Onmacht en twijfel horen bij het vak

Interview

Onmacht en twijfel horen bij het vak

Door: Peter de Winter | 23-10-2014

Vraag een dichter hoe zijn gedicht tot stand komt, en hij blijft het antwoord schuldig. De uiteindelijke beslissingen die hij neemt, komen voort uit de samenhang in hemzelf en zijn taalbegrip. Dat geldt ook voor architectuur. Durven twijfelen is essentieel. Als je niet tegen twijfel kunt, neem je te vroeg een beslissing en sluit je mogelijkheden uit om maar niet door de steeds grotere brij aan keuzemomenten heen te hoeven worstelen. Dit zegt Hans Ruijssenaars, zesde kandidaat uit de interviewestafette. In de vorige editie werd hij uitgenodigd door Ard de Vries.

Tijdens het vorige interview refereerde architect Ard de Vries eraan dat Hans Ruijssenaars in het studiejaar 1969-70 drie dagdelen per  week ontwerples kreeg van Louis Kahn. In ons onderwijssysteem, zei  De Vries, kwamen wij in aanraking met de ‘grotere’ architecten via een  lezing of bestuursfuncties. Een leerling behoeft een meester, de meester  stelt zichzelf en zijn ideeënleer kwetsbaar op voor zijn leerlingen. Hoe  kwetsbaar was Louis Kahn in zijn ideeën als meester, wil De Vries graag  weten.  Interessante vraag, vindt Ruijssenaars. ‘Voor alles was bij Kahn natuurlijk  de persoonlijke, bijna poëtische benadering van de architectuur op  zichzelf kwetsbaar. Het benaderen van de fundamentele waarden, de  steeds doorgaande zoektocht, de verwondering; zoiets kan niet anders  dan kwetsbaar zijn. Daarnaast liet Kahn mij inzien dat ook hij twijfelde.  Het gekke is, dat je daar niet bij stilstaat als je bij hem in zijn studio  bent. Kahn ging ons voor in de richting die hij gewend was in voor te  gaan en probeerde ons daarin te begeleiden terwijl hij wist dat er ook  nieuwe ontwikkelingen waren.

Gaandeweg ontdekte ik dat de twijfel  van Kahn onder meer lag op het vlak van één van zijn ‘zekerheden’,  de eeuwenlange Beaux-Arts-aanloop tot de moderne beweging. Kahn  was er diep van overtuigd dat room as the beginning of architecture  onaantastbaar was; room als ruimte die wordt gevormd door structuur.  Ikzelf was toen gefascineerd door de moderne gedachte waarbij die  ruimte (room) wordt opengebroken door mensen als Rietveld (roodblauwe  en zigzag stoel) en Duiker met zijn momentreducerende  overstekken, meer space dan room, meer ruimte doorsnijdend dan  omvattend. Aldo van Eyck, een van mijn afstudeermentoren, opende met  zijn in between de brug tussen de twee opvattingen.

In enkele gesprekken met Kahn over de kolomstelling onder een plat  dakvlak voerden we die discussie, waarbij Kahn maar heel voorzichtig  waardering had voor het overgangsgebied. Onlangs zag ik in een latere  publicatie over zijn werk dat hij in 1973 op zíjn manier het in between  ontdekt en space naast room een volwaardige positie krijgt.’

Wat fascineert u nog meer in architectuur?

Naast de ruimte in between ben ik gefascineerd door bijvoorbeeld  daglicht en zwaartekracht. En door onmacht. Daar hoor je bijna niemand  over. Er zijn meer dingen die je niet kunt, weet of je realiseert dan dingen  die je wel weet. Je blíjft studeren. Ik denk dat het essentieel is dat je de  beperkingen bewust onderkent en soms ook aanvaardt. De beperking  van tijd, van middelen, van kennis en misschien ook wel van talent.  Beperking en onmacht bepalen mede het beeld.

Durft u zich als leermeester kwetsbaar op te stellen?

Zeker. Ik heb jarenlang les gegeven aan de TU Eindhoven. Als studenten  naar mijn opvatting over architectuur vroegen, gaf ik ook aan dat ik  daar hevig over twijfelde en dat die twijfel deel van mijn palet is. Twijfel  hoort bij het vak omdat je het nooit zeker weet. Ook al spreek je met  een zeker gezag, en al helemaal als je hoogleraar bent, twijfel blijft een  fundamenteel aspect van de manier waarop je de werkelijkheid benadert.  In elk ontwerpproces ga je door een hel vanwege die twijfel. Je moet  voortdurend keuzes maken over zaken die je nog niet weet. Je kunt met je  ontwerp letterlijk alle kanten op en toch kies je op  een bepaald moment, moet je kiezen. Soms met je  verstand, maar ook met je hart en je buik, je intuïtie.  Hoe completer hoe beter. Het keuzetraject is te  complex om eenduidige beslissingen te nemen.

Vraag aan een dichter hoe een gedicht tot stand komt, en hij blijft je het antwoord schuldig. De uiteindelijke beslissingen die hij neemt, komen voort uit samenhang binnen hemzelf, zijn begrip van taal en wat hij wil overbrengen. Dat geldt ook voor architectuur. Durven twijfelen is essentieel. Daar had ik het vaak over met mijn studenten als ik het ontwerpproces met ze besprak. Als je niet tegen twijfel kunt, hield ik ze voor, dan neem je meestal te vroeg een beslissing en sluit je een deel van de mogelijkheden uit om maar niet door die steeds grotere brij aan mogelijkheden heen te hoeven worstelen. Ik ga in elk ontwerpproces in die onzekerheid zo ver als mijn verstand me toestaat te gaan en dat maakt me af en toe zelfs wanhopig. Twijfelen gaat over de kleinste details, maar ook over de grote lijn. Iedere keer weer ga ik in het ontwerpproces terug om voor mijzelf helder te krijgen wat echt belangrijk is en dan kom je uit bij waar het in de kern van het vak om draait, de fundamenten. Je kunt ze niet precies benoemen, maar je voelt dat sommige keuzes wel fundamenteel en richtinggevend zijn en andere niet. Al 40 jaar maak ik van elke stap in het ontwerpproces schetsen op A3’tjes. Als ik tijdens een ontwerp merk dat ik de verkeerde kant op ga, blader ik schets na schets terug door de tijd en kan ik vaak achterhalen waar de denkfout zit of waar ik te vroeg een besluit nam. Inderdaad, bladeren in het dagboek van een twijfelaar. Ik zou niet anders dan volgens die methode kunnen werken.

Vindt u zichzelf een goed architect?

Ik voel geen enkele aandrang mijzelf te kwalificeren ten opzichte van andere architecten, daar is het vak veel te divers voor. Er zijn altijd en bij elk project meerdere mogelijkheden en oplossingen, meerdere ‘waarheden’ ook. Na een lange en nog volop lopende beroepspraktijk treedt er natuurlijk gaandeweg wel een schifting op in voor mij belangrijke en minder belangrijke overwegingen. Als ik in het verleden cijfers moest geven aan studenten, gebruikte ik de mate van integratie en inspiratie die van hun ontwerp uitging en het plezier dat ze eraan beleefden als uitgangspunt. Een volstrekt subjectief, lek mengsel, dat realiseer ik me terdege. Naast het plezier waarmee ze hun plannen maakten, lette ik ook op karaktereigenschappen als zorgvuldigheid en vasthoudendheid. Dat zijn voor mij essentiële persoonlijkheidskenmerken van een architect. Ze zijn heel bepalend voor hoe een student zich later zal ontwikkelen in het vak.

Betreurt u het dat ambachtelijkheid steeds meer uit het vak verdwenen is?

Ja, maar elke volgende generatie volgt zijn eigen ontwikkeling op het gebied van ambacht. Dat geldt voor de technische ontwikkelingen die een enorme impact hadden op de generaties voor mij, maar ook voor computers, software en 3D-printers die nu hun invloed laten gelden. Wat precies de invloed van die printers zal zijn, kan ik onmogelijk inschatten, maar dat ze een enorme potentie hebben, staat vast en dat vind ik fascinerend. We zitten middenin een digitale revolutie. Als we straks ontwerpsoftware aan machines kunnen koppelen en betrouwbaar bouwmateriaal gaan produceren, dan is elke denkbare vorm mogelijk. Dat staat uiteraard los van de vraag of je elke vorm die je kunt maken ook moet willen maken en dan ben je weer aangeland op het terrein van die fundamentele discussies.

Want?

Als op het vlak van vormgeving the sky the limit is, dan moet je toch antwoord geven op de vraag wat je wel en niet wilt maken. De waaromvraag met betrekking tot de vorm die je kiest, gaat dan niet over ‘waarom niet’, maar over ‘waarom wel’. Het spreekwoordelijke en achteloze why not? is voor mij oninteressant en een miskenning van je talent. Met 3D-printing heb je als architect bijna onbegrensde mogelijkheden, maar ook dan blijft de essentiële vraag waarom je iets wél doet en iets anders niet. Toen Thonet en Gispen de techniek van hout en staal buigen ontdekten, bracht dat een revolutie teweeg in denken over ronde vormen. Dergelijke vondsten werden en worden gedaan en zullen hun invloed blijvend doen gelden. Maar los van welke productietechniek ook, je mag nooit uit het oog verliezen dat vorm voortkomt uit een complex mengsel waarin naast het materiële ook het immateriële een belangrijke rol speelt. De samenhang daartussen ontdekken en al je talenten inzetten om daaraan vorm te geven, daarmee hadden Kahn, Duiker en Rietveld te maken, daarmee heb ik te maken, en naar mijn overtuiging ook de volgende generaties architecten.

Zou u nu nog iemand adviseren architect te worden?

Zeker, het is een van de prachtigste beroepen, vorm geven aan andermans verlangen. De bouwsector raakt steeds verder gefragmenteerd en elk specialisme levert zijn bijdrage aan het gebouw als geheel. Op een gegeven moment zit je met twintig man om tafel, die van elkaar niet goed meer weten waarmee ze bezig zijn. Ik denk dat er een steeds grotere behoefte komt aan mensen die samenhang bestuderen en kunnen doorzien. Die generalist zijn en te midden van de fragmentatie de samenhang zien en niet alleen de instrumenten op papier kunnen rangschikken tot een compositie, maar ook de verschillende instrumenten kunnen dirigeren tot een symfonie. Als architect ben je dan componist en bij de uitvoering in zekere zin ook nog dirigent. Wie durft vandaag de dag, zonder zich te verschuilen achter een ander, die rol met de bijbehorende verantwoordelijkheden nog op zich te nemen? Dat doet bijna niemand meer. Ik denk dat er in de bouwsector mensen nodig zijn die keuzes durven en kunnen maken en voldoende bagage hebben om essentiële keuzes te kunnen verantwoorden. Naarmate je ouder wordt groeit dat vermogen, lijkt het wel. Er is dus beslist nog een mooie toekomst voor architecten weggelegd.

Nog een advies voor de komende generatie?

Blijf je zo breed mogelijk ontwikkelen, volg het nieuws en de ontwikkelingen, wees kritisch, denk na over wat je ziet, reflecteer voortdurend, blijf vragen stellen, pas op voor vooroordelen, stel je open en blijf twijfelen, onbevangen en verwonderd. Als je dat doet, is er geen mooier vak dan dat van architect. En angst dat de robots straks onze werkgelegenheid wegnemen is niet nodig. Robots kunnen alleen voorgeprogrammeerde antwoorden geven. Ze zijn per definitie ongeschikt voor verwondering en schieten per definitie tekort in samenhang tussen niet in elkaar uitdrukbare waarden en betekenissen.

Wie van de jonge generatie wilt u dat ik ga interviewen en wat wilt u van hem weten?

Op het gevaar af beticht te worden van nepotisme, zou ik mijn zoon Janjaap willen voorstellen, architect van de generatie die zich midden in de huidige economische crisis moet ontwikkelen. De vraag die mij interessant lijkt is hoe hij, met zijn ontwikkelingen en research in de 3D-printtechniek, in de toekomst de samenhang tussen materiële en immateriële waarden ziet: blijft er ruimte voor filosofie, poëzie en verwondering?

Tekst : Peter de Winter
Fotografie: Martin Wengelaar

Gerelateerd

Tags: , , ,

    Schrijf een reactie

    Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.