temp.architecture.urbanism: Sloop is de nieuwe ontwerpopgave

Architect, Interview

temp.architecture.urbanism: Sloop is de nieuwe ontwerpopgave

Door: Peter de Winter | 21-07-2015

Wat Maarten van Tuijl en Tom Bergevoet van  temp.architecture.urbanism uit Amsterdam bindt, is dat ze tijd centraal stellen in hun blik op de werkelijkheid en manier van ontwerpen. Denken in tijdelijkheid is voor hen trapsgewijs ontwikkelen en transformeren. Dat gaat per definitie over tijd. Dit spreekt voor beide heren vanzelf, maar ze ontdekten dat hun manier van werken in Nederland en Europa, helemaal niet vanzelfsprekend is. De beide heren zijn de twaalfde kandidaat in de interviewestafette. In de vorige editie werden ze uitgenodigd door Frits van Dongen.

In de publicatie ‘H-team & Nationaal Programma Herbestemming 2010 – 2014’ staat dat Rudy Stroink, net als Maarten van Tuijl lid van het H-team, de zin muntte: ‘De gebouwen van de toekomst staan er al.’ Maarten van Tuijl en Tom Bergevoet van temp.architecture.urbanism uit Amsterdam, vinden dat beslist geen uitspraak om depressief van te worden. Sterker nog: volgens beide architecten is een bestaand gebouw geschikt maken voor nieuw gebruik een creatieve uitdaging bij uitstek. Groter zelfs dan op een tabula rasa een nieuw gebouw maken. Domweg omdat je zaken met elkaar moet verenigen die onverenigbaar lijken. Ze hebben bewust niet voor een ver buitenlands avontuur gekozen, maar willen binnen de gegeven context van Europa een bijdrage leveren aan de transformatie van de bestaande voorraad. En saai is dat beslist niet. Architectuur die de dialoog aangaat met wat er al is, daar hoort een ander idioom bij. Nieuwe betekenis toevoegen aan wat er al is, dat is hun missie.

Maarten en Tom willen de grenzen van het vak zo breed mogelijk oprekken. Dat begint al met het pand waar ze sinds 2014 kantoor houden. Een leegstaand voormalig stadsdeelkantoor Amsterdam-West. Ze benaderden de eigenaar. Als rasechte ondernemers ontwikkelden ze een plan en wisten de eigenaar ervan te overtuigen het pand geschikt te maken voor kleinere huurders. Niet echt een hemelbestormend idee, maar voor de eigenaar was het een forse stap in omdenken. Ze vinden zichzelf vooral veelzijdig. Als bureau doen ze traditionele projecten, woningen van particulieren, het Reddingsmuseum in Den Helder, maar ook onderzoek. Daarnaast publiceren ze (hun boek de Flexibele Stad werd verkozen tot een van de beste architectuurboeken van 2013, red.) en nemen deel aan een Europees programma waarin ze bestuderen hoe tijdelijkheid een rol kan spelen bij transformatie. Wat al hun activiteiten bindt, is dat ze het fenomeen tijd centraal stellen in hun blik op de werkelijkheid en manier van ontwerpen. Denken in tijdelijkheid is voor hen trapsgewijs ontwikkelen.

Transformeren gaat toch per definitie over tijd?

TB: Dat is voor ons vanzelfsprekend, maar we ontdekten dat onze manier van werken in Nederland en zelfs in Europa, helemaal niet zo voor de hand liggend is. MvT: De meeste gebouwen zijn vreemd genoeg vanuit een soort gewoonte ontworpen voor de eeuwigheid. Statistisch gezien zijn ze helemaal niet bedoeld om te veranderen. Zelfs de wetgeving – ondanks recente aanpassingen – maakt het razend moeilijk om van iets bestaands iets anders te maken. En als je dan kijkt naar hoe ingewikkeld het is een bestemmingsplan te veranderen, dan moeten we als samenleving nog heel veel leren. Het is onze overtuiging dat tijd integreren in je ontwerpoplossingen, leidt tot een duurzamer wereld. Voor veel mensen die met ruimtelijke ontwikkeling bezig zijn, is een project klaar op het moment van oplevering. In werkelijkheid begint het leven van een gebouw of gebied dan pas. Dus hoe beter je anticipeert op tijd en aanpasbaarheid in een ontwikkelingstraject, hoe beter het resultaat. Dat zijn voor ons heel wezenlijke zaken om in de ontwerpfase al mee te nemen. En dan kan je redeneren dat dat logisch is, maar dat is beslist nog niet zo.

Hoe integreer je tijd in je ontwerpen?

TB: Wat je ontwerpt kan je indelen in verschillende snelheden. De grootste snelheid hebben projecten die per definitie tijdelijk zijn. Denk aan een tent of caravan. De meest trage gebouwen zijn monumentale gebouwen zoals kathedralen die door hun vorm en materiaalgebruik voor de eeuwigheid gebouwd zijn. Je kunt zeggen dat de gebouwen die we de afgelopen decennia bouwden, een nogal ongelukkige snelheid hebben. Ze hebben een levensduur van pakweg veertig jaar, de tijd waarin een woning wordt afgeschreven. Dat is te lang om één gebruiker te dienen, maar te kort om echt te investeren in duurzaamheid. Een stad de juiste betekenis, lading en identiteit geven lukt alleen als je tijd in het ontwerp integreert. Bij verschillende gebouwen horen verschillende snelheden.

Een grachtenpand – een zogenaamd traag gebouw – is veranderbaar: van woning naar advocatenkantoor, naar architectenbureau en weer naar woning. Bovendien staat zo’n pand in een organisch gegroeid stedelijk weefsel dat van nature bestaat uit meerdere snelheden die door elkaar heen lopen. Woonwijken met rijtjeshuizen missen die dynamiek. De snelheid van veertig jaar komt rechtstreeks uit de Excelsheets van ontwikkelaars en dat maakt de meeste uitbreidingswijken tot armoedige delen van een stad. Als je naar de verschillende snelheden kijkt als naar de toetsen van een piano, dan zou je ze bij de ontwikkeling van een gebied allemaal willen aanraken. Dan krijg een levendige muziek in plaats van een eentonige deun.

Wat moet je dan anders doen?

MvT: Woonwijken durven ontwikkelen voor minder dan veertig jaar en vanaf het begin voor verschillende snelheden door elkaar kiezen. Nu zijn er in Amsterdam veel studentenwoningen en hotels nodig – kijk naar de transformaties op dat vlak – maar dat is een piek van dit moment. Als je naar de demografische ontwikkelingen kijkt, gaat die behoefte beslist veranderen. Wat nu nodig is, kan over twintig jaar leegstaan en daarmee willen we de komende generaties niet opzadelen. Nieuwe bestemmingen zoeken voor wat er staat is sowieso duurzaam, maar goed nadenken over wat je eraan toevoegt en of je dat later bijvoorbeeld probleemloos kunt slopen doordat het uit herbruikbare componenten bestaat, is net zo goed een aspect van duurzaamheid. Ontwikkelen is niet alleen reageren op de huidige vraag, maar gebouwen, wijken en gebieden creëren die flexibel kunnen reageren op veranderende behoeftes van de samenleving. Pas als dat lukt, ben je echt duurzaam bezig. TB: Waar wij ook een pleidooi voor willen houden, is sloop. Dat is de nieuwe ontwerpopgave. Soms is er gewoon te veel ruimte in de vorm van gebouwen. Om de boel leefbaar te houden, moet je dat kapitaal vernietigen. Dat klinkt paradoxaal, maar zo is het denk ik wel. We moeten slimme oplossingen bedenken voor die opgave.

Wat is jullie eerste beleidsdaad als jullie het mogen bepalen in Den Haag?

MvT: Ons beleid gaat maximaal inzetten op het stapsgewijs ontwikkelen van leegstaande gebouwen. Daarbij denk ik op de eerste plaats aan het Rijk en de gemeentes als opdrachtgever. Het Rijk heeft een enorm vastgoedbezit dat in de komende jaren wordt afgestoten. Vooralsnog gaat dat bezit naar de hoogste bieder, terwijl datzelfde Rijk steeds minder geld heeft om te investeren in maatschappelijke voorzieningen. Het is dus niet meer dan rechtvaardig als je die gebouwen voor minder geld wegzet bij initiatiefnemers die een maatschappelijk relevante functie aan een gebouw willen geven. Ons beleid gaat dus niet over financieel gewin op korte termijn. Wij gaan criteria opstellen en mogelijkheden creëren die voorrang geven aan transformatie-ideeën die het beste aansluiten op de behoeftes van mensen en een locatie. Dan stimuleer je als overheid waardecreatie en creëer je maatschappelijk rendement. Dat is op termijn veel lucratiever voor de schatkist dan het geld van de hoogste bieder.

En wat doen we met de overtollige gebouwen?

TB: Op de eerste plaats een sloopfonds in het leven roepen. De sloopopgave is namelijk enorm en de overheid kan daar een voortrekkersrol in nemen. Overigens kan je beter geen sloopkaart van Nederland maken. Nu bepalen welke gebieden en gebouwen over vijftig jaar geen waarde meer hebben, is zinloos. De kans dat je mis zit is groot. Wij doen ontzettend ons best door te zoeken naar instrumenten en manieren om ruimte op allerlei schaalniveaus flexibeler te maken. Dat geldt voor de bestaande situatie, maar zeker ook voor nieuwbouw. En we zullen wel moeten. Wat je namelijk ziet, is dat de ruimtebehoefte op veel plekken steeds wispelturiger en moeilijker te voorspellen wordt. We moeten dus toe naar een bouwcultuur die beter met onvoorspelbaarheid kan omgaan. MvT: Daarvoor moet je ook snel kunnen schakelen. We zijn een klein, flexibel bureau met een goed netwerk voor creatieve input. En juist dat maakt dat we soepel kunnen inspelen op de transitieopgave in de stad. Beter althans dan grote partijen. We kunnen ook relatief makkelijk buiten de geijkte paden van architectuur treden.

Maar dat hoort voor architecten toch vanzelfsprekend te zijn?

TB: Overal in het land staan kantoorwijken leeg omdat gespeculeerd werd op een groeiende behoefte aan kantoorruimtes. In dat spoor zaten zowat alle beleggingsfondsen om hun rendement te halen. Er werd dus gebouwd voor een behoefte die niet bestond en daar is het land zowat aan failliet gegaan. Daarom is onze generatie zo overtuigd geraakt van maatwerk en luisteren naar de behoefte van gebruikers. MvT: Wat ik van jonge collega’s hoor, is dat we echt tot een andere generatie behoren dan de star architects die grote opdrachten deden ten koste van de gebruiker. Ze wilden een fantastisch kunstwerk neerzetten waarvan het gebruik niet altijd voorop stond. Of wij geen sterallures hebben? Best wel, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het bijna niet meer kan. Bij grote aanbestedingen zijn jonge bureaus bij voorbaat kansloos. En het heeft ook met persoonlijkheid te maken. De een is wat meer dienend, de ander wat meer op de voorgrond. TB: Maar we zijn wel degelijk artiesten. We proberen oorspronkelijke gebouwen te ontwerpen, alleen vergeten we niet de behoeftes van de gebruiker – of van de plek – als uitgangspunt te nemen voor een werkplek of woning. We luisteren dus goed en vertalen dat in een mooi ontwerp. We laten ons in onze artistieke uitingen dus inspireren door de wensen van gebruikers. Dat geeft, denk ik, onze generatie de meeste voldoening.

Tot slot. Wie van de oude generatie ga ik interviewen en wat willen jullie dat ik ga vragen?

MvT: Hein de Haan, pionier waar het gaat om collectief particulier ontwikkelen. Hij heeft heel veel betekend voor de sociale woningbouw. Wat Maarten van Tuijl en Tom Bergevoet van temp.architecture.urbanism uit Amsterdam bindt, is dat ze tijd centraal stellen in hun blik op de werkelijkheid en manier van ontwerpen. Denken in tijdelijkheid is voor hen trapsgewijs ontwikkelen en transformeren. Dat gaat per definitie over tijd. Dit spreekt voor beide heren vanzelf, maar ze ontdekten dat hun manier van werken in Nederland en Europa, helemaal niet vanzelfsprekend is. De beide heren zijn de twaalfde kandidaat in de interviewestafette. In de vorige editie werden ze uitgenodigd door Frits van Dongen. hun erfgoed en gedachtegoed hebben verkwanseld.

Maar dat hoort voor architecten toch vanzelfsprekend te zijn?

TB: Overal in het land staan kantoorwijken leeg omdat gespeculeerd werd op een groeiende behoefte aan kantoorruimtes. In dat spoor zaten zowat alle beleggingsfondsen om hun rendement te halen. Er werd dus gebouwd voor een behoefte die niet bestond en daar is het land zowat aan failliet gegaan. Daarom is onze generatie zo overtuigd geraakt van maatwerk en luisteren naar de behoefte van gebruikers. MvT: Wat ik van jonge collega’s hoor, is dat we echt tot een andere generatie behoren dan de star architects die grote opdrachten deden ten koste van de gebruiker. Ze wilden een fantastisch kunstwerk neerzetten waarvan het gebruik niet altijd voorop stond. Of wij geen sterallures hebben? Best wel, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het bijna niet meer kan. Bij grote aanbestedingen zijn jonge bureaus bij voorbaat kansloos. En het heeft ook met persoonlijkheid te maken. De een is wat meer dienend, de ander wat meer op de voorgrond. TB: Maar we zijn wel degelijk artiesten. We proberen oorspronkelijke gebouwen te ontwerpen, alleen vergeten we niet de behoeftes van de gebruiker – of van de plek – als uitgangspunt te nemen voor een werkplek of woning. We luisteren dus goed en vertalen dat in een mooi ontwerp. We laten ons in onze artistieke uitingen dus inspireren door de wensen van gebruikers. Dat geeft, denk ik, onze generatie de meeste voldoening.

Tot slot. Wie van de oude generatie ga ik interviewen en wat willen jullie dat ik ga vragen?

MvT: Hein de Haan, pionier waar het gaat om collectief particulier ontwikkelen. Hij heeft heel veel betekend voor de sociale woningbouw.  Ga met hem maar het gesprek aan over hoe woningbouwverenigingen hun erfgoed en gedachtegoed hebben verkwanseld.

Temp.architecture.urbanism is een bureau voor architectuur, stedenbouw en onderzoek, opgericht in 2011 door Maarten van Tuijl (l) en Tom Bergevoet (r). De naam van het bureau verwijst naar het begrip tijd, een cruciale factor in hun werk. Maarten van Tuijl (1972) werkte na zijn studie Advanced Architectural Design op de Columbia University in New York onder andere bij Rafael Vinoly en UN Studio, en richtte in 2002 het multidisciplinaire ontwerpbureau na-ma architecture op. Na zijn studie Architectuur op de TU Delft werkte Tom Bergevoet (1972) een tijd in Japan onder andere voor SANAA, OMA, Koen van Velsen en Herman Hertzberger. In 2003 startte hij zijn eigen bureau Tom Bergevoet Architecture. Naast hun eigen bureaus zijn Maarten en Tom partners in temp. architecture.urbanism. Beide zijn ook actief als publicist, onderzoeker en docent.is. Bergevoet en Van Tuijl zijn de twaalfde kandidaat in de interviewestafette.

Tekst: Peter de Winter
Fotografie: Martin Wengelaar
Dit interview is geplaats in ArchitectuurNL nummer 4 van 2015

Gerelateerd

Tags: , , , ,

    Schrijf een reactie