Nationaal Glasmuseum Leerdam

Nationaal Glasmuseum Leerdam

Project
Door: Jacqueline Knudsen | 23-11-2010

Projectgegevens

OpdrachtgeverKleurrijk Wonen, Deil
GebruikerNationaal Glasmuseum, Leerdam
ProjectarchitectPeter van Assche
ProjectteamMathijs Cremers, Mick van Essen, Gonçalo Moreira, Gražina Bendikaite, Tereza Novosadová
InterieurontwerpPiet Hein Eek, Geldrop
ProjectmanagementBloeii Advies en Ontwikkeling, Deil
Adviseur constructiesSineth Engineering, Schiphol
Adviseur bouwkostenWM Consult, Oss
Hoofdaannemer Aannemersbedrijf J. van Daalen, Gorinchem
Bruto vloeroppervlakte1.100 m2
Start bouwJuni 2009
Oplevering Juni 2010
Totale stichtingskosten€ 4.000.000 incl. aankoop villa
Bouwsom€ 1.500.000 incl. installaties, excl. inrichting en BTW
TekstJacqueline Knudsen
Foto’sJeroen Musch (1, 3-5), Jacqueline Knudsen (2, 6-10)

Het Nationaal Glasmuseum is in 1953 begonnen in villa Prana aan de Linge bij Leerdam. Na recente renovatie en uitbreiding is het museum uitgegroeid tot schatkamer, laboratorium en kenniscentrum van het Nederlandse glas. De glascollectie wordt nu permanent getoond in de vier abstract vormgegeven loopbruggen die de villa verbinden met het recent aangekochte huis ernaast. De twee villa’s zijn na een bescheiden renovatie geschikt gemaakt voor tijdelijke exposities.

Aan de rand van Leerdam staat de glasfabriek aan de rivier de Linge. In 1953 werd het glasmuseum ingericht in de nabijgelegen villa Prana. Deze villa is in 1914 gebouwd voor Petrus Marinus Cochius, die van 1912 tot 1934 als artistiek directeur van de fabriek o.a. Berlage, de Bazel en Frank Lloyd Wright voor Leerdam glas liet ontwerpen. Sinds de opening van het museum is de villa nooit structureel verbouwd. Vijf jaar geleden voldeed de huidige huisvesting niet meer aan de eisen van het Nationaal Glasmuseum. Een renovatie was hard nodig. Verwerving van de naastgelegen villa Lingesigt bood de mogelijkheid het museum met kantoren te vernieuwen en aan te passen. Villa Lingesigt is in 1912 gebouwd als woonhuis van financieel directeur Bunge van de glasfabriek, net als Villa Prana naar ontwerp van architect Samuel de Clercq (1876-1962). Lingesigt is dubbel bewoond geweest en in vele kamers opgedeeld. Beide huizen liggen aan de dijk, de entree aan de dijk ligt een niveau hoger dan de ruime achtertuin.

Opdracht: renovatie twee villa’s
In 2007, vlak na de verwerving van villa Lingesigt, kreeg architect Peter van Assche van bureau SLA de opdracht beide gebouwen te renoveren voor de huisvesting van het Nationaal Glasmuseum. Daarbij werd vanuit het museum voorgesteld om het oude woonhuis van Cochius te restaureren tot tentoonstellingsruimte, en de nieuw verworven villa te gebruiken voor kantoor, depot en kantine. Dat leek Peter van Assche een onzinnig idee. Het eindbeeld zou ongeveer hetzelfde zijn als wat er al was. Het museum is wel groter, maar dat zie je niet. Een gemiste kans volgens Van Assche: de potentie van de twee gebouwen moest worden benut.

Maximale toegankelijkheid
De architect stelde voor beide gebouwen volledig toegankelijk te maken voor publiek en met elkaar te verbinden. Het personeel zou kunnen eten in het restaurant, het depot zou door het publiek gezien mogen worden, de administratie zou in de bibliotheek gedaan kunnen worden. Het zou echter niet publieksvriendelijk zijn om bezoekers in beide gebouwen de trappen te laten beklimmen en afdalen. Door vier lange loopbruggen te ontwerpen kwam alles op een elegante manier samen. De routing wordt verbeterd, bezoekers kunnen door lange zalen lopen, er is maar één lift nodig en je krijgt er veel ruimte bij. De bruggen lenen zich uitstekend voor de opslag van het depot, dat door de speciaal ontworpen vitrines van Piet Hein Eek maximaal toegankelijk wordt.

Het idee van Van Assche werd met open armen ontvangen door Arnoud Odding, directeur van het Glasmuseum. Hij wil het museum omvormen tot levendige broedplaats rond glas, met behalve expositieruimte ook ruimte voor ontmoeting van glasliefhebbers en -kunstenaars, een laboratorium en kenniscentrum. Dat (bijna) de volledige collectie nu opgesteld kan worden en daarnaast veel ruimte is voor tijdelijke exposities, is natuurlijk geweldig. Het sluit daarmee aan op 19e eeuwse musea, waarin zoveel mogelijk objecten werden getoond ter lering en vermaak. In de twintigste eeuw werden de musea steeds leger en de depots voller. Met het open depot breekt het glasmuseum met deze ontwikkeling. Slechts enkele ruimtes zijn nu niet publiek toegankelijk. Het publieksgedeelte is enorm vergroot en het geheel is veel spannender en dynamischer geworden. De uitbreiding was financieel mogelijk mede doordat de renovatie van de villa’s tot een minimum is beperkt.

Contrast tussen oud en nieuw
In de villa’s zelf was relatief weinig meer nodig, aldus Van Assche: ze zijn al mooi van zichzelf. Daar waar nodig is gerepareerd en zijn latere toevoegingen verwijderd. Vloerbedekkingen, verflagen en later aangebrachte tussenwandjes zijn weggehaald. De kale vloeren, wanden, plafonds en trappen zijn in het zicht gelaten. Ook de leidingen lopen in eenvoudige kokers door de oude kamers. Leuke oude details als lichtknopjes, deurknoppen, wc-doortrekkers en fonteintjes zijn behouden. Waar de vloer te veel was beschadigd, is een gietvloer gestort. Al met al een fraaie ruwe achtergrond voor de glasexposities.

De loopbruggen zijn modern vormgegeven met meerdere lagen polycarbonaat en een huid van grijs strekmetaal. Hierdoor zijn ze overdag abstract en contrasterend met de vormgeving en materialsering van de oude woonhuizen. ‘s Avonds lichten de bruggen op en laten een gloed zien van de glascollectie die erin wordt tentoongesteld. Van Assche heeft met opzet geen glazen loopbruggen gemaakt, dit ligt teveel voor de hand, en bovendien komt het geëxposeerde glas dan minder goed uit: glas in glazen vitrines tegen een achtergrond van glazen gevels zou te veel transparantie betekenen.

Open depot in loopbruggen
De stalen loopbrugconstructie is in de gevels van binnen en van buiten omkleed met wanden van polycarbonaat. De constructie is daarmee zowel aan beide zijden alleen vaag zichtbaar, terwijl een diffuus licht naar binnen wordt gelaten. Ook het plafond bestaat uit panelen polycarbonaat, waarachter de lichtarmaturen zijn weggewerkt. Hiermee hebben de vier bruggen een beleving van een abstracte, lichtgevende ruimte. De loopbruggen zijn één voor één geprefabriceerd op een werf en met een week tussentijd geplaatst op de locatie.

De lange vitrinekasten in de loopbruggen, gevuld met wel met 9.000 stuks glas, zijn door Piet Hein Eek met dezelfde gedachte vormgegeven: strakke elementen van glas en aluminium, naadloos aansluitend aan gietvloer en plafond. De polycarbonaat binnengevel vormt de achterwand van de vitrinekasten. Piet Hein Eek ontwierp overigens ook de vrijstaande vitrinekasten voor de wisselexposities.

De buitenzijde van de loopbruggen is rondom omkleed met grijs gemoffeld strekmetaal van aluminium. Hiermee wordt de abstractiegraad nog verhoogd: er is geen verschil tussen dak, gevel en onderzijde. Door het halftransparante strekmetaal fungeert de gevel als zonwering en als opening voor daglicht. Hier en daar kan in de loopbruggen een raam openschoven worden, het strekmetaal blijft als beschermende huid gesloten.

In de villa’s zijn de stalen windverbanden achter de gevel bij de aansluiting op de loopbruggen duidelijk zichtbaar. Bij brand sluiten automatisch schuifdeuren tussen de loopbruggen en de huizen.

     

Gerelateerd

Tags: ,

    Schrijf een reactie

    Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.