Martijn Al: Van tussentijd tot eeuwigheid

Platform jong talent

Martijn Al: Van tussentijd tot eeuwigheid

Door: Jeroen Junte | 10-12-2013

Landschapsinrichting vergt meestal lange termijnplanning, maar dat hoeft niet. Waarom zou je als landschapsarchitect geen ontwerp kunnen maken dat voorziet in een tijdelijke functionaliteit van vier jaar of minder? Geen probleem, vindt de jonge landschapsarchitect Martijn Al: ‘landschapsarchitectuur is in de essentie een omgang met tijd’. Al speelt graag met actuele thema’s als tijdelijkheid en collectieve ontwerpprocessen, maar zet in zijn ontwerpen ook de trage processen van traditionele landschapsarchitectuur in.

Hergebruik, tijdelijkheid, collectief opdrachtgeverschap – het zijn actuele thema’s in de architectuur en stedenbouw waar de doorsnee landschapsarchitect maar moeizaam mee uit de voeten kan. Immers, het ontwerp en de aanleg van een landschappelijke omgeving vergt een diepgravend onderzoek naar bijvoorbeeld historische vegetatie of bodemsamenstelling; dat laat zich maar moeizaam verenigen met de spontane inbreng van de gebruiker. Daarbij vergt niet alleen dit onderzoek en de realisatie van het ontwerp maar vooral ook de aansluitende ontwikkeling van een landschap soms zelfs ettelijke jaren en is daardoor ongeschikt voor tijdelijk hergebruik.

Bollenvelden in Haarlem

Van deze praktische bezwaren trekt landschapsarchitect Martijn Al (1976) zich weinig aan. ‘Landschapsarchitectuur is in de essentie een omgang met tijd’, verduidelijkt Al, die in 2010 afstudeerde aan de Amsterdamse Academie van Bouwkunst. ‘Dat betekent in veel gevallen een lange termijnplanning maar dat hoeft niet. Waarom zou je als landschapsarchitect geen ontwerp kunnen maken dat voorziet in een tijdelijke functionaliteit van vier jaar of misschien nog minder?’ Zo bedacht hij in 2012 een tijdelijke oplossing voor de vele braakliggende bouwkavels in zijn woonplaats Haarlem. Deze terreinen liggen er doelloos bij. Meestal zijn ze zelfs met hekwerken afgesloten en dragen niets bij aan het leven in de stad. Al bedacht een vorm van hergebruik die aansluit bij het historische imago van Haarlem als de Bloemenstad. ‘Ons plan is om de lege gaten in de stad te gebruiken voor de teelt van bloembollen. Hiermee wordt een verbinding gelegd met zandgronden om de stad waarheen de bollenteelt zich heeft verplaatst. Zo ontstaan op verrassende plekken in de stad plukvelden, spontane bloemenmarkten, fijne plekken voor buurtborrels en fotoreportages en nieuwe toeristische routes door de stad.’

Een alternatief plan voor de bloemenbollenteelt was de aanplant van wilgenbomen op deze lege kavels. ‘Haarlem profileert zich als groene stad. Door wilgen te verbouwen krijgt de stad letterlijk een groener profiel. De wilgenbosjes kunnen voor diverse activiteiten worden gebruikt, zoals een kinderspeelplaats, een doolhofpark of zelfs en timmerwerkplaats waar producten van wilgenhout worden vervaardigd. Op het moment dat de kavels leeg moeten worden opgeleverd, worden de wilgen gekapt. Van deze opbrengsten kan weer een nieuwe lege kavel worden beplant’, zegt Al die in 1999 afstudeerde in Tuin- en landschapsinrichting aan de hogeschool Larenstein in Velp. Een bijkomend voordeel van dit tijdelijke gebruik is dat deze locaties een betekenis en daardoor herkenbaarheid krijgen in de stad. ‘Dat kan positief zijn voor de uiteindelijke ontwikkeling van bijvoorbeeld nieuwbouw.’ Deze inventarisatie van de braakliggende terreinen in Haarlem en het tijdelijke hergebruik ervan resulteerde in een expositie in het lokale architectuurcentrum ABC.

Herinrichting Blokhuisplein Leeuwarden

Een tijdelijke ingreep met een meer structureel karakter was de herinrichting van het Blokhuisplein in Leeuwarden. De opdracht was om de aansluiting tussen het stadscentrum en het cultureel bedrijventerrein in het voormalige detentiecentrum Blokhuispoort te verbeteren. Aangezien ook de toekomst van het cultureel bedrijventerrein onzeker is, koos de gemeente voor een tijdelijk ontwerp voor deze drukke verkeersweg. ‘We hebben met groene en witte coating een streepjespatroon aangebracht op het wegdek. Dit patroon volgde de gevellijn van het marktante gebouw tegenover de het bedrijventerrein. Zo ontstaat een shared space tussen auto’s en voetgangers. De auto’s remmen vanzelf af door het afwijkende wegdek, terwijl de voetgangers zich vrijer voelen om de weg te betreden.’ Deze gewaagde hybride tussen een zebrapad en een autozone bleek goed te werken. De enige klachten die de gemeente kreeg was over het gebruik van de kleur groen. ‘Dat is namelijk de clubkleur van het rivaliserende FC Groningen.’

Bewonersparticipatie in Denemarken

Mogelijkheden voor bewoners om mee te beslissen over de inrichting van een stadsuitbreiding verkende Al met een ontwerp in het kader van Europan 11. De naast elkaar gelegen Deense dorpen Lillerød en Blovstrød werden uitgebreid met zeshonderd nieuwe woningen. Om te voorkomen dat deze dorpjes tegen elkaar aangroeien en het groene landschap verstoppen, ontwikkelde Al een plan waarin niet alleen bebouwing een plaats krijgt maar waarin ook wordt benoemd wat groen is en moet blijven. Het resultaat was een groen park als een sociaal knooppunt tussen de uitbreidingswijk en de twee dorpen. ‘In het ontwerp hebben we ons specifiek gebogen over de overgang van private woonruimte naar het openbare groen. Dat kan met kleinschalige ingrepen als een bankje of een speeltoestel voor kinderen tot voorzieningen als een zwembad of een tennisbaan die de bewoners gezamenlijk kunnen aanleggen.’

Weg met de Afsluitdijk

Hoewel Al graag speelt met actuele thema’s als tijdelijkheid en collectieve ontwerpprocessen, zet hij bij zijn meest recente project juist de trage processen van traditionele landschapsarchitectuur in. Op eigen initiatief startte hij een ontwerpend onderzoek naar een klimaatbestendige IJsselmeerregio. Daarvoor ontwikkelde Al een ‘alternatief deltaplan gebaseerd op natuurlijke erosie en sedimentatie’. Het boude uitgangspunt daarvan is dat de Afsluitdijk deels moet worden geopend. ‘De komende jaren zal er steeds meer sprake zijn van pieken in de waterstand, wat weer tot gevolg heeft dat er op deze momenten meer klei door de IJssel wordt aangevoerd. Door afzetting van deze grond aan de oevers zal het land meegroeien met de waterspiegel. Dit wordt versterkt door de heringevoerde getijdendynamiek.’ Hierdoor hoeven de dijken niet meer voortdurend te worden opgehoogd en verbreed, en ook zal het wegzakken van de veengronden in het land achter de dijken worden gestopt. Er hoeft immers geen water meer worden weggepompt onder het land. Met als resultaat een veilige en klimaatbestendige nieuwe kuststrook. Daarbij biedt de nieuwe delta ook nieuwe recreatiemogelijkheden. ‘Door de harde grens van een dijk is het water nu nauwelijks zichtbaar. Er zal zich een uniek natuurgebied vormen in de overloop tussen water en land.’

Dit prikkelende ontwerp moest uiteraard zorgvuldig worden doorgerekend, waarbij Al ondersteuning kreeg van diverse partners, waaronder Deltaris, Alterra en zelfs een studiegroep van Unicef. Inmiddels zijn de resultaten bijna bekend. ‘Omdat delen van de voormalige Zuiderzee zijn ingepolderd, is het getijdenverschil veranderd. En je wilt toch zeker weten dat Amsterdam niet onder water komt.’

Ook moest worden onderzocht hoe zout het water wordt. ‘Het water wordt brak, waardoor de bestaande ecologie grotendeels in stand blijft. Een veilige buffer tussen land en water wordt gecreëerd door een systeem van dubbele dijken, dat tevens verdere verzilting van de bodem tegengaat.’ Kortom, de alternatieve IJsseldelta is een realistisch scenario. In februari 2014 presenteert Al het complete onderzoek met een expositie en bijbehorend debat in het Nieuw Land Erfgoedcentrum in Lelystad.

De VOC-reflex

Technisch is een natuurlijke delta op de plek van het huidige IJsselmeer mogelijk. Maar is de acceptatie ervan door de burger niet nog een stap te ver? Land teruggeven aan het water staat immers haaks op de Nederlandse volksaard. Deze mentaliteit van strijd tegen het water zit Nederland nog steeds in de weg, meent Al. ‘Het IJsselmeer is nu feitelijk een soort doodwaterbak met een eenzijdig ecosysteem. Door een open verbinding met de Waddenzee vormt zich een spectaculair natuurgebied. Wie weet keert de flamingo wel weer terug.’ In tegenstelling tot bijvoorbeeld de Oostvaarderplassen – ‘dat is eigenlijk één grote dierentuin’ – vormt de nieuwe IJsselmeerdelta een prachtig natuurgebied dat de leefbaarheid en de veiligheid vergroot.

Dat deze historische reflex – De Nederlander tegen het water – diep is verankerd in onze volksaard, zag Al nota bene aan de andere kant van de wereld bij een ontwerp voor de revitalisatie van een VOC-fort bij de stad Cochin in Zuid-India, zijn afstudeerproject aan de Academie van Bouwkunst. ‘Dat was een bijzondere gewaarwording om onder de tropische zon een Nederlands bouwwerk te zien met een typisch Nederlandse beplanting van kaarsrechte bomen- en plantenrijen. Weliswaar hadden de VOC-bestuurders zich geplooid naar de natuurlijke omgeving, want de bomenrijen boden schaduw. Maar tegelijkertijd werd hiermee ook de macht en orde van de VOC uitgedrukt.’

In Nederland zijn de afgelopen eeuwen de binnenzeeën en meren drooggepolderd om het water in te dammen. Vervolgens werd dit nieuwe land afgeschermd met dijken – met als meest extreme voorbeeld de Afsluitdijk. ‘Maar’, zegt Al, ‘we moeten anders leren denken over het maakbare landschap. Al eeuwen lang bouwen we steeds hogere dijken. Misschien moeten we juist langdurige natuurlijke processen gebruiken om het landschap, in dit geval de kust, aan te passen.’

Favoriete historische gebouw? ‘Fort Cochin, een voormalig Portugees/ Nederlands/Engels fort aan de zuidwestkust van India. Fascinerend hieraan is de combinatie van Europese architectuur en buitenruimteontwerp in een exotische omgeving.’
Favoriete hedendaagse gebouw? ‘Eye-filmmuseum in Amsterdam, vanwege de eenheid tussen bebouwing en buitenruimte.’
Favoriete Nederlandse gebouw? ‘Bunker 599 van Ronald Rietveld. Niet iets bouwen maar doorzagen, een verrassende omgang met erfgoed.’
Favoriete hedendaagse architect? ‘Sou Fujimoto, vanwege zijn ontwerpend onderzoek naar de overgang tussen privé en openbare ruimte.’
Favoriete architect? ‘De Amerikaans landschapsarchitect Martha Schwartz, vanwege de sterke grafiek die ze in haar plannen legt.’
Favoriete Nederlandse architect? ‘Michael van Gessel, landschapsarchitect die zijn poëtische ontwerpen steeds weet terug te brengen tot de essentie.’
Wanneer niet in Nederland, vanuit welk land zou je dan willen werken? ‘India, vanwege de grote veranderingen die er nu plaatsvinden, ook ruimtelijk.’
Wat irriteert je het meest in het vak? ‘Gemeentes die zich onder het mom van de crisis steeds meer terugtrekken van de inrichting van de publieke ruimte. Dit kan je niet overlaten aan initiatieven van bewoners.’
Wat is je droomopdracht? ‘Toekomstvisie maken voor alle voormalige V.O.C. forten in India.’
Belangrijkste inspiratiebron buiten architectuur? ‘Land-art projecten van kunstenaars als Robert Smithson en Andy Goldsworthy. Met eenvoudige materialen een groot gebaar maken.’
Meest waardevolle advies ooit? ‘De studie landschapsarchitectuur aan de Academie van Bouwkunst te gaan doen.’

Tekst: Jeroen Junte
Beeld: Martijn Al, Ruben van Vliet

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Ontvang iedere week het laatste nieuws en informatie op het gebied van architectuur in uw mailbox.

Gerelateerd

Tags: , , , , ,
0 Reacties Schrijf een reactie

    Schrijf een reactie

    Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.