Niet meer de Malle Pietjes van het vak

Architect, Interview

Niet meer de Malle Pietjes van het vak

Door: Peter de Winter | 04-11-2012

In 2006 stelde 2012Architecten in een interview in dit blad nog in 2012 een andere koers te gaan varen als ‘hun’ werkmethodiek van structurele toepassing van hergebruikte materialen in dat jaar geen brede navolging in de bouw zou hebben. Nu, zes jaar later, blijken de opvattingen van het bureau door veranderende inzichten en de economische crisis zo zonderling nog niet. Tegen de verdrukking in verdubbelde 2012Architecten in omvang en blijft hergebruik van bestaande voorhanden materialen hun motto.

2012Architecten groeit ondanks crisis

De deadline voor een ander koers nadert, maar Jan Jongert van 2012Architecten kiest zeker geen andere richting. Volgens hem zijn begrippen als ketenintegratie, duurzaam inkopen en Cradle to Cradle sinds 2008 gemeengoed geworden. Tot die tijd begreep de omgeving niet goed waar 2012 mee bezig was en moesten ze voortdurend uitleggen dat ze niet de Malle Pietjes van de architectuur waren. Je kunt ook zeggen dat het afvalbewustzijn groeit of dat de context zich aan de ideeën van 2012 heeft aangepast. Hoe dan ook: van hergebruik kijkt niemand meer op.

 

Daarbij tekent Jan Jongert aan dat de naam van het bureau niet over de deadline van opvattingen ging, maar over het sloopjaar van 18 panden aan de Gerard Scholtestraat. In één van die panden begon Jongert samen met Césare Peeren 2012Architecten. Hun bureau is dus vernoemd naar de fysieke sloop van die panden. Wat dát betreft, nam de tijd ook een andere loop. De panden staan er nog steeds en zijn inmiddels getransformeerd tot plekken waar creatieve mensen kunnen wonen en werken.

Bestaande materialen toepassen, leverde zes jaar geleden geen financieel voordeel op. En nu?

Bij grotere projecten is dat al wel zo. Neem het Kringloopcentrum in Maastricht. Daar zijn we met de bouwvoorbereidingsfase bezig en daar zitten we op 70 procent van de traditionele bouwkosten, maar daar gaat het om 2.000 vierkante meter. Het echte probleem is dat schaduwkosten niet meegenomen worden. Dus alle kosten die we besparen door grondstoffen niet aan de aarde te onttrekken om er met veel energie nieuwe producten van te maken. We verwachten dat die kosten pas echt gaan meetellen als er een reëel tekort aan grondstoffen ontstaat. Pas als schaarste een onoverkomelijk probleem is, worden schaduwkosten een belangrijk ingrediënt in kostenopbouw. Zover is het nog niet, maar we zijn al wel in staat om voor dezelfde prijs, of goedkoper, projecten te realiseren waarin bestaande voorhanden materialen verwerkt zijn.

Maar moet kostenbesparing de motivatie wel zijn. Het gaat toch om een antwoord op schaarste?

Het is een van de zaken waar het om draait. Voor een corporatie is het nu nog niet haalbaar om op een traditionele manier, maar met toepassing van bestaande materialen, financieel voordeel te realiseren. Pas als je de geldstromen ook zo lokaal mogelijk houdt en zoveel mogelijk de mensen, die uiteindelijk de bewoners zijn, inzet in dat proces en samen een besparingsysteem opzet waardoor ook de bewoners er baat bij hebben, dan kan je een hoop kosten schrappen die je wel maakt door samen te werken met grote organisaties en hun winstpercentages. Lokale materiaalstromen bieden wat dat betreft goede kansen.

Ligt bij opdrachtgevers, die wel voelen voor bestaande materialen, het accent op kostenreductie of op maatschappelijk verantwoord ondernemen?

Het moet een combinatie zijn. Neem de aannemer die een aanbesteding doet om een compleet ingericht kantoor van veertien verdiepingen leeg op te leveren. Als wij met de inventaris iets kunnen ondernemen, dan bespaart die aannemer flink op kosten. In voorkomend geval is het onze taak de aannemer te vragen of hij zelf geen project heeft waar we die materialen kunnen inzetten. Of praktischer, kan die aannemer niet zelf tijdelijk het beheer van dat kantoor overnemen en wachten op een huurder die 80 procent van de spullen wil overnemen. Ook hier gaat het om voorstellen doen waardoor bestaande materialen een functie houden in de cyclus.

Moet de overheid niet bij wet regelen dat elk bouwproject uit 30 of 40 procent hergebruikt bouwmateriaal bestaat?

Liever niet. Beter is bij een aanbesteding prestatievragen stellen. Laten meewegen wie het beste voorstel doet over toepassing van bestaande materialen. Maar je moet er beslist niet dogmatisch mee omgaan. Dat slaat alle inventiviteit dood en leidt tot toepassing van standaard trucjes. Bij een opgelegd percentage loop je het risico dat partijen allerlei kunstgrepen gaan uithalen om maar aan het wettelijk percentage hergebruik te komen. Dat zie je bij de EPC. Daar stoppen partijen soms zoveel mogelijk techniek in een huis om maar aan de norm te voldoen. Vreemd. Zeker voor wie bedenkt dat de totale energiewaarde van al die technische spullen vaak hoger ligt dan de uiteindelijke besparing. Bij een aanbesteding moet je een project dus gunnen aan wie de beste prestatie aanbiedt op het vlak van hergebruikte bouwmaterialen. Als je als overheid daarop stuurt, dan stimuleer je creatieve denkprocessen meer dan wanneer je percentages dicteert.

Is werken met bestaande materialen inmiddels een aantrekkelijk businessmodel voor architecten?

Sinds 2006 zijn we door een langzame, gestage groei verdubbeld in omvang. We zijn nu met z’n veertienen en krijgen steeds grotere projecten in portefeuille. Wat dat betreft groeien we tegen de verdrukking in.

Is die groei rechtstreeks toe te schrijven aan jullie filosofie?

Ik denk van wel. Voor ons was van meet af aan duidelijk dat hergebruik ons uitgangspunt moest zijn. Gelukkig is het de afgelopen jaren geen hype geworden waardoor we ineens dertig man in dienst moesten nemen om ze weer op straat te zetten als de hype voorbij is. Groei gaat met de ontwikkeling van de middelen. Wat ik daarmee bedoel? Dat onze manier van werken steeds breder geaccepteerd raakt. We kunnen nu een aannemer bellen en dan begrijpt hij wat ons voor ogen staat. Althans, 20 procent kijkt er niet vreemd van op. En dat is winst. In 2006 moesten we iedereen nog uitleggen wat het nut van hergebruik was.

Worden jullie naar aanleiding van jullie hergebruikprojecten al spontaan gebeld door opdrachtgevers?

Dat we duurzame principes in een gebouw tot uitdrukking willen brengen, wordt inmiddels begrepen, maar we maken geen duurzame gebouwen die er uitzien als een Le Corbusier. We proberen niet te verhullen wat we doen, maar laten onze achterliggende manier van werken zien. Hoewel hergebruik onze gebouwen een bepaald cachet geeft, is het niet onze ambitie typische 2012’s neer te zetten. Misschien dat je over dertig jaar gebouwen van onze hand kunt herkennen. Dat is dan mooi meegenomen, maar beslist niet onze doelstelling. Zo breed mogelijke toepassing van bestaande voorhanden materialen. Daar gaat het om.

En villa Welpeloo in Enschede dan, dat is toch typisch 2012? Het gebouw is bijna volledig opgetrokken uit hergebruikte materialen en bekleed met verduurzaamde kabelhaspelkernhoutjes.

Je hebt gelijk als je zegt dat die villa met een beetje geluk kan uitgroeien tot een icoon van een tijdperk. Het ontwerp is echter in dialoog met de opdrachtgever ontstaan omdat hij een moderne stijl wilde combineren met hergebruik. Maar de vorm van die villa past niet per se bij ons bureau, daar is ons handschrift te divers voor. Onze ontwerpen worden mede beïnvloed door toepassing van bestaande materialen. Dat dwingt ons tot andere keuzes dan wanneer we eenzijdig uitgaan van nieuw.

Is er bij u al sprake van hergebruik moeheid?

Beslist niet. Hergebruik staat nog aan het begin van zijn ontwikkeling. Moeheid ontstaat als je dwingend aan allerlei eisen moet voldoen. Bij ons staat plezier in het ontdekken van nieuwe toepassingmogelijkheden centraal. Er zit altijd een verrassingselement in. Dat merk je ook aan superuse.org, het webplatform dat we opgezet hebben. Een heel simpel ding met wereldwijd zo’n 15.000 bezoekers per maand. Het is een heel levendig platform dat hoort tot de 50.000 best bezochte websites ter wereld zonder dat we er ooit reclame voor maken. De opmars is dus maar net begonnen.

Nog verrassingen in petto?

We hebben een maand geleden geld gekregen om Oogstkaart.nl te lanceren. Dat is binnen Nederland een database geladen met materialen die ontwerpers kunnen gebruiken. Als alles volgens plan loopt, is de lancering eind dit jaar.

Jan Jongert (1971) studeerde architectuur aan de TU Delft en de Academie van Bouwkunst in Rotterdam. In 1997 richtte hij samen met Césare Peeren en Jeroen Bergsma 2012Architecten op, nu later onder de naam Superuse Studios.

Tekst: Peter de Winter
Fotografie: Mirjam van der Hoek

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Ontvang iedere week het laatste nieuws en informatie op het gebied van architectuur in uw mailbox.

Gerelateerd

Tags: , , , , ,

    Schrijf een reactie

    Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.