Pop-up architectuur volgens Afaina de Jong

Interview

Pop-up architectuur volgens Afaina de Jong

Door: Peter de Winter | 10-09-2017

Ze vindt het belangrijk dat haar studenten voeling ontwikkelen met het straatniveau, omdat ze te vaak vanuit hun computer ontwerpen. Waar het om gaat, is de plek doorgronden om zó te ontdekken wat een katalysator kan zijn voor gebiedsverandering. Verder wil ze stedelijke kernen rond het centrum ontwikkelen die zó interessant zijn, dat bewoners er ook na zes uur ’s avonds blijven hangen. Gebouwen oprichten die honderd jaar meegaan, lijkt haar steeds zinlozer.

Creativiteit is voor haar in het moment zijn. Als zij creatief bezig is, denkt ze aan niets anders dan waarmee ze bezig is, omdat ze in de flow is. Afaina de Jong (1977) werd in de vorige editie van ArchitectuurNL door Caroline Nevejan uitgenodigd als representant van de jonge generatie. Het gesprek moet op aangeven van Nevejan onder meer gaan over haar werk in Amsterdam-Zuidoost. In dit stadsdeel wonen meer dan 140 nationaliteiten die dikwijls plezierig met elkaar samenleven. Veel inwoners zijn gewend elkaar op straat te ontmoeten. In de zomer geeft dit een typische Zuidoost sfeer op straat. In de winkelgebieden leidt de aanwezigheid van groepen soms tot geluidsoverlast en zwerfvuil. Om overlast van de groep hangvolwassen van 40 jaar en ouder goed te leren begrijpen, kreeg Afaina de Jong van het stadsdeel de opdracht een omgevingsonderzoek te starten. Vraagstukken waarover zij zich boog, waren of en waarom deze hangouderen overlast veroorzaken en of er geen betere ontmoetingsplek voor volwassenen te verzinnen is. Voor een antwoord op deze en andere vragen bedacht De Jong een speciaal Billboard House, waar iedereen zijn mening over dit onderwerp mag geven. Het publiek kon er in gesprek gaan over hoe het de overlast ervaart, of waarom ouderen zich op bepaalde plekken in de openbare ruimte verzamelen. Wat ze in de gesprekken onder meer ontdekte, is dat bewoners behoefte hebben aan eigenaarschap. Als de ruimte waarin je je tijd doorbrengt, beter aansluit op de behoefte en identiteit van de mensen, dan is er meer eigenaarschap dan wanneer de gemeente maar wat neerzet. Zo werd een publieke discussie gevoerd over van wie de publieke ruimte nu eigenlijk is.

Gevraagd naar wat zij kenmerkend voor haar en haar generatiegenoten vindt, zegt ze dat toen zij rond 2002 aan het afstuderen waren, er heel veel werd gebouwd in Nederland. Er waren veel leuke en spannende bureaus zoals MVRDV en NL Architects, die vrij waren en geen enkel experiment schuwden. Architectuur was volgens haar toen avontuurlijk. Alles kon, overal was geld voor en je kon humor toepassen in architectuur. Haar generatie zag het vak als een startpunt voor creativiteit. Het vak was altijd al veel breder dan alleen maar gebouwen maken, en in haar ogen blijft dat zich uitbreiden. Bovendien kan je gebouwen gebruiken als een communicatiemiddel. In haar optiek is architectuur zo langzamerhand de humor van toen een beetje kwijtgeraakt, wat ze verklaart aan de hand van de crisis. In die roerige jaren ontstond een soort splitsing. Aan de ene kant waren er jonge architecten die zich heel praktisch opstelden. Ze wilden het liefst echt bouwen en als ik dan naar hun portfolio’s kijk, zie ik veel ‘grijze’ dozen die je in willekeurig welke nieuwbouwwijk aantreft. De verbeelding en spanning zijn in die ontwerpen ver te zoeken. Aan de andere kant zag je een generatie beginnende architecten die er in die jaren niet tussenkwamen en ander werk moesten verzinnen. Achteraf gezien had mijn generatie de wind mee, waardoor er ruimte was voor avontuur, een brede blik en dromen.

Op internet lees ik dat je door je fascinatie voor de hedendaagse stad architectuur ging studeren. Wat fascineerde je als 18-jarige zo aan de stad?

Ik ben in Amsterdam opgegroeid en zag mijzelf altijd als een stadsmeisje. Ik ging elke dag met de tram naar school en keek m’n ogen uit. Je had punk, hiphop en krakers. Dergelijke straatculturen waren spannend. Er was altijd wel wat aan de hand in de stad en ik probeerde er de betekenis van te doorgronden. Bovendien was mijn vader architect, waardoor ik al in een soort mind state terecht kwam. Hierdoor ontwikkelde ik een interesse voor de stad en zijn bewoners. Ik wilde begrijpen wat de codes van die straatculturen waren, wat hun effect op het dagelijkse leven in de stad was en of je ze kon vertalen naar een gebouwontwerp. Met die belangstelling in mijn achterhoofd kwam ik in Delft terecht. Of ik er last van heb gehad dat mijn vader architect was? Zeker niet. Ik vond het zelfs wel handig. Als ik er met detailleren niet uitkwam, dan maakte hij me wegwijs.

Je geeft les aan de TU Delft. Wat probeer jij je studenten bij te brengen?

Wat ik belangrijk vind, is dat studenten een soort voeling ontwikkelen met het straatniveau. Er wordt naar mijn smaak te vaak ontworpen vanuit de computer, waardoor je wel erg makkelijk kunt opgaan in de vorm en het perspectief. Je bent dan alleen met het gebouw bezig, terwijl het in mijn ogen minstens zo belangrijk is, dat je leert je te verplaatsen op het niveau van het maaiveld en de plek waar je wilt bouwen. Probeer die plek te doorgronden. Sta stil bij de vraag wat er aan de hand is op die plek en wat je met een ontwerp wilt bereiken. Dat gaat het beste als studenten leren zich te verplaatsen in de gebruiker van hun gebouw door naar zichzelf te leren kijken als waren ze die gebruiker. Wie dat doet, maakt ontwerpen met meer tactiliteit en verbinding met de realiteit van de omgeving. Als je dat niet doet, maak je op zijn best een mooi ding, maar daar heb je niet zoveel aan. Er zijn meer dan genoeg ‘mooie’ gebouwen die helaas vaak niet goed op hun omgeving inwerken. Maar let op: naar de plek gaan, er tweehonderd foto’s schieten en nooit meer terugkomen, werkt niet. Waar het om gaat, is dat je de plek echt leert doorgronden. Alleen dan kan je ontdekken wat een katalysator kan zijn voor positieve veranderingen op die plek.

Hoe zie jij de toekomst van het vak?

Ik dénk dat er altijd bouwmeesters blijven die mooie en belangrijke gebouwen maken, maar ik hóóp dat we in de nabije toekomst veel meer vanuit een ‘start-up’-mentaliteit gaan denken. Architecten moeten
zelf gaan verzinnen wat er op een bepaalde plek gaat gebeuren en dan zelf die plek gaan aanpakken. Nu laten we het initiatief over aan  projectontwikkelaars en dat is bepaald geen garantie voor goede gebouwen. Maar denk ook aan de slechte plekken in de stad. Waarom zou je afwachten tot de lokale overheid is doet? Eigen je zo’n plek toe en onderzoek hoe je met creatieve ingrepen kwaliteit aan de gebouwde omgeving kunt toevoegen. Dat geeft interessante situaties. Daar gaat het om. Daar ligt de toekomst van het vak. Verder hoop ik dat er onder architecten meer belangstelling komt voor een architectuur die een katalyserende werking kan hebben. Een soort pop-up of light architecture die er met een bepaald doel maar tijdelijk is. De wereld verandert steeds sneller en vanuit dat perspectief is het best gek dat we nog steeds gebouwen maken, waarvan we vinden dat ze minstens honderd jaar moeten meegaan. Door die steeds snellere veranderingen in de  samenleving weet je als architect bovendien nauwelijks op welke toekomstige eisen en wensen van gebruikers je moet inspelen in je
ontwerp. Gebouwen oprichten die honderd jaar of langer meegaan, lijkt dus steeds zinlozer.

Wat is het probleem van steden als Amsterdam?

Probleem van grote steden is, dat er ontzettend veel woningen bijkomen, maar dat iedereen uiteindelijk toch in het centrum wil zijn. En dan kan je wel kiezen voor compact stapelen tot ver voorbij de stadsrand, als je niet zorgt voor leefbare kernen in die nieuwe woongebieden, blijven de bewoners naar het centrum trekken, en daar is zo langzamerhand geen ruimte meer. Wat ík zou doen, is stedelijke kernen in de leefgebieden rond het centrum ontwikkelen, zodat die interessant worden voor de bewoners en ze er ook na zes uur ’s avonds blijven hangen. Maar dan moet je die buitenwijken nog veel meer verdichten en meer ontwikkelen dan een winkelcentrum voor de dagelijkse boodschappen. In een interview uit 2013 zeg je dat je grootste angst is een baan te hebben of voor een baas te werken.

Geldt dat nog steeds?

Welneeeeee. Toen ik afstudeerde, ging ik werken in Japan en bij AMO, de onderzoekstudio van OMA. Heel tof en inspirerend allemaal, maar op een gegeven moment wilde ik architectuur op míjn manier bedrijven. Dat ging uiteindelijk niet bij AMO, omdat je als je voor een baas werkt, toch met de ideeën van andere ontwerpers bezig bent. Daarom ben ik in 2005 mijn eigen ontwerpstudio AFARAI begonnen. Wat ik in dat interview bedoelde, is dat ik me na acht jaar zelfstandig werken en een breed scala aan verschillende opdrachten en opdrachtgevers niet meer kon voorstellen van negen tot vijf voor een baas te werken.

Je wilt met AFARAI de grenzen van de traditionele architectuurpraktijk doorbreken. Op welke traditie
doel je?

Begrijp me goed. Er is niets mis met de traditionele architectuurpraktijk. We hebben nou eenmaal flats, woningen, bibliotheken en treinstations nodig. Maar het is ook belangrijk dat er op een andere manier wordt gewerkt aan een soort agenda voor de stad. Er moet ook voorbij het traditionele gebouw worden gedacht, en er zijn binnen het vak gelukkig altijd denkers geweest die zich met zulke vraagstukken bezighielden. Of ik een denker of een doener ben? Ik denk allebei, vandaar dat ik aan het promoveren ben. Wat mijn promotieonderwerp is? Ik bestudeer de stedelijke publieke ruimtes zoals wij die kennen. Mijn theorie is dat die shared space een mechanisme had van waaruit we dingen samen deden. Het was een soort community die vandaag de dag niet meer bestaat. Wat ik beweer, is dat die gedeelde ruimte die we hadden, steeds tijdelijker wordt. Zo ontstond bijvoorbeeld de Occupybeweging, die protesteerde tegen sociale ongelijkheden. Ineens was er die shared space, waarin mensen samen iets deden, en even snel was die gedeelde ruimte weer weg. Dat hebben we nog niet goed door, en de vraag waar ik me mee bezighoud, is hoe we de tijdelijkheid van die ruimte zó kunnen vormgeven, dat het impact op de stad heeft. Ik wil dit idee toetsen in een buurt als de Bijlmer. In de klusflats in de wijk trekken mensen met wat meer geld. Dat geeft een disconnectie met de mensen die er al zitten en dat komt tot uitdrukking in de publieke ruimte die de mensen met elkaar delen. Op dergelijke processen wil ik grip krijgen, met als doel mijn bevindingen te kunnen omzetten naar ontwerpen die de kwaliteit van de stedelijke leefomgeving verbeteren. Het klinkt wat vaag, maar ik ben dan ook nog aan het promoveren.

Tot slot: wie van de oudere generatie wil je dat ik ga interviewen en waarover moet ons gesprek gaan?

Ik zit te denken aan Wouter Vanstiphout. Hij is hoogleraar aan de TU Delft, waar hij de leerstoel Design as politics bekleedt. Er is op de TU een soort feminist movement opgestaan en Wouter is één van de weinige hoogleraren die het belang van deze beweging voor de faculteit inziet. Waar ik benieuwd naar ben, is waarom hij die beweging belangrijk vindt.

Tekst: Peter de Winter
Fotografie: Martin Wengelaar

Dit artikel is gepubliceerd in ArchitectuurNL nummer 4 van 2017

Gerelateerd

Tags:

    Schrijf een reactie

    Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.