Onduidelijkheid rondom structureel verlijmde gevels en constructieve veiligheid

Kennis

Onduidelijkheid rondom structureel verlijmde gevels en constructieve veiligheid

Door: Redactie ArchitectuurNL | 01-12-2020

Het is er de laatste jaren niet eenvoudiger op geworden voor toetsers van de gemeentelijke VTH afdelingen. Er heeft een enorme groei plaatsgevonden in het aanbod van producten en systemen waarmee glas, plaatmateriaal, tegels, isolatiemateriaal en steenstrips verlijmd worden op de gevel. De markt innoveert om woningen en andere gebouwen beter te isoleren en om efficiënter te bouwen. Er worden tenslotte inmiddels ook vliegtuigen geassembleerd met lijmverbindingen.

Deze golf van vernieuwing is niet geheel zonder risico. De afgelopen jaren zijn er verschillende schadegevallen geweest. Ook met systemen die uitvoerig zijn getest, al dan niet met gecertificeerde halffabricaten. In 2011 bijvoorbeeld, is beoordelingsrichtlijn BRL4101-7 (verlijmen van plaatmateriaal) ingetrokken omdat deze onvoldoende zekerheid bood dat panelen niet los konden komen. Daarnaast zijn er verschillende incidenten geweest waarbij steenstrips loslieten van de gevel.

Het is daarom niet makkelijk om zich een goed oordeel te vormen op basis van de diversiteit aan beschikbare informatie. De markt levert (deel)certificaten, werkprotocollen, folders, “zulassungen” en CE-markeringen. Hoe zie je door de bomen het bos?

Het Centraal Overleg Bouwconstructies (COBc) van de vereniging BWT Nederland heeft daarom een werkgroep samengesteld om een richtlijn en een toetsingshulpmiddel te ontwikkelen voor structureel verlijmde gevels. Met deze richtlijn wil het COBc zorgdragen voor een transparante en uniforme toetsing van bouwaanvragen met verlijmde gevels. De richtlijn omvat meerdere productgroepen en kan universeel worden toegepast. Op 7 november 2019 is een eerste concept van de richtlijn gepubliceerd en is er om input gevraagd. De versie van 1 juli 2020 is gratis te downloaden via https://www.vereniging-bwt.nl/centraal-overleg-bouwconstructies/documenten. Op 14 oktober 2020 heeft de COBc-werkgroep een eerste overleg gehad met brancheverenigingen en producenten met als doel om het document verder aan te scherpen. In dit overleg is ook het Europees juridisch kader besproken.

CE-markering

Structureel verlijmde gevels worden niet alleen in Nederland toegepast. Buitengevelisolatiesystemen bijvoorbeeld worden in Europa breed ingezet en behoren in Duitsland tot de standaard bouwwijze. Om het vrije verkeer van bouwproducten binnen de EU beter te regelen is sinds 1 juli 2013 de Verordening bouwproducten van kracht (EU nr. 305/2011), de opvolger van de richtlijn bouwproducten. Deze verordening komt voort uit de wens van de lidstaten om handelsbarrières weg te nemen en nationale voorschriften en eisen aan bouwproducten te harmoniseren. Dit leidt tot lagere kosten waardoor de efficiency in de bouw toeneemt.  

De Verordening bouwproducten regelt dat een fabrikant prestatieverklaringen (DoP) en verwerkingsrichtlijnen kan en in voorkomende gevallen (op basis van een geharmoniseerde norm) moet opstellen. Hiermee wordt duidelijk op welke wijze haar bouwproducten gerelateerd zijn aan de fundamentele eisen voor veilige en functionele gebouwen. Deze prestatieverklaringen zijn veelal gebaseerd op Europese geharmoniseerde normen en testmethoden. Op basis hiervan wordt een CE-markering verkregen.

Voor veel bouwproductgroepen zijn er geharmoniseerde normen. Indien deze er niet zijn kan ook CE-markering worden verkregen op basis van een Europese technische beoordeling (ETA) gebaseerd op een Europees beoordelingsdocument (EAD).

Bij het opstellen van hun toetsingsinstrument voor structureel verlijmde gevels moet de COBc werkgroep rekening houden met het Europees juridisch kader. Het opleggen van beperkingen of het stellen van aanvullende eisen aan CE-gemarkeerde producten is niet toegestaan en is direct in strijd met het doel van de Verordening bouwproducten. Lokale overheden mogen geen handelsbarrières opwerpen.

Buitengevelisolatiesystemen met een CE-markering mogen daarom gewoon worden toegepast in Nederland. De werkgroep mag voor deze categorie structureel verlijmde gevels geen aanvullende eisen stellen. Wél mag een gemeente er op toezien dat producten conform de verwerkingsrichtlijnen worden aangebracht. Daartoe mag een gemeente informatie opvragen tijdens het bouwen en toezicht uitoefenen op de bouwplaats. Een gemeente mag echter geen nationaal certificaat verlangen, want de CE-markering is het enige toegestane merkteken op grond van de Verordening bouwproducten.

Geen normen

In Europa zijn er tot op heden op materiaalniveau geen geharmoniseerde normen gepubliceerd voor structureel verlijmde gevels Fabrikanten die materialen leveren voor structureel verlijmde gevels zouden dus de (vrijwillige) route naar een CE-markering kunnen volgen op basis van een Europese technische beoordeling (ETA). Een route die de producenten van buitengevelisolatiesystemen al jaren geleden hebben ingeslagen.

Een complicerende factor is dat er in de Europese Verordening Bouwproducten onderscheid gemaakt wordt tussen bouwproducten die een rol spelen bij het realiseren van stabiliteit en mechanische weerstand van het gebouw (Basic Work Requirement BWR1 “Mechanical resistance and stability”) en welke daarvoor irrelevant zijn. Buitengevelisolatiesystemen bijvoorbeeld, vallen in de laatste categorie omdat deze, net als sommige andere gevelbekledingsproducten, niet bijdragen aan de stabiliteit van het gebouw. Ook het door de EU aanvaarde mandaat M/489 voor buitengevelisolatiesystemen, gaat ervan uit dat prestatie-eisen gerelateerd aan BWR1 niet van toepassing zijn. De Nederlandse overheid heeft hier geen bezwaar tegen gemaakt.

Ondanks de aanwezigheid van CE-markering kunnen er dus geen documenten beschikbaar zijn die een uitspraak doen over de duurzame veiligheid in relatie tot de stabiliteit van het gebouw zoals vereist is volgens het Bouwbesluit 2012 en NEN-EN 1990 voor bouwconstructies. Gemeenten mogen echter om die reden een toepassing niet verbieden of een vergunning weigeren. Immers, een gemeente mag geen aanvullende of afwijkende eisen stellen ten opzichte van de CE-markering in de DoP. Dit stelt de werkgroep van het COBc en daarmee gemeenten voor een lastige opgave.

Noodzaak van een BRL

Systemen zonder CE-markering die bestaan uit halffabricaten worden natuurlijk ook veelvuldig toegepast. Om dit soort systemen te certificeren (bijvoorbeeld door KIWA) is een beoordelingsrichtlijn (BRL) een vereiste. Dit is in beginsel een privaat document. Als op basis van zo’n BRL de afgegeven kwaliteitsverklaring een erkende kwaliteitsverklaring is in de zin van artikel 1.8 van het Bouwbesluit 2012, dan moet een gemeente de daarin opgenomen aansluiting op het Bouwbesluit 2012 zonder meer voor juist houden. Het is dan een privaatrechtelijke kwaliteitsverklaring met een publiekrechtelijke betekenis. Reden te meer om te werken aan de ontwikkeling van een BRL voor ieder in de gevel te verwerken product dat zonder CE-markering op de markt wordt gebracht. Zonder een erkende kwaliteitsverklaring of CE-markering is het lastig toetsen voor VTH-afdelingen.

Mogelijke oplossingen

Met een ETT-procedure kan gekomen worden tot een “erkende technische toepassing” (ETT) (motie TK 34453-19 uit februari 2017). Het plan van aanpak structureel verlijmde gevels van de COBc werkgroep kan hiervoor als onderlegger gebruikt worden. In een ETT worden gegarandeerde prestaties op bouwwerk niveau vastgelegd. Het gaat hierbij om alle wettelijke voorschriften, dus niet alleen Bouwbesluit 2012, maar ook andere wettelijke voorschriften inclusief de zorgplicht en alle aanvullende prestaties die de houder van de ETT garandeert. In de ETT is ook beschreven hoe het product in een bouwwerk moet worden verwerkt, welke handelingen hierbij kritisch zijn en waarover bewijs moet worden geleverd dat het correct conform de verwerkingsvoorschriften en de daarbij behorende randvoorwaarden is aangebracht. Voor producten met CE-markering zijn voor een ETT de prestatieverklaring en de verwerkingsrichtlijnen die op grond van artikel 11, zesde lid, van de verordening zijn gegeven, de onderlegger. Dat bewijs moet worden vastgelegd in een overdrachtsdossier dat ter hand wordt gesteld aan de opdrachtgever en het bevoegd gezag en ook aan de producent van het product. Wanneer de verwerkingsvoorschriften niet correct zijn gehanteerd, kan de producent besluiten niet langer zijn garanties gestand te doen.

Het gaat hierbij om alle prestaties die in samenhang met de aansluitende bouwdelen integraal zijn beoordeeld. Bij gebleken geschiktheid kan het systeem dan door een onafhankelijke instantie van een erkenning worden voorzien. Hierbij is het kwaliteitsborgingsproces gebaat en kan een systeemhouder zich onderscheiden van niet systeemhouders. Toetsing door VTH-afdelingen kan dan gebeuren op basis van de erkende technische toepassing.

Laboratoriumonderzoek

De sterkte van de lijmverbinding in niet alleen afhankelijk van de lijm, maar is ook afhankelijk van de ondergrond en het te verlijmen element. De sterkte van de lijmverbinding is bovendien sterk afhankelijk van de wijze van verwerken en de verwerkingsomstandigheden. Ook de voorbereidingen kunnen essentieel zijn. Zo is het verlijmen op “vers” prefabbeton risicovol vanwege de gebruikte ontkistingsolie

Hierdoor kan een lijmfabrikant nooit verantwoording nemen voor het uiteindelijke product, tenzij hij zijn lijm onder ETT levert en hij op grond van het overdrachtsdocument zelf vaststelt dat de kritische handelingen allen correct zijn uitgevoerd. Een systeemaanpak waar de applicatie onderdeel van uitmaakt heeft hier duidelijk toegevoegde waarde. De systeemhouder heeft dit soort onderzoek over het algemeen al klaarliggen.

Referentieperiode 50 jaar

De duurzame hechtsterkte aantonen voor 50 jaar (alleen aan de orde bij systemen zonder CE-markering) wordt gezien als een zeer zware eis. De meeste producenten hebben slechts zo’n  35 jaar ervaring met hun systemen. De gevel van de CASA BATTLÓ van de architect Antonio Gaudi is inmiddels ruim honderd jaar oud. Het kan dus wel. Het draait om vakmanschap! De brancheverenigingen zijn hier inmiddels ook van overtuigd en verzorgen daartoe inmiddels eigen opleidingen, waarbij de cursisten bij goed gevolg een certificaat krijgen.

Het Bouwbesluit 2012 in combinatie met NEN-EN 1990 biedt ook de mogelijkheid van tussentijdse inspecties met zo nodig passend onderhoud om de veiligheid op de orde te houden. We kennen dit bijvoorbeeld ook bij vermoeiing van stalen bruggen. Dit kan ook bij structureel gelijmde gevels door inspecties gedurende de levensduur van een gebouw. Dat zal dan in de omgevingsvergunning moeten worden vastgelegd. Dat gebeurt ook in de ETT. Dan bereiken we het beoogde doel om preventief, dus voor het falen, te kunnen ingrijpen. Ook de brancheverenigingen achten inspecties tijdens de applicatie noodzakelijk, liefst onafhankelijk en onderbouwd met een rapportage. Dit komt dicht bij de ETT-procedure met de beoordeling “as built”.

Tekst: Nico Scholten

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Ontvang iedere week het laatste nieuws en informatie op het gebied van architectuur in uw mailbox.

Gerelateerd

Tags: ,
0 Reacties Schrijf een reactie

    Schrijf een reactie

    Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.