Kansen voor de kopgevel

Kennis, Producten

Kansen voor de kopgevel

Door: Kirsten Hannema | 17-12-2015

Het recent verschenen boekje Koppen, waarin architecten Marjolein van Eig en Lidwine Spoormans de ontwikkeling van de kopgevel in de woningbouw in beeld brengen, begon vanuit hun persoonlijke fascinatie voor dit alledaagse fenomeen. Maar het is ook een pleidooi om meer werk te maken van wat geldt als een sluitpost in de architectuur.

 

Je gaat het pas zien als je het door hebt. Dit Cruijffianisme geldt zeker voor de kopgevel. Wie Koppen eenmaal gelezen heeft, kan niet meer over straat zonder gebouwen met ‘gezichten’ te zien. Tegelijk realiseer je je door het boekje dat je er anders eigenlijk nooit er op lette. Des te meer reden om er een publicatie aan te wijden, want onbekend en ondergewaardeerd als hij is, neemt de kopgevel een belangrijke plek in. ‘Er komt veel samen op deze hoekpunten, stedenbouwkundig zijn het belangrijke plekken’, legt Marjolein van Eig uit. ‘En er wordt vaak letterlijk van alles verzameld: afvalbakken, elektrakastjes, straatnaambordjes, parkeren, lantaarnpalen. Juist daarom is het jammer dat ontwerpers niet altijd genoeg aandacht besteden aan het ontwerp.’ ‘Ik werk veel aan transformatieprojecten in wederopbouwwijken waar galerijflats staan’, vertelt Lidwine Spoormans over het ontstaan van haar interesse in het fenomeen. ‘De koppen van die flats zijn enorm in oppervlak, en altijd blind. Terwijl: het zou toch leuk zijn om vanuit de badkamer een raam met een enorm uitzicht te hebben?’ Van Eig is vooral fan van jaren vijftig kopgevels, die ze ‘schattig’ noemt. ‘Het beeld van zo’n archetypisch huisje met een bloemkozijn precies op de goede plek, dat vind ik mooi.’

Exactitudes

De ‘freestyle’ publicatiereeks die de Bond van Nederlandse Architecten uitgeeft, bood de mogelijkheid om hun persoonlijke fascinatie te onderzoeken en met anderen te delen. Hiervoor fotografeerden de architecten honderden kopgevels in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. In het boekje zijn deze per periode en stad gedocumenteerd, zoals in de Exactitudes-serie van fotograaf Ari Versluis en styliste Ellie Uyttenbroek. Zo zie je de overeenkomsten, maar juist ook de verschillen. Opvallend is bijvoorbeeld dat de jaren dertig kopgevel in Den Haag heel rijk is vormgegeven, terwijl in Rotterdam in die tijd al veel zakelijker, ‘kaler’ werd gebouwd. Tegelijk geven de fotoseries en de tekeningen die de architecten van de verschillende typen kopgevels maakten, een beeld van de evolutie gedurende de afgelopen eeuw. Wat Van Eig en Spoormans hopen, is dat het boekje architecten motiveert om meer met de kopgevel te doen dan nu gedaan wordt. Wat de vraag oproept waarom hij doorgaans verwaarloosd wordt. ‘Voor het grootste deel komt dat vanuit opdrachtgever en de kostengedreven manier waarop hij werkt. Kopgevels worden allereerst als een kostenpost gezien; hoe langer de rij woningen, hoe beter. Om dezelfde reden zijn kopgevels vaak blind; een raam kost 350 euro/m2 extra. Bovendien gaat via een gesloten gevel minder warmte verloren.’ Kortom, de kopgevel is een sluitpost; de Engelse benaming end wall is wat dat betreft passender. Stedenbouwkundig is dat jammer, vindt Van Eig. ‘Met een markante kopgevel kun je een hoek, een zichtas of de entree naar de wijk markeren. Een raam op de kop betekent meer ogen op straat, wat het gevoel van sociale veiligheid vergroot. Tegelijk zagen we dat dat niet altijd werkt; tijdens ons onderzoek zijn we verschillende keren dichtgemetselde ramen tegengekomen. Je moet dus ook rekening met privacy houden. Architectuurcriticus Bernard Hulsman wees ons bij de presentatie overigens op nog een argument om de koppen van flatgebouwen gesloten te houden: de socialistische gedachte. Het idee van de woningbouw uit de wederopbouwperiode was immers dat iedereen gelijk was. Een speciaal hoekappartement met een groot raam paste niet binnen dat ideaal.’ Dat de Nederlandse kopgevel doorgaans vrij gesloten van karakter is, heeft er ook mee te maken dat onze woningbouw op dragende wanden gestoeld is. In een stad als Berlijn zijn de gevels van oudsher rondom dragend, waardoor ze als vanzelf een gelijke behandeling krijgen. ‘Om de hoek’ ontwerpen ligt bij die bouwwijze meer voor de hand, terwijl de beëindiging van een blok hier meer weg heeft van een brood dat wordt doorgesneden.

Evolutie kopgevels 20e eeuw

Toch is het niet altijd slecht gesteld geweest met de kopgevel, zo blijkt uit het boek. ‘Van de negentiende eeuwse kopgevel werd werk gemaakt’, zo valt te lezen in het eerste hoofdstuk, over de stadswoningen die rond 1900 gebouwd werden. ‘Materiaal was in die tijd kostbaar, arbeid niet. Daarom kon de opdrachtgever geld uitgeven aan de uitzondering, het ornament.’ Een plint, een daklijst, een torentje of balkon, horizontale banden – je komt het allemaal tegen in deze rijke koppen. Een halve eeuw later zien we een heel ander soort gevels. Gedreven door de woningnood werd na de Tweede Wereldoorlog alles op alles gezet om de bouwproductie op te schroeven. Er heerste groot enthousiasme over de systeembouw waarmee met grote snelheid flats met veel appartementen gebouwd konden worden. De vormgeving en architectonische kwaliteit van de kopgevel had op dit moment duidelijk geen prioriteit. De uitstraling is ronduit sober. De vlakken zijn dicht, de openingen klein. Bij renovaties zijn de koppen soms ‘opgeleukt’ met schilderingen of andere kunst. ‘Dat werkt averechts’, vindt Van Eig. ‘Vaak is er net te weinig budget om er echt iets van te maken. Ik geloof niet in toevoegingen die enkel vanuit het oogpunt van decoratie worden gedaan. Die benadrukken eerder het gemis van een goed ontwerp.’ Via de buitengewoon schrale jaren tachtig, eindigt het onderzoek uiteindelijk aan het eind van de twintigste eeuw bij de Vinexwijk. Het tij lijkt gekeerd. Er wordt weer volop vormgegeven aan kopgevels, zo tonen de foto’s. We zien kopgevels met erkers, serres en tuinmuren die de hoek om gaan, opvallende voordeuren – een explosie van vorm. Niets doen lijkt geen optie, simpelweg omdat het beeldkwaliteitsplan blinde gevels niet toestaat. Maar of het de architectuur ten goede komt?

Spannende kopgevels

Architect Hans van der Heijden, die een introductie gaf bij de presentatie van Koppen in het Amsterdamse architectuurcentrum ARCAM, plaatst er vraagtekens bij. ‘Wat ik in mijn oren heb geknoopt tijdens mijn studie in Delft, zijn de lessen van Giorgio Grassi. Hij stelde dat de Nederlandse stad gaat over de spanning tussen de fijnmazige gevels zoals je die bijvoorbeeld langs de Amsterdamse grachten ziet, met ramen voorzien van roedes, versus de blinde dragende straatwanden van de stegen. Ik geloof daarom niet in het opwaarderen van een kopgevel met een extra raampje of deur; ik vind dat je het ontwerp moet aangrijpen om die spanning in een stuk stad te brengen. Dat kan ook heel kaal zijn. Of heel symmetrisch: een huis zoals een kind het tekent. Punt is dat je het naar je hand moet durven zetten, het feestje dat de kopgevel is vieren.’ Op verschillende plekken zie je dat al gebeuren. De strategieën die daarbij worden gehanteerd zijn heel verschillend. In Rotterdam was de aanwezigheid van troosteloze kopgevels aanleiding om kleine, acupunctuur-achtige ingrepen te doen. Zo bouwde architect Joost Kühne tegen een blinde gevel op de kop van de Prins Hendrikkade, pal naast de Hefbrug, een woonhuis dat naar boven toe uitkraagt, waarmee het zijn positie op de kop uitbuit en benadrukt. Powerhouse Company komt met een soortgelijke oplossing voor de met graffiti volgekladde façade aan de Mauritsplaats, tegenover de Pauluskerk. Het bureau ontwierp voor deze locatie een kleinschalig appartementencomplex, waarvan de bouw binnenkort start. De gevel die Zecc architecten vlakbij station Utrecht Centraal ontwierp, is strikt genomen geen kopgevel, maar verbindt de brokkelige kopse gebouwdelen van het achtergelegen NH hotel. Door reliëfs, verlichting en een aantal banken in de wand te integreren, is de straat hier niet alleen verfraaid maar ook verlevendigd.

Groengevels

Vergroening is een andere optie. Bijkomend voordeel is dat de planten niet alleen het aanzicht verfraaien, maar ook helpen om het klimaat in de stad te verbeteren. Het Zwitserse architectenbureau Herzog & de Meuron zette in 2007 een trend met de blinde gevel van het (gerenoveerde) CaixaForum museum in Madrid. Samen met de Franse botanist Patrick Blanc transformeerden ze deze saaie muur in een weelderige verticale tuin. In Rotterdam zie je dit op kleinere schaal veel gebeuren. Pasel Kuenzel architecten voorzag de kopse kant van een portiekflat aan de Sint Jacobsplaats van begroeiing. Zecc architecten en Rolf Bruggink kozen voor ‘optisch’ groen; zij bekleedden de kopse kant van klushuis De Zwarte Parel met kunstgras.

Kopgevelkunst

Dat kopgevelkunst geen zwaktebod hoeft te zijn, bewijzen de ‘Dubbeltjespanden’ aan de Mauritskade in Amsterdam. Een rij met negentiende eeuwse arbeidershuizen is door woonstichting De Key grondig opgeknapt, waarbij de blinde kopgevel werd bekroond met een kunstwerk van Marjet Wessels Boer: een gigantische letterbak. De geabstraheerde aluminium objecten in de vakjes – variërend van een mattenklopper tot een olifant – verwijzen naar historische en persoonlijke verhalen van bewoners. Een tweede voorbeeld is het onderwijsgebouw dat atelier PRO in de Meppelse woonwijk Ezinge bouwde. ‘Wij zagen de kopse gevels bovenin het gebouw meteen als een kans’, vertelt architect Christina Kaiser. Dit deel van het gebouw ligt niet alleen in het zicht vanaf de snelweg en het station, het omvat ook bijzondere functies zoals de theaterzaal en de kunst- en muzieklokalen. Voor ons stond vast dat deze gevels anders dan de rest van het gebouw moesten worden, dat er iets bijzonders moest komen.’ Dat is het kunstwerk dat ontwerpers Driessen + Van Deijne uit Amsterdam maakten zeker. Het bestaat uit twee digitaal keramische prints op glas van 10 x 21 en 8 x 21 meter en doet met zijn felle kleuren en abstracte patronen enigszins aan een Eschertekening denken. Vast staat dat het de smaakmaker van het gebouw is.

Boek Koppen

Het architectonisch klimaat voor de kopgevel lijkt momenteel gunstig. De economische crisis is op zijn retour en er is een groeiende groep ( jonge) architecten die zich interesseert voor het werken met ambachtelijke technieken en materialen, binnen alledaagse opgaven zoals woningbouw. Het boekje Koppen is daarvan een bewijs. ‘Wat ik zelf merk, is dat ik door het onderzoek anders ben gaan kijken naar kopgevels’, zegt Van Eig. Van architecten die ons boek hebben gelezen, krijg ik soortgelijke reacties. Dat is een mooi begin.’ Of de publicatie een vervolg krijgt? ‘Daar zijn we nu over aan het nadenken.’ Er is al een idee om, in de sfeer van de serie Dortmunder Architectkturhefte (een reeks boekjes over de plint, het raam, de deur) andere stiefkindjes van de architectuur aandacht te geven. Zoals de entreehal, of de vluchttrap. Boek Koppen Het architectonisch klimaat voor de kopgevel lijkt momenteel gunstig. De economische crisis is op zijn retour en er is een groeiende groep ( jonge) architecten die zich interesseert voor het werken met ambachtelijke technieken en materialen, binnen alledaagse opgaven zoals woningbouw. Het boekje Koppen is daarvan een bewijs. ‘Wat ik zelf merk, is dat ik door het onderzoek anders ben gaan kijken naar kopgevels’, zegt Van Eig. Van architecten die ons boek hebben gelezen, krijg ik soortgelijke reacties. Dat is een mooi begin.’ Of de publicatie een vervolg krijgt? ‘Daar zijn we nu over aan het nadenken.’ Er is al een idee om, in de sfeer van de serie Dortmunder Architectkturhefte (een reeks boekjes over de plint, het raam, de deur) andere stiefkindjes van de architectuur aandacht te geven. Zoals de entreehal, of de vluchttrap.

Dit artikel is gepubliceerd in ArchitectuurNL nummer 8 van 2015

Tekst: Kirsten Hannema

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Ontvang iedere week het laatste nieuws en informatie op het gebied van architectuur in uw mailbox.

Gerelateerd

Tags: , , ,

    Schrijf een reactie

    Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.