Het succes van Vlaanderen

Over de grens

Het succes van Vlaanderen

Door: Kirsten Hannema | 26-01-2016

Het heeft iets van een sprookje: van een lelijk jong eendje groeide architectuurland Vlaanderen de afgelopen jaren uit tot een zwaan. In België wordt – de economische crisis ten spijt – volop gebouwd, jonge Vlaamse bureaus zoals OFFICE Kersten Geers David Van Severen timmeren internationaal aan de weg, Nederlandse architecten op hun beurt beproeven hun kansen bij de zuiderburen. Wat is het geheim van het Vlaamse succes?

Het lelijkste land ter wereld’, noemde de Belgische architect Renaat Braem zijn thuisland in het legendarische pamflet dat hij in 1968 publiceerde. ‘Een architecturale woestenij’, zo omschrijft architectuurexpert Christophe van Gerrewey het in zijn recent verschenen boek, over 25 jaar architectuur in België.

Inderdaad, zo kenden we onze zuiderburen: een land dat je maar beter links kon laten liggen, simpelweg omdat er geen architectonische cultuur bestond. Kenden, want de laatste jaren staat België – of eigenlijk: Vlaanderen – in een geheel nieuw daglicht. De wonderjaren heet de tentoonstelling die momenteel te zien is in Knokke-Heist, over dertig jaar architectuur in Vlaanderen. Hetzelfde mirakel is het onderwerp van Van Gerrewey’s boek, waarin hij uitlegt hoe België zich van architecturale woestenij tot ‘gidsland’ ontpopte. Het boek Ugly Belgian Houses van fotograaf/blogger Hannes Coudenys werd een wereldwijde hit; ‘omdat lelijk nog altijd beter is dan saai’, aldus Coudenys. Veelzeggend is ook dat de Jonge Maaskantprijs 2015 niet werd gewonnen door een Nederlander, maar door het Brusselse ontwerperscollectief Rotor. Omgekeerd realiseerden Nederlandse bureaus als Happel Cornelisse Verhoeven en De Kort Van Schaik afgelopen jaar een aantal spraakmakende projecten in Vlaanderen.

Hoe valt dit wonder te verklaren? En kan Nederland, waar de architectuur sinds de bubbel in 2008 barstte in een inhoudelijke crisis verkeert, wellicht iets van Vlaanderen leren? Immers, het opbloeien van de Vlaamse architectuurscene is niet los te zien van het succes dat Nederland in de jaren negentig en nul boekte met Superdutch, de conceptuele architectuur van OMA, MVRDV, Neutelings Riedijk, Mecanoo en UN Studio. Hun goed gevulde opdrachtenportefeuilles waren een direct gevolg van de investeringen van de overheid in het architectuurklimaat: de oprichting van het Nederlands Architectuurinstituut in 1989 (in 2013 opgegaan in het Nieuwe Instituut), de verschijning van de eerste architectuurnota (Ruimte voor architectuur, 1991), de oprichting van het Stimuleringsfonds voor Architectuur en Architectuur Lokaal (1993) en het optuigen van architectuurprijsvragen door het Rijk. Destijds kwamen Vlaamse architecten als Christian Kieckens, Robbrecht en Daem hier naar toe om te bouwen. Pas afgestudeerde ontwerpers als Xaveer de Geyter en Julien de Smedt gingen ‘in de leer’ bij OMA. Hun indrukken en werkervaring namen ze mee terug naar Vlaanderen.

Open Oproep

Tegelijk werd in 2000, naar voorbeeld van de Nederlandse Rijksbouwmeester, Bob van Reeth – die ook een flink aantal projecten in Nederland realiseerde – aangesteld als Vlaams Bouwmeester. Een van zijn belangrijkste instrumenten is de Open Oproep, geïnspireerd op het (voormalige) Nederlandse prijsvraagsysteem van de Rijksgebouwendienst. Elk half jaar wordt een aantal (semi)publieke opdrachten naar buiten gebracht, waarop bureaus uit binnen- en buitenland kunnen inschrijven. Hiervoor sturen zij hun portfolio op, vergezeld van een geschreven motivatie. Op basis daarvan worden door de Vlaamse Bouwmeester tien bureaus geselecteerd, waaruit de opdrachtgever er vervolgens vijf kiest voor een studieopdracht – een jong bureau, een bureau uit een andere cultuur en drie meer ervaren bureaus. “Het bood ons de kans die we in Nederland als startend bureau niet kregen”, vertelt architect Ninke Happel van Happel Cornelisse Verhoeven, opgericht in 2008. “Een netwerk hadden we toen nauwelijks, en voor Europese aanbestedingen kwamen we niet in aanmerking, omdat je daarvoor referentieprojecten nodig hebt en een bepaalde omzet moet behalen. Terwijl de eisen voor de Open Oproep vooral gericht zijn op ontwerpkwaliteit. We besloten ons in te schrijven voor een aantal ‘behapbare’ opgaven, en wonnen prompt onze eerste opdracht, voor een tiental woningen in Zandhoven.” Dat smaakte naar meer, en zo wist het bureau in twee jaar tijd vijf langlopende projecten binnen te halen, waaronder een basisschool in Mechelen en de verbouwing van een brandweerkazerne in Antwerpen. “Onze economische redding”, noemt Oliver Thill van Atelier Kempe Thill de Belgische wijze van aanbesteden.

Het bureau verwierf op deze manier onder meer opdrachten voor het parlementsgebouw van de Duitstalige gemeenschap in België, een drietal universiteitsgebouwen en een cultureel als inhoudelijk geholpen: in Nederland zaten we, doordat referenties vereist zijn, min of meer vast in de woningbouwsector. In Vlaanderen kregen we ineens de mogelijkheid om ook utiliteitsbouw te doen.” De Open Oproep bepaalt volgens Christophe Grafe, directeur van het Vlaams Architectuurinstituut, het grote verschil tussen de situatie in Vlaanderen en Nederland. “Het systeem biedt geen garantie voor goede gebouwen, maar het is wel een manier om talent boven te laten drijven. In Nederland is de markt twintig jaar geleden ‘op slot’ gegaan; de gevestigde bureaus verdelen de opdrachten onderling. Zo blijft de architectuur hangen bij de oude generatie. Dat is in Vlaanderen voorkomen, en wordt nu zichtbaar in de opkomst van jonge bureaus als noA, De Vylder Vinck Taillieu en 51N4E.” Al zijn er ook ontwerpers die zonder hulp van de Open Oproep naam hebben gemaakt, zoals Rotor.

Positie van de architect

Robert Jan de Kort van het Rotterdamse bureau De Kort van Schaik, dat in 2011 zijn eerste opdracht – voor een ontmoetingscentrum in Moorsel – via de Open Oproep won, wijst op een tweede verschil tussen Nederland en Vlaanderen: de positie van de architect. “Die is sterk in de Vlaamse bouwcultuur verankerd. Bouwen en kunnen bouwen is vanzelfsprekend, het beheersen van het proces.” “Van de eerste schets en de calculaties tot de bouwbegeleiding – je kunt het vak hier nog ten volle uitoefenen”, vult Happel aan. “Sterker nog: zonder architect kun je geen bouwaanvraag indienen. Ik vind dat een prettige manier van werken. Je bent hier meer dan een esthetisch adviseur; een opdracht krijg je meteen voor honderd procent. Dat geeft een grote verantwoordelijkheid, maar ook een gevoel van vertrouwen. Daarnaast zijn wij vaak hoofdaannemer en werken de adviseurs voor ons, dat betekent dat alle documenten door en met ons worden opgesteld. In Nederland word je vaak dom gehouden; soms krijg je niet eens inzage in het bouwbudget. Adviseurs, gebruikers en andere betrokkenen bemoeien zich overal mee, en dat gepolder is funest voor de kwaliteit. Het succes van Vlaanderen komt volgens mij voort uit het feit dat er niets op de bouw gebeurt zonder goedkeuring van de architect. Elk gebouw draagt zijn ziel.”

Radicaal-normale architectuur

Oliver Thill denkt dat het feit dat Vlaanderen een architectonisch niemandsland was, ook een stimulans is geweest om een ontwerpcultuur te ontwikkelen. Architectuur werd door de overheid herkend als een kans om plekken een identiteit te geven. Die benadering zie je in grote publieke gebouwen, zoals het Museum aan de Stroom in Antwerpen (Neutelings Riedijk) en het gemeentehuis van Oostkamp (Carlos Arroyo), dat via de Open Oproep werd aanbesteed. Maar juist ook in banale opgaven, zoals bejaardentehuizen, scholen en – typisch Belgisch – particuliere woonhuizen, toont zich de eigenheid. Op deze kleine schaal en met beperkte budgetten experimenteren architecten volop met bestaande typologieën en standaard bouwmaterialen zoals betonblokken en triplex. ‘Normcore’ doopte het Duitse tijdschrift Arch+ deze ‘radicaal-normale’ architectuur; er werd dit jaar een complete editie aan gewijd. Het is een architectuur die het goed doet na twee decennia van internationale spektakelarchitectuur. Iconen worden sinds de crisis met de nodige argwaan bekeken. Ook dat is een verklaring voor de populariteit van het Vlaamse ‘Normcore’. Thill: “Het is een sympathieke manier van architectuur bedrijven.

Anders dan Nederland is er in Vlaanderen geen cultuur van grote masterplannen, stadsontwikkeling gebeurt veelal bottom-up. In Antwerpen zie je dat duidelijk: met kleinschalige ingrepen wordt een hele wijk verbeterd. Ik denk dat het een les kan zijn voor een stad als Rotterdam, waar altijd meteen groot gedacht wordt, maar in de realiteit weinig aandacht is voor de kwaliteit van het individuele bouwproject.” Sander van Schaik ziet dat Nederlandse opdrachtgevers hun ‘Belgische’ portfolio met belangstelling bekijken. “Niet alleen vanwege de bouwervaring die we in Vlaanderen hebben opgedaan, maar vooral ook vanwege het type opdrachten: projecten waarin nadrukkelijk een sociaal-maatschappelijke component aanwezig is. Dat ‘Vlaamse’ wordt op dit moment als een pre gezien. Wat dat precies is? Een opdrachtgever omschreef het als ‘een spel tussen poëzie en rationaliteit’. Het is interessant om te zien dat er kennelijk naar zo’n vocabulaire gezocht wordt.”

Risico

De bestempeling van België als gidsland streelt natuurlijk het ego, maar er zit ook een risico aan, waarschuwt Grafe. “Juist doordat de architectuur zo lokaal is ingebed. En dan ook nog: er zijn tal van thema’s waar Vlaamse architecten nauwelijks kennis van hebben. Collectieve woningbouw bijvoorbeeld of de taal van de stad. De Amsterdamse stadsontwikkeling bijvoorbeeld blijft toch nog altijd richtinggevend. Er is nog heel veel te doen.” Het gevaar van succes is dat je eraan ten onder gaat, zoals met Superdutch gebeurde. Vlaanderen is wat dat betreft gewaarschuwd. Feit is bovendien dat de positie van de Vlaams Bouwmeester onder druk staat, en het is de vraag of het stimuleringsbeleid overeind blijft, of dat het onder invloed van neo-liberale krachten wordt ontmanteld, Zoals in Nederland, waar architectuur is ondergebracht onder de noemer ‘creatieve industrie’. Aan de andere kant, zo merkt De Kort op: “het feit dat zijn positie wordt bevochten, wil ook zeggen dat de Vlaams Bouwmeester in die vijftien jaar echt iets is geworden: een naam die staat voor architectonische kwaliteit.” kant, zo merkt De Kort op: “het feit dat zijn positie wordt bevochten, wil ook zeggen dat de Vlaams Bouwmeester in die vijftien jaar echt iets is geworden: een naam die staat voor architectonische kwaliteit.”

Tentoonstelling
De tentoonstelling 30 jaar architectuur in Vlaanderen: de wonderjaren in maquettes is te zien in Cultuurcentrum Knokke-Heist t/m 10 januari 2016.

Publicaties
Christophe van Gerrewey: Architectuur België – 25 jaar in 75 projecten (Uitgeverij Lannoo, 2014)
Arch+ #220: Normcore – die Radikalität des Normalen in Flandern, editie zomer 2015

Tekst: Kirsten Hannema
Fotografie: Filip Dujardin, Karin Borghouts, Ulrich Schwarz, Bas Princen,Jean -Francois Flamey

Dit artikel is gepubliceerd in ArchitectuurNL 08 / 2015.

Gerelateerd

Tags: , , , , , ,

    Schrijf een reactie

    Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.