Art Nouveau interieurs in het Gemeentemuseum

Exposities

Art Nouveau interieurs in het Gemeentemuseum

Door: Jacqueline Knudsen | 25-06-2018

Rond 1900 zoekt een groep architecten en kunstenaars naar een eigentijdse vormgeving, als reactie op de gangbare historiserende stijlen. De naam van hun stijl benadrukt het nieuwe: Art Nouveau, in Nederland ook bekend als Nieuwe Kunst en in Spanje als Modernismo. Maar hoe modern of nieuw was die nieuwe kunst? De expositie Art Nouveau in Nederland, tot 28 oktober in het Haags Gemeentemuseum, toont met diverse Art Nouveau interieurs vooral een zoektocht naar het authentieke, die zelfs gepaard ging aan een afkeer van het moderne.

Queeste naar het authentieke in design

Jan de Bruijn, conservator toegepaste kunsten van het Gemeentemuseum, heeft de expositie Art Nouveau in Nederland opgebouwd rond thema’s als ‘terug naar de natuur’, ‘terug naar het ambacht’ en ‘verlangen naar de Oriënt’. De Bruijn ziet in de ontwerpen van de vooruitstrevende vormgevers en architecten rond 1900 vooral een verlangen terug naar het ambacht en de natuur en een fascinatie voor de ‘onbedorven’ culturen in de Oriënt. Dat getuigt niet echt van vernieuwingsdrang, maar wel van een ‘queeste naar het authentieke’. Het zoeken naar echtheid zet zich af tegen commercialisme en de consumptiemaatschappij.
Die zoektocht resulteerde in zeer uiteenlopende ontwerpovertuigingen, die in de tentoonstelling gebroederlijk zijn samengebracht. De onderlinge verschillen tussen de vormgevers, die in theorieën en geschriften breed uitgemeten werden, blijken in de praktijk veel minder groot. De expositie toont o.a. enkele complete interieurs, inclusief behang, stoffering, meubilair, verlichting en gebruiksvoorwerpen. Gesamtkunstwerken die het wonen van de progressieve elite in die tijd prachtig tot leven roepen.

Terug naar de natuur

In de openingszaal wordt de bezoeker gedompeld in de wereld van industrialisering en motorisering, met beelden van fabrieksinterieurs en van de Eerste Internationale Automobielwedstrijd in Scheveningen in 1901. De bevolkingstoename in de steden is aan het einde van de negentiende eeuw groot, de vraag naar gebruiksvoorwerpen groeit en industriële productie neemt explosief toe.
De volgende vier zalen tonen een tegenbeweging: De fascinatie voor de natuur. Ontwerpers en kunstenaars vinden inspiratie in de planten- en dierenwereld. Theo Nieuwenhuis bestudeert het plantenleven tot in detail, maakt botanische kleurenplaten en in gestileerde vorm komen planten overal in zijn ontwerpen terug. Ook het onderwaterleven vormt een rijke bron van inspiratie. Gerrit Willem Dijsselhof schilderde verstilde onderwaterdecors van vissen, krabben en kreeften die hij uitgebreid in Artis bestudeerde.
Maar meer nog dan in de onderwaterwereld, vinden ontwerpers inspiratie bij vogels en de pauw groeit uit tot hét art-nouveaumotief. Haar verenpracht komt veelvuldig voor in textiel, metaalwerk, keramiek, drukwerk en meubels. Bijvoorbeeld in de kamer die Dijsselhof in 1895-1900 ontwerpt voor de Amsterdamse arts Willem van den Hoorn. Daarin zijn vele planten- en dierenmotieven te bewonderen, ook de pauw is prominent aanwezig. Sinds de bouw van het Gemeentemuseum (1931-1935) is dit complete art-nouveauinterieur permanent opgesteld, Berlage ontwierp hiervoor zelfs een speciale ruimte in het museum.

Handwerk van de hoogste soort

De Dijsselhofkamer was voor kunsthandel E.J. Van Wisselingh & Co in Amsterdam aanleiding om in 1898 een interieurafdeling op te richten. Zo wil het bedrijf haar klanten een passend interieur voor hun kunstcollectie aanbieden, naar ontwerp van Dijsselhof, Theo Nieuwenhuis en Carel Lion Cachet. De objecten die de werkplaats verlaten, blinken uit in vakmanschap en kostbaar materiaalgebruik. In de tentoonstelling staat een interieur van Theo Nieuwenhuis voor advocaat Ferdinand Kranenburg. Nieuwenhuis werkte er 2,5 jaar aan (1898-1901) en het kost Kranenburg een godsvermogen van 15.000 gulden, na 5 jaar verhuist hij. Een groot deel van het interieur is hier samengebracht: tapijt, bureau, stoelen, wandmeubel, stoelen, deur en lambrisering, lampen en inktstel, alles ‘handwerk van de hoogste soort’.

Terug naar het ambacht

De ideeën van William Morris en Walter Crane van de Engelse Arts-and-Craftsbeweging over de lelijke massaproducten versus de schone ambachtelijke producten uit de middeleeuwen vinden ook in Nederland hun weerklank. Architect Berlage schrijft over ‘dat brute kommercialisme, dat de volkskunst heeft gedood, omdat het alleen gebaseerd is om winst te produceren, in plaats van voort te brengen voor gebruik’. Paradoxaal genoeg moest de nieuwe kunst de oude schoonheid door ambachtelijkheid herstellen.
Een belangrijke pijler onder de Nederlandse Art Nouveau is de hervorming van het ambacht- en tekenonderwijs in de late 19e eeuw, waar mensen worden opgeleid tot sierkunstenaar of ambachtskunstenaar. Onderdeel van het onderwijs is de studie naar het vlakornament, dat ontstaat uit geometrische grondvormen en gestileerde natuurmotieven. Deze gestileerde motieven vinden hun weg weer in ontwerpen voor gevels, tegels, meubels, gebruiksvoorwerpen en kleding.

’t Binnenhuis

Amsterdam H.P. Berlage, Jac. van den Bosch, en Willem Hoeker starten in 1900 aan het Rokin in Amsterdam het verkooplokaal ’t Binnenhuis, waar interieurproducten volgens ‘rationalistische’ principes werden ontworpen. Materiaal, doel en constructie van de meubels zijn hier leidend. De ontwerpen van Berlage en Van den Bosch vinden gretig aftrek bij de elite. De meubels zijn van ambachtelijke kwaliteit, maar hoewel rationeel in constructie, speelde versieringsdrang in hun producten wel degelijk mee. Het modelinterieur van ’t Binnenhuis uit 1905 is in de Haagse tentoonstelling gereconstrueerd, inclusief een fries van Duco Crop. Het meubilair is versierd met gestileerde natuurmotieven in hout, messing en ivoor.

Van het sublieme tot het ridicule

De architecten en vormgevers van ’t Binnenhuis zetten zich in hun geschriften fel af tegen de internationale art nouveau met de kenmerkende zweepslaglijn. In Den Haag heeft een groep vormgevers juist wel nauwe contacten met Duitse en Belgische architecten en meubelontwerpers, o.a. met Henry van de Velde. Haagse architecten als J. Mutters, J.Olthuis en J.P.J. Lorrie ontwerpen gevels en interieurs met golvende lijnen. Van Lorrie staat een enorme vitrinekast, ontworpen voor de serviezenwinkel Philippona op de expositie, gevuld met het delicate eierschaalporselein van Rozenburg.
Aan de Kneuterdijk openden Johan Thorn Prikker en Chris Wegerif in 1898 de Haagse interieurzaak Arts & Crafts, waarin hun eigen ontwerpen, maar ook interieurs van Henry van de Velde werden verkocht. Kritiek op deze en andere schilders die de stap naar interieurs en architectuur maken, komt vooral van architecten en moet volgens curator De Bruijn worden gezien als een manier om de eigen marktwaarde op peil te houden. Zo schrijft Berlage in zijn bespreking van Arts & Crafts: “Inderdaad, die enkele stap van het sublieme tot het ridicule is gedaan door Thorn Prikker (…)”.
Maar juist die interdisciplinariteit is kenmerkend voor veel ontwerpers van die periode, ook bij Berlage’s Binnenhuis. In de complete interieurs die opgesteld zijn, maar ook in de soms verrassende diversiteit aan werken van een en dezelfde ontwerper komt die interdisciplinariteit in de tentoonstelling goed tot uiting.

Verlangen naar het Oosten

Rond 1900 leidt de queeste naar het authentieke enkele ontwerpers ook naar het Nabije en Verre Oosten. Exotische onderwerpen en motieven worden toepast en er is behoefte aan meer mystiek en spiritualiteit, die in oosterse culturen wordt gevonden. De architecten en ontwerpers Karel de Bazel en Mathieu Lauweriks hebben grote interesse in de theosofie en de Egyptische en oud-Griekse kunst en architectuur.
Voor het Haagse theosofische echtpaar Schuurman-Gentis ontwerpen ze een eetkamer, een van de pronkstukken van de tentoonstelling. De meubels zijn ontworpen op een geometrisch systeem, een maatvoering gebaseerd op een getallenmystiek. De decoratie is vol theosofische symboliek en Egyptische motieven.
Ook uit de Japanse (prent-)kunst en ornamentiek wordt in de Nederlandse art nouveau rijkelijk geput, met name op het platte vlak. De Javaanse batiktechniek komt in zwang, uitermate geschikt voor de vlakornamentiek. De batiks worden toegepast als kamerscherm en wandbespanning, met als subliem voorbeeld de eerdergenoemde Dijsselhofkamer.

De tentoonstelling Art Nouveau in Nederland is te zien in het Gemeentemuseum Den Haag t/m 28 oktober 2018. De Dijsselhofkamer is permanent opgesteld in het Gemeentenmuseum,

Dit artikel is geschreven door Jacqueline Knudsen en gepubliceerd in ArchitectuurNL 3 2018.

Gerelateerd

Tags: , , ,

    Schrijf een reactie

    Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.