Superlofts

project in context

Superlofts

Door: Kirsten Hannema | 18-04-2017

Superloft is een casco open woonruimte, een model voor collectieve woningbouw èn een communityplatform. Architect Marc Koehler bedacht het concept en woont zelf in het eerste voltooide Superloftgebouw in Amsterdam. Er zijn al 8 projecten in uitvoering, en 4 in onderzoek. Begonnen als een  ‘overlevingsmechanisme’ in crisistijd, laat de eerste oogst Superlofts zien dat het project de status van experiment is ontgroeid.

Wat is een Superloft? Architect Marc Koehler, bedenker van het woonconcept waarmee hij genomineerd is voor de Next Step Award 2017 waarmee de BNA ‘excellent jong Europees talent en de rol van de architectuur voor de toekomst van de stad’ wil stimuleren, heeft daarop geen eenduidig antwoord. ‘Superloft is allereerst een casco woning, vijf meter hoog (vandaar het voorvoegsel super) die de vrijheid biedt om je eigen huis in te bouwen. Ten tweede is het een model waarbij kopers samen in een bouwgroep – los van de grote ontwikkelaars – een appartementengebouw kunnen vormgeven. En tot slot is het een communityplatform, voor de uitwisseling van kennis op het gebied van wonen en design.’

Eigen Superloft  

De beste manier om het concept te begrijpen, is door het te ervaren. Laat Koehler zelf zo’n huis bezitten, op de vierde verdieping van het eerste voltooide Superloftsgebouw in de Amsterdamse Houthavens. Een knalrood pand dat met zijn rationele gevelindeling en enorme ramen de industriële sfeer oproept van de oorspronkelijke lofts in de New Yorkse wijk SoHo, waar in de jaren zeventig kunstenaars in oude fabrieksgebouwen trokken. De entreehal met de lift naar boven van dit pand is wel typisch van nu: vrij krap en strak wit gestuukt. Maar het appartement zelf heeft dat ruige waarmee je lofts associeert: een enorme open ruimte met ruwe betonnen muren, de stortnaden nog zichtbaar. Je komt binnen in de dubbelhoge woonkamer, gelegen aan het woningbrede balkon, met fraai uitzicht over de stad en het IJ. Een rechte trap leidt naar boven, waar zich de keuken bevindt met de eethoek, op de vloer die in de vide is gehangen. Via een afstapje kom je aan de andere kant in de studeer/ logeerkamer, de naastgelegen stalen spiltrap leidt naar de slaapkamer beneden. Aansluitend bij het ongepolijste beton, werkte Koehler de ruimtes af met ‘pure’ materialen: marmer, hout, staal. Daar tegenover staat een gezonde portie blingbling: gouden kranen, messing deurknoppen, spiegels en – spektakelstuk – het ligbad dat als een reusachtige lade uit de (spiegel)kledingkast schuift. Designmeubels, (veel) planten en fraai uitgelichte kunstwerken aan de muren maken het loftgevoel compleet.

Droomhuis

Nederlanders dromen van een kasteel, wensen een vrijstaand huis, maar kopen een rijtjeshuis, zo blijkt uit recent onderzoek van huizenwebsite funda. Funda vroeg architecten Dingeman Deys en Jeroen Atteveld om op basis van deze gegevens een huis te ontwerpen, dat fantasie en realiteit met elkaar verenigt: het Fundahuis. ‘Een rijtjeshuis met het ruimtelijke gevoel van een kasteel’, zegt het persbericht. De plaatjes tonen een soort loft. Superlofts biedt een soortgelijke middenweg: bouw je eigen paleisje binnen een gegeven, generieke structuur. Het grote verschil met het fictieve Fundahuis, is dat je een stuk van een woongebouw koopt, waarbij de kosten voor grond en voorzieningen zoals (groene) energie en parkeren worden gedeeld. Daardoor is een Superloft een stuk goedkoper dan een rijtjeshuis – zeker in een stad als Amsterdam. In het pand dat Koehler bewoont, kon je al een casco loft van 85m2 kopen vanaf 200.000 euro (exclusief afbouw, parkeerplaats en erfpacht, inclusief installaties) en met de optie voor een inbouwverdieping waarmee het vloeroppervlak uitgebreid kan worden tot zo’n 130m2. Het casco-model biedt bovendien de mogelijkheid om het huis, al dan niet in etappes, zelf af te bouwen, waarmee je gemakkelijk tienduizenden euro’s bespaart.

Personal brand

Het eerste Superlofts-project is met dank aan de economische crisis tot stand gekomen. Toen in 2008 de bubbel barstte, en de grote ontwikkelaars de financiering voor hun projecten – standaard appartementencomplexen – niet meer rond kregen, besloot de gemeente om de grond te verkopen aan de enige partijen die nog wel over geld beschikten: (collectieven van) particuliere opdrachtgevers en ‘kleine’ ontwikkelaars. Eindelijk, zo verzuchtte Koehler destijds, was de consument aan zet. En het was natuurlijk een prachtige kans voor hem als jonge architect; hij wist samen met een groep kopers drie kavels te bemachtigen en kon ineens een kleine honderd woningen gaan bouwen. Met zijn lezingen over zijn ‘nieuwe’ rol als ondernemende architect trok hij de aandacht van telecombedrijf Vodafone, dat hem vroeg te figureren in hun reclamecampagne over innovatieve start-ups. Zo is het concept ook onderdeel van Koehler’s personal brand geworden. Maar de vraag is: wat levert het op voor de bewoners en de stad? Met Superlofts is een nieuwe typologie aan het palet van Nederlandse woningen toegevoegd, zegt Koehler. ‘Wij waren de eersten die kwamen met vrij indeelbare kubieke meters. De dubbelhoge ruimte, waarbij je kunt ‘spelen’ met wanden én vloeren, biedt kansen om de woning ruimtelijk te verbeteren, met vides en grote glazen gevels. Maar ook de architectuur zelf, met rauwe materialen en een ‘onaf’ interieur, is overgenomen. Het idee is dat je ook in nieuwbouw het loftgevoel kunt ervaren, wonen als in een verbouwd pakhuis, een kerk of een oude school. Inmiddels zie je allerlei varianten op ons project ontstaan.’

Keuzevrijheid voor bewoners

Helemaal nieuw is dit idee natuurlijk niet. Al begin jaren zestig, toen in antwoord op de hoge woningnood de massawoningbouw op stoom kwam, pleitte architect John Habraken voor meer keuzevrijheid op het gebied van plattegronden, en het betrekken van bewoners. Hij introduceerde het principe van drager en inbouw: vaste casco’s met een flexibel binnenwerk dat men naar believen erin kon (ver)plaatsen. Architect Carel Weeber lanceerde in 1997 de term ‘Het Wilde Wonen’ naar aanleiding van een bouwexpositie die de gemeente Almere organiseerde om te onderzoeken of de consument inderdaad een grotere invloed wenst op de verschijningsvorm, de omvang en indeling van zijn woning en wat hiervan het uiteindelijke effect is op een buurt. Hier ging het om vrije kavels waarop kopers welstandsvrij mochten bouwen. Superlofts combineert deze twee ideeën, zich daarbij richtend op stedelijke locaties – Amsterdam, Utrecht, Rotterdam, Delft en Groningen. De woningschaarste in deze steden draagt ongetwijfeld bij aan de snelle verkoop van de lofts; inmiddels zijn er acht projecten in uitvoering en vier ‘in onderzoek’, in Nederland en daarbuiten. Maar het succes zit ’m ook in het feit dat Koehler kopers allerlei rompslomp uit handen neemt. Geïnteresseerden kunnen lid worden van een bouwgroep en formuleren samen de wensen voor een gezamenlijk gebouw, dat Koehler – binnen de richtlijnen van de supervisor – ontwerpt. De bouwgroepleden kopen vervolgens hun loft, de bouw wordt begeleid door het Superloftsteam. Voor de afbouw van de woning zijn de kopers zelf verantwoordelijk. Sommigen timmeren alles zelf, anderen werken met een aannemer of vragen een architect.

Online platform

Hulp vind je ook op het online platform in de vorm van inspiratiebeelden en filmpjes, terwijl de bouwgroepen de mogelijkheid bieden om ideeën en ervaringen uit te wisselen. ‘De ervaring leert dat als mensen een vide in het echt zien, ze hem ineens wel willen’, legt Koehler uit. De zelfbouwverhalen worden straks gepubliceerd inclusief praktische tips, zoals waar heeft hij die keuken geshopt, of: maak die trap net iets minder steil.’ Met Superlofts bedient Koehler een brede groep middenklassers; de bewoners die Amsterdam zo graag in de stad wil vasthouden. Om bedrijvigheid aan te trekken, heb je immers allereerst werknemers nodig. Daarbij komt dat Superlofts een gezonde portie ondernemingszin, creativiteit en betrokkenheid vraagt van kopers; eigenschappen die de gemeente beschouwt als de basis voor een sociaal-economisch gezonde buurt. Het verklaart waarom ook vanuit het buitenland delegaties komen kijken in de Houthavens. Koehler vindt het mooi om te zien hoe de bewoners zich hun huis eigen maken. En geniet vooral ook van zijn eigen stulpje. ‘Ik ga hier niet meer weg’, bezweert hij.

Collectiviteit

Maar Superlofts is meer dan een optelsom van hippe lofts. ‘Op het niveau van de stad heeft het project bewezen dat collectief particulier opdrachtgeverschap – wij spreken van medeopdrachtgeverschap – geen niche-product hoeft te zijn voor een rijke elite of activisten. Wij bedienen met dit product een brede groep mensen. Wat hen bindt is de wil om zich creatief te uiten en de behoefte aan samen zijn.’ Hij leest voor uit de folder: ‘Superlofts is de huizendroom van de deeleconomie. Bouw met een groep gelijkgestemden je huis rond een gedeelde plek: een daktuin of een zwembad.’ Dat gemeenschapsgevoel ervaar je niet direct in het gebouw. De gemeenschappelijke entree en de halletjes rond de lift zijn meer verkeersdan verblijfsruimte. Ze nodigen niet uit om te buurten. Maar dat hoeft ook niet, denkt Koehler. ‘Fysieke collectieve ruimte is geen voorwaarde voor sociale cohesie; ik vind dat een naïeve opvatting. Je zit toch de hele tijd online?

Basecamp

Wij gebruiken Basecamp [een online projectmanagement tool] om te communiceren. Als ik zin heb om met mijn buurman een glas wijn te drinken, dan app ik hem. We hebben etentjes bij elkaar, de vve-vergaderingen, en we delen een dakterras.’ De collectiviteit van Superlofts schuilt volgens hem in het proces: samen bouwen. Dat verliep bij dit pioniersproject nogal moeizaam. ‘Het aantal parkeerplaatsen, de uitwerking van de puien, de verhouding tussen het aantal zonnepanelen en de ruimte voor het dakterras – het was een enorm gesteggel. Alles ging in samenspaak met de groep. Wij haalden ideeën op, maakten een ontwerpvoorstel, daarna werd gestemd, Zelfs de woningprijzen hebben we gezamenlijk bepaald, met hulp van een taxatiemakelaar. Vervolgens haakte er weer iemand af… Dat moet je allemaal zien te managen.

Drie belangrijke lessen

Hij heeft drie belangrijke lessen geleerd. Een: beperk de inspraak. ‘We overleggen nu alleen nog over flexibiliteit, collectieve ruimtes en voorzieningen als parkeren. Het gevelbeeld bepalen wij. Bewoners kunnen hun privéwensen niet goed in verhouding zien tot het publieke belang van de stad. Zij denken aan hun huis, maar over honderd jaar moet het gebouw ook nog goed zijn.’ Twee: de kwaliteit van het proces bepaalt de bereidheid om zaken te delen. ‘Bij het volgende gebouw, even verderop, verliep het overleg soepeler en konden we de energie stoppen in de gedeelde ruimtes. De entree heeft daar heeft wel verblijfskwaliteit, er komt een collectieve moestuin en er is nu al een kookstudio, die als buurtrestaurant functioneert.’ Drie: managen is niet zijn sterkste kant. ‘We besteden dat nu uit, net als de financiële afhandeling en bouwbegeleiding.’ Op deze manier kan de architect zich meer concentreren op zijn rol als ontwerper. Koehler benadert Superlofts als een evolutionair project, waarin hij verschillende aspecten van de woningbouwopgave onderzoekt: sociale interactie, bouwtechniek, duurzaamheid, stedenbouw, interieur. ‘Na dit eerste project hebben we de plattegronden aangepast om de indeling nog flexibeler te maken. Ook de ideeën ten aanzien van het exterieur ontwikkelen zich. Ik twijfel steeds meer aan de generieke gevel; misschien is het wel sterker om de gevel meer op maat voor de plek te maken, zoals we in Delft en Groningen hebben gedaan, daar gebruiken we een bakstenen in plaats van het betonnen frame. De detaillering is ook verfijnder dan bij het eerste blok.’ Op een aantal nieuwe locaties is Koehler een samenwerking aangegaan met ontwikkelaars, wat als voordeel heeft dat kopers niet te hoeven voorfinancieren. Het eerste project, waarin de architect het wiel als het ware opnieuw moest uitvinden, was onrendabel, maar inmiddels lukt het om winst te maken. exterieur ontwikkelen zich. Ik twijfel steeds meer aan de generieke gevel; misschien is het wel sterker om de gevel meer op maat voor de plek te maken, zoals we in Delft en Groningen hebben gedaan, daar gebruiken we een bakstenen in plaats van het betonnen frame. De detaillering is ook verfijnder dan bij het eerste blok.’ Op een aantal nieuwe locaties is Koehler een samenwerking aangegaan met ontwikkelaars, wat als voordeel heeft dat kopers niet te hoeven voorfinancieren. Het eerste project, waarin de architect het wiel als het ware opnieuw moest uitvinden, was onrendabel, maar inmiddels lukt het om winst te maken.

Dit artikel is gepubliceerd in ArchitectuurNL nummer 2 van 2017

Gerelateerd

Tags: , , ,

    Schrijf een reactie

    Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.