen, waar niet alleen vanuit film gedacht mocht worden (cineast Jos Stelling was opdrachtgever, red.), maar vanuit arrangementen. De vraag was hoe je op die plek in de stad een ambiance kon creëren waar kijken en gezien worden, uitgaan, eten, drinken en gezelligheid vanzelfsprekend in elkaar zouden overlopen. Juist de complexiteit van het geheel maakte de opdracht interessant. Je had er te maken met een bestaande stedelijke context, stakeholders met elk hun eigen belangen en een monumentaal politiebureau plus brug met alle sentimenten en verhalen die daarbij horen. Die gelaagdheid fascineert me.

Waarom heb je de Veldacademie medeopgericht?

De Veldacademie werd negen jaar geleden opgericht op verzoek van de gemeente Rotterdam. Het gemeentebestuur wilde gebiedsgericht – dus vanuit een wijk – gaan werken en ontwikkelen en toen bleek dat er nauwelijks kennis voorhanden was over partijen ín de wijken. Het idee was dat als je die kennis zou bundelen, je tot betere wijkontwikkeling kon komen. Mijn opdracht was een wijkgericht kenniscentrum op poten te zetten in combinatie met onderwijsinstanties zodat we veel beter in kaart konden brengen wat er in een wijk speelt en waar de behoeftes lagen. Op basis van die gebundelde kennis wilde Rotterdam betere woonwijken gaan ontwikkelen.

De Veldacademie focust op sociaal-ruimtelijke ontwikkeling. Leg dat eens uit.

De Veldacademie werkt altijd vanuit het perspectief van bewoners en ondernemers in het gebied. Onze aanpak bestaat uit het organiseren van gesprekken tussen de verschillende partijen. We hebben methodieken ontwikkeld om de kennis die we opdoen uit de gesprekken met onze focusgroepen te selecteren en te visualiseren. Hiermee brengen we een cyclus op gang van kennisontwikkeling: we selecteren, visualiseren en gaan weer terug de wijk in om een verdiepingsslag te maken. Net zo lang tot we snappen wat er speelt en in welke richting je de oplossing moet zoeken.

Waarom moet je al die moeite doen?

Als je eerst een goed draagvlak organiseert in een woonwijk, dan zal de proceduretijd aanzienlijk afnemen. Dat betaalt zich dubbel en dwars terug. Zo’n draagvlak organiseer je het best als je bewoners, ondernemers en andere gebruikers in co-creatieve processen bij de gebiedsontwikkeling betrekt. En met co-creatie bedoel ik niet inspraak, maar aan de voorkant van het proces de vraag van iedereen inventariseren. Daarmee organiseer je niet allen draagvlak, het brengt ook oplossingen naar boven waar je zelf niet opkomt. Ik noem dat ‘verrassend logische inzichten’. Logisch is wat voor buurtbewoners
vanzelfsprekend is, verrassend gaat om dingen die je zelf zo snel niet zou bedenken. Buurtbewoners weten bijvoorbeeld vaak precies waar ze een buurtcentrum willen en welke functies je erin moet onderbrengen en ouderen geven aan dat ze best hun grote huis uitwillen als ze in de buurt maar een gelijkvloers appartement kunnen betrekken. Hoe je een wijk het beste kunt aanpakken, ontdek je in mijn optiek alleen als je intensieve gesprekken aangaat. Je moet dus veel ogen en oren in een wijk organiseren. Als je vertrouwt op de dialoog met bewoners, dan zal dat de kwaliteit van de wijkontwikkeling verrijken. Het wordt er economisch en exploitatietechnisch beter op als je de ideeën van de buurtbewoners meeneemt in je plannen.

Hoe organiseer je die ogen en oren in de wijk?

We werken met studenten die een fascinatie hebben voor de maatschappelijke opgave en mensen in het algemeen. Hun achtergrond is heel divers. We begonnen met architectuur- en stedenbouwstudenten, maar inmiddels werken we ook met studenten sociale geografie, economie, medicijnen en bedrijfskunde. Dat rijke palet aan studierichtingen was van meet af aan de opzet van de Veldacademie. We wilden hoe dan ook interdisciplinair werken. De vormgeving van het sociaal ruimtelijk domein is namelijk buitengewoon complex. Je hebt er naast woningbouw ook te maken met vraagstukken op het vlak van hygiëne, gezondheid, werkgelegenheid en sociale en economische problematiek. Wat er speelt in wijken gaat over zoveel kennisvelden en waarom zou je daar niet evenveel studierichtingen aan koppelen. De studenten zijn onze voelsprieten in de wijken. We laten ze per discipline observeren en gesprekken aanknopen. Zo krijgen we inzicht in netwerken en wijkstructuren en hoe die functioneren. Vanuit die kennis kunnen we snel sleutelfiguren in de wijk aanwijzen. Daardoor kan de voortgang van een wijkontwikkeling soepeler verlopen. Als architect kun je dergelijke complexe materie nooit alleen behappen.

Hoe zou je probleemwijk Molenbeek aanpakken?

Laat ik vooropstellen dat we geen wijken aanpakken. We leveren kennis, netwerken en sleutelfiguren waarop een probleemeigenaar zijn beleid kan afstemmen. Ik denk echter wel dat we met onze aanpak van toegevoegde waarde kunnen zijn in een wijk als Molenbeek. In dit type wijken – en nu generaliseer ik – wordt er nogal sectoraal ingegrepen. Dus bij overlast door jeugd, wordt Justitie en de dienst onderwijs erop afgestuurd en komt er een project om de boosdoeners op het rechte pad te krijgen. Bij sociaal-economische problematiek organiseert men een schuldhulpverleningsproject en is de buurt te somber, dan verschijnen er plantenbakken op de stoep. Er wordt veel te weinig vanuit een integraal perspectief gekeken. Als Veldacademie schaken we op alle velden tegelijk en proberen zo relaties te visualiseren. Door verbindingen tussen zaken als onderwijs, schuldhulpverlening, overlast, kwaliteit van woningen en gezondheid in kaart te brengen, kan je veel slimmer ontwikkelen. In wijken als Molenbeek is de problematiek dermate complex dat je er nooit uitkomt als je de zaak niet integraal aanpakt.

Als integraal aanpakken de oplossing is, waarom gebeurt het dan zo weinig?

Onze maatschappij is heel sterk op sectoren en specialismen ingericht. Als je naar diensten en overheden kijkt, dan organiseert iedereen zijn eigen beleidsveld en probeert van daaruit zijn eigen interventies te plegen. In onze maatschappelijke cultuur – en zeker in de beleidscultuur van de overheid – vind je nog heel weinig expertise om vanuit integraliteit te denken. We roepen het wel, maar we zijn er niet goed in. Dat heeft vooral te maken met de afstand die we hebben tot het werkveld. Ook wordt er veel teveel op de korte termijn beslist. Alles moet binnen vier jaar gebeuren en dat staat op gespannen voet met oplossingen bedenken die wel werken. Daar heb je een lange adem voor nodig.

Wat is je belangrijkste advies aan jonge architecten die in de stedelijke omgeving aan de slag willen?

Leer luisteren en observeren. Als je die eigenschap ontwikkelt, kan je de vraag veel beter interpreteren en vanuit die vraag een veel betere ruimtelijke ontwikkeling voorstellen. De architect die als designer elk willekeurig pand neerzet, gaat het niet redden in de toekomst. Of jongelui zich dat realiseren? Steeds meer. De aanstormende generatie is zich veel beter bewust van waar het in essentie om gaat.

Waaraan merk je dat?

Aan hun manier van communiceren. De jongere generatie legt veel meer nieuwsgierigheid aan de dag en staat stil bij de vragen als: ‘waar zit je mee en hoe kan ik je daarbij helpen’. Of dat met de tijdsgeest te maken heeft, weet ik niet. De gedrevenheid en nieuwsgierigheid, om er achter te komen wat de wijkbewoner als gebruiker van het stedelijk gebied nodig heeft, zijn enorm groot. Daar word ik blij van. Het voedt mijn motivatie om zelf ook ondernemend en nieuwsgierig te blijven.

Ooit spijt gehad dat je niet meer actief bent als bouwend architect?

Nee. Ik wil met mijn creativiteit ontwikkeling in gang zetten. Dan maakt het me niet eens zo heel veel uit of het om een gebouw gaat of om een wijkontwikkeling, een zorginnovatie of een onderzoekswerkplaats als de Veldacademie opzetten. Ik speel graag een rol in ondernemende, creatieve ontwikkelprocessen. Dat drijft me. Daar komt bij dat ik nooit echt afscheid genomen heb van bouwen. Ik ben er alleen op een andere manier mee bezig. Veel meer aan de voorkant, in de programmafase en zelfs als ontwikkelaar.
Dat geldt ook voor het gebouw waar we nu zitten. Dit was de voormalige busremise van de RET en stond al tien jaar leeg. We hebben met verschillende partijen onderzocht hoe we aan deze plek een nieuwe betekenis konden geven. Wat ons voor ogen staat, is er een ontmoetingsplek van maken gericht op talentontwikkeling om zo een koppeling tussen wijk en haven te organiseren. Mijn rol is niet die van de architect, maar van creatief denker die helpt het transformatieproces vorm te geven.

Tot slot. Wie van de jonge generatie moet ik gaan bezoeken en waar moet ons gesprek over gaan?

Annet van Otterloo is een van de drijvende krachten achter Stichting Freehouse, die werkt aan collectieve ontwikkeling van de publieke ruimte, met creatieve en culturele producties. De Afrikaanderwijk Coöperatie is een succesvol voorbeeld van deze wijkontwikkeling

Tekst: Peter de Winter
Fotografie: Martin Wengelaar
Dit artikel is gepubliceerd in ArchitectuurNL 6/2016

Gerelateerd

Tags: , ,

    Schrijf een reactie

    Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.