Linda Vos ontwikkelt visie energietransitie Delft

Onderzoek

Linda Vos ontwikkelt visie energietransitie Delft

Door: Redactie ArchitectuurNL | 23-06-2020

In het afstudeeronderzoek van Linda Vos: energy planning for the unknown, gaat ze in op de ontwikkeling van Schieoevers Noord in Delft. De gemeente Delft heeft een visie gevormd op de ontwikkeling van Schieoevers Noord. Wat betekent deze adaptieve ontwikkelvisie voor de energietransitie van Delft en voor Schieoevers Noord in het bijzonder?

Energieneutrale stad

Vijftienduizend nieuwe woningen en tienduizend extra werkplekken in 2040 en een energieneutrale stad in 2050: dat zijn de ambities van de gemeente Delft. Industriegebied Schieoevers Noord, gelegen op een steenworp afstand van de binnenstad van Delft, is bij uitstek een locatie waar stedelijke verdichting de woningvraag en de vraag naar extra arbeidsplaatsen kan beantwoorden. De gemeente Delft heeft in samenspraak met lokale betrokkenen en diverse adviseurs een visie gevormd op de ontwikkeling van Schieoevers Noord, opgeschreven in een ontwikkelplan voor het gebied dat circa 75 hectare beslaat.

Het plan schetst een koers en bewust geen definitief eindbeeld: zo wordt ruimte gecreëerd om de ontwikkelingen bij te kunnen sturen in het proces met een tijdspanne van – waarschijnlijk – meerdere decennia. In het afstudeerproject “energy planning for the unknown” heb ik de besluitvorming in het kader van duurzame warmte voor Schieoevers Noord bestudeerd, getriggerd door de vraag hoe een warmtestrategie vormgegeven kan worden, als de toekomstige gebruiker – en daarmee de warmtevraag – onbekend is. Daarvoor is een adaptieve methode van strategievorming voor de warmtevoorziening nodig.

Afstudeeronderzoek

In mijn afstudeeronderzoek heb ik verkend hoe een dergelijke methode eruit zou kunnen zien, gebaseerd op literatuuronderzoek, een intensieve analyse van de casus inclusief stakeholder interviews, warmtebalansberekeningen en het ontwerpen van een methode voor adaptieve strategievorming.

Gebiedsontwikkeling zonder eindbeeld

Reflecterend op paradigma’s in de gebiedsontwikkeling, is een aantal verschuivingen zichtbaar. waar traditionele gebiedsontwikkelingen vaak grootschalig en integraal aangepakt worden, met een duidelijk eindbeeld, zijn kleinschalige ontwikkeltrajecten – organische gebiedsontwikkelingen – sinds de economische crisis in 2008 gebruikelijker. het hedendaagse woningtekort en de duurzaamheidsopgave vragen om meer sturing dan in een zuiver organisch proces. een nieuw paradigma lijkt te ontstaan, waarin een focus op het proces nog steeds de boventoon voert en het masterplan naar de achtergrond verdwijnt. de ontwikkelingen in Schieoevers Noord sluiten hier naadloos bij aan: het woningtekort in de randstad en de energieambities van de gemeente delft vragen om sturing, maar de positie van de gemeente maakt een traditionele aanpak onmogelijk. het grootste deel van de 75 hectare grond is namelijk niet in het bezit van de gemeente maar van (grootschalige) maakindustrie en andere bedrijvigheid. de gemeente delft heeft besloten om zelf niet actief te gaan ontwikkelen. voor het bewandelen van de gewenste koers, is de gemeente afhankelijk van andere partijen: de huidige grondeigenaren en projectontwikkelaars.

Voor de gebiedsontwikkeling betekent dit dat er per kavel ontwikkeld zal worden (fi guur 1), gestuurd middels een plan voor de openbare ruimte en stedenbouwkundige spelregels voor de bebouwing. ook de warmtetransitie zal een stapsgewijs verloop kennen – de volgorde en het tempo onbekend – wat het ontwikkelen van een masterplan voor de warmtevoorziening onmogelijk maakt.

Onzekerheid vraagt om adaptiviteit

De gebiedsontwikkeling in Schieoevers Noord is complex, vol onzekerheden en afhankelijkheden. het is menselijk om onzekerheid te willen reduceren om controle na te streven in complexe processen. echter is dit niet altijd de juiste strategie. onzekerheden die gekenmerkt worden door onvoorspelbaarheid vragen om een fl exibele en effectieve reactie op veranderingen: adaptiviteit.

Op basis van literatuuronderzoek zijn zes kenmerken van een
adaptief proces gedefinieerd:

  1. Het verkennen en omarmen van onzekerheden.
  2. Het verbinden van langetermijnvisies met kortetermijnacties.
  3. Het behandelen van een systeemverandering als experiment.
  4. Het focussen op condities voor ontwikkeling.
  5. Het verspreiden van de verantwoordelijkheid voor besluitvorming.
  6. Het integreren van de diverse kennis van betrokken stakeholders

Adaptief plannen in vijf stappen

De ontwikkelde methode, de “Schieoevers Noord approach
for adaptive energy planning”, bouwt voort op bestaande methoden voor het plannen van stedelijke energietransities, met
specifieke aandacht voor het integreren van bovenstaande zes
kenmerken van adaptieve processen. Het doorlopen van een
proces bestaande uit vijf stappen moet een gemeente in staat
stellen om op adaptieve wijze invulling te geven aan een duurzame energiestrategie. De stappen zijn als volgt (figuur 2):

  1. Het analyseren van de huidige staat van het gebied (energetisch, ruimtelijk, stakeholders).
  2. Het analyseren van concrete plannen voor de nabije toekomst.
  3. Het definiëren van een duurzame toekomstvisie.
  4. Het in kaart brengen van onzekerheden (voortkomend uit
    toekomstscenario’s en afhankelijkheden).
  5. (a) Het ontwikkelen van een adaptieve routekaart, bestaande
    uit strategieën, no-regretacties en gunstige ontwikkelcondities
    en (b) het definiëren van triggers om deze routekaart te evalueren en aan te passen.

Kavel als warmtebron

Het scheppen van gunstige condities voor ontwikkelingen is van belang op het schaalniveau van een deelontwikkeling, een kavel. Op drie van deze kavels starten ontwikkelingen in de periode tot aan 2030, voor de overige twaalf is het onbekend óf en wanneer deze ontwikkeld zullen worden. In het afstudeerwerk wordt een gunstige conditie voor een deelontwikkeling beschreven als enerzijds het creëren van zekerheid dat er energieneutraal ontwikkeld wordt en anderzijds het garanderen dat volgende ontwikkelingen niet beperkt worden in het gebruik van lokale energiepotenties. In een context waarin diverse plannen gemaakt worden voor stedelijke en regionale warmtenetten, maar geen van deze zekerheid kan bieden wat betreft doorgang of termijn, is het realiseren van een onafhankelijke warmtevoorziening een pré. Het inzetten van warmte-koudeopslagsystemen (WKO) lijkt het meest gunstig (figuur 3).

Adaptiviteit vergt inventiviteit

Voor een van de kavels – het “Kabeldistrict” – is de warmtebalans bestudeerd om te zien of een WKO-systeem toereikend is voor de plannen waarin hoogbouw de boventoon voert. De energieconsumptie is onbekend en afhankelijk van vele factoren, daarom is in de balans uitgegaan van de energiebehoefte op basis van de toekomstige BENG-1 norm. Er is uitgegaan van de door de gemeente gewenste verhouding tussen wonen en werken, waarbij ‘werken’ wordt verdeeld over kantoorwerkplekken en bedrijfshallen die onderdak bieden aan maakindustrie. Deze balansberekening laat zien dat de WKO-capaciteit slechts een derde van het gewenste bouwvolume van warmte kan voorzien (figuur 4). Welke mogelijkheden zijn er om de gewenste hoge bouwdichtheid wél te bereiken binnen de kaderstellende ambitie om energieneutraal te ontwikkelen?

Vier parameters

De vier parameters die hoofdzakelijk de energiebalans van een kavel bepalen, zijn dichtheid, functiemenging, energiebehoefte en energiepotentie (figuur 5). Variantenstudies hebben inzicht gegenereerd in de mogelijkheden voor het Kabeldistrict. De meest effectieve manier om een groter bouwvolume van thermische energie te voorzien, is het realiseren van bebouwing met een lagere energiebehoefte dan de voorgestelde BENG-norm toelaat. Daarnaast is een functiemix waarin relatief veel ruimte geboden wordt aan werken ten opzichte van wonen, gunstig voor de energiebalans en daarmee het bouwvolume. Het toevoegen van functies met een warmteaanbod, complementair aan de warmtevraag van woningen, maakt slimme lokale warmte-uitwisseling mogelijk. Tot slot kan duurzame energieopwekking op kleine schaal het WKO-systeem aanvullen en in balans brengen.

Eenergieregels nodig

Per deelontwikkeling moet bepaald worden of energiespelregels nodig zijn voor het slagen van de gebiedsontwikkeling. Adaptiviteit is de kern van de duurzame warmtestrategie voor Schieoevers Noord, inventiviteit is nodig om een energieneutrale nieuwe stadswijk te realiseren.

Toptalent Linda Vos

Bij de master Building Technology van de faculteit Bouwkunde aan de TU Delft studeerde Linda Vos af op twee masters: MSc Architecture, Urbanism and Building Sciences (mastertrack Building Technology) en MSc Science Education and Communication (mastertrack Science Communication). Daarmee kreeg haar onderwerp, de adaptieve ontwikkeling van het Delftse herontwikkelingsgebied Schieoevers Noord, naast een technische insteek ook een accent op het ontwikkelproces en de communicatie met alle belanghebbenden. Het startpunt lag bij de nog niet volledig uitgekristalliseerde plannen voor de Schieoevers. De variatie aan huidige functies, de complexe eigendomsverhoudingen, de lange planningstermijn en de daarbij horende onzekerheid ten aanzien van het haalbare programma, maakt een adaptief ontwikkelproces verstandig. Hoe begeleid je daarbij het proces van A naar B zonder klem te komen? Linda’s Schieoevers Noord approach for adaptive energy planning is daar een aanpak voor geworden. Uitgangspunt waren de gemeentelijke duurzaamheidsplannen, vooral ten aanzien van CO2-neutraliteit. Voor verschillende combinaties van woningbouw, kantoren en maakindustrie onderzocht Linda in hoeverre deze konden worden gerealiseerd binnen het doel van CO2-neutraliteit. Vanwege de afwijkende energiepatronen van de geplande functies is vraag en aanbod van warmte en koude bij sommige programmacombinaties meer of minder in balans. Linda bestudeerde de lokale energiepotenties en maakte vanwege de gewenste warmtebalans de capaciteit van de ondergrondse warmte-koudeopslag tot startpunt voor het energieplan van de wijk. Die bepaalt de optimale mix en de startvraag naar warmte en koude, waarbij flexibiliteit overblijft vanwege andere aanvullende bronnen, zoals oppervlaktewater van de Schie en zonnewarmte.

Afstudeermentoren:
Prof. dr. ir. Andy van den Dobbelsteen – Climate Design & Sustainability
Dipl.-Ing. Ulf Hackauf – Environmental Technology & Design
Dr. ir. Steven Flipse – Science Communication
Drs. Caroline Wehrmann – Science Communication

Tekst en beeld: Linda Vos

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Ontvang iedere week het laatste nieuws en informatie op het gebied van architectuur in uw mailbox.

Gerelateerd

Tags: ,

    Schrijf een reactie

    Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.