OBA: Pretpark versus subtiele symfonie

OBA: Pretpark versus subtiele symfonie

Project
Door: Redactie ArchitectuurNL | 30-08-2012

De Openbare Bibliotheek Amsterdam (OBA) is de grootste openbare bibliotheek van Nederland. Deze zeven verdiepingen hoge, vrij toegankelijke ruimte is in 2007 een geheel nieuw fenomeen: een ‘belevenisbibliotheek’. Nu vijf jaar na de opening wordt het tijd om terug te kijken: heeft het gebouw de beloften waargemaakt?

Het projectplan van de Gemeente Amsterdam uit 2003 geeft de nieuwe centrale bibliotheek een prominente plek op het Oosterdokseiland, oostelijk van het Centraal Station. Het masterplan voor het gebied bevat een aantal kavels met strikte eisen aan de omvang van gebouwen. Erick van Egeraat heeft tussen de gebouwen een dun steegje vrij gelaten. De uitdaging aan architect Jo Coenen is om daar een gebouw te realiseren dat past binnen de gebruiksplannen van bibliotheekdirecteur Hans van Velzen.

Van Velzen heeft voor die plannen over de hele wereld bibliotheken bezocht. Hij denkt dat de traditionele bibliotheek zijn langste tijd gehad heeft. Het aantal leden loopt al jaren terug. Op een stille leesruimte alleen zit volgens hem niemand te wachten. Hij wil dat zijn bibliotheek een rol speelt als vanzelfsprekend deel van de publieke ruimte: een ‘belevenisbibliotheek’. De belevenisbibliotheek is een ‘culturele supermarkt’ voor een breed publiek en een ‘woonkamer voor de stad’. Belangrijkste attractie van de nieuwe OBA zijn 490 vrij toegankelijke computers met internet. Daarnaast zijn er een expositieruimte, een theater en een restaurant op de bovenste verdieping.

Humanisme

Voor dit type bibliotheek lijkt Jo Coenen niet de meest vanzelfsprekende architect. De visie van Coenen stelt historisch besef en continuïteit met de bestaande bouwtraditie centraal. In zijn ontwerpvoorstellen oriënteert hij zich op het humanisme en de diepe verbondenheid van de Europese cultuur met het boek. In zijn Notities (2010) schrijft hij over de Bibliotheque National in Parijs en de Staatsbibliothek in Berlijn. Plekken waar mensen met eerbied door een ontzagwekkend gebouw lopen. Waar je niets hoort dan knisperen van bladzijden.

Voor de OBA was in een vroeg plan niet in roltrappen voorzien. De bezoeker zou de lange opstijging naar het boek zo fysiek kunnen beleven. Detectiepoortjes had Coenen ook liever vermeden. Door de lage ingang hoopt hij dat de bezoeker ontzag voelt bij het binnenlopen van de grote open ruimte op de begane grond. Coenen gebruikte de metafoor van een symfonie. Het gebouw zal zich langzaam ontvouwen voor de gebruiker die steeds verder doordringt in verdiepingen en hun verborgen studeerhokjes. De combinatie van natuursteen en hout in de gevel versterkt het gevoel van continuïteit met de Zuid-Europese bouwtraditie en het daaraan verbonden humanisme.

De tegenstelling die ligt in deze twee opvattingen over de ideale bibliotheek leidt al bij de bouw tot heftige confrontaties. Coenen, zo luidt de beschuldiging, is te veel met detailvragen bezig en houdt het bouwproces op. De spanningen lopen zo hoog op dat Coenen op enig moment een verbod krijgt om de bouwgrond te betreden. De bibliotheek moet hoe dan ook op 07.07.07 opengaan. De afgesproken opleveringsdatum en, toevallig, de verjaardag van Hans van Velzen.

Stadsbeeld

Verschillende recensenten schrijven bij de opening dat ze niet in staat zijn om al een oordeel te geven over het gebouw. Dit geldt zowel voor de plek in het stadsbeeld als het alledaagse functioneren. Over het stadsbeeld is nog niet veel te zeggen tot het Oosterdokseiland uitontwikkeld was. Dit is nu wel zo. De gevel heeft nog steeds de prettige, rustige uitstraling die het bij de opening al had. Toch roept het gebouw nu wel de vraag op waarom Coenen zo veel moeite in de oostgevel heeft laten steken. De smalle steeg tussen de OBA en het Amsterdams Conservatorium onttrekt deze gevel zoals gepland geheel aan het zicht.

Ook valt op dat het plein voor de bibliotheek zijn definitieve invulling nog niet heeft gevonden. De trappen voor het gebouw zijn op mooie dagen gevuld met bezoekers die van de zon genieten. Dit doen zij echter eerder ondanks, dan dankzij de huidige inrichting. Deze biedt weinig meer dan een trap en een klein terrasje. Na de opening is enige tijd tevergeefs geprobeerd fietsers van een ondergrondse fietsenstalling gebruik te laten maken. Hoewel dit streven opgegeven is, maken de kriskras opgestelde fietsen voor het gebouw nog steeds een ongewenste indruk. Gezien de publieke functie van de bibliotheek lijkt het wenselijk om de ruimte ervóór beter architectonisch vorm te geven.

Ruimte zonder programma

Bij de opening is niet alleen het stadsbeeld onbekend. Ook is nog niet duidelijk hoe het gebouw zich door het gebruik zal ontwikkelen. Door de grote nadruk op die ene openingsdatum is de beginsituatie chaotisch. Recensent Klaas de Jong schreef: ‘De meeste bezoekers lopen rond als in een pretpark, opzoek naar de zoveelste ervaring. Ze vergapen zich aan de inrichting, proberen de witte zitkuipjes uit en pielen wat op een van de computers, om aan het eind van de middag neer te ploffen op […] de bovenste etage’. Daarnaast wordt de professionele uitstraling genoemd. Ontwerper Aziz Bekkaoui maakte voor bibliothecaressen een speciale outfit met bijbehorende parelketting. Het gebruik van veel wit en designmeubelen geeft het gebouw een luxe en moderne uitstraling.

Nu, vijf jaar na opening, blijkt dat bezoekers dubbelzinnig zijn over het alledaagse gebruik. Recensent Klaas de Jong is een trouwe bezoeker geworden: ‘Ik ben er vaak, maar ik beschouw het niet als bibliotheek. Doordat je er niet in stilte kunt lezen is het eerder een ruimte zonder programma geworden’. De Jong bevestigt wel dat het onduidelijk is wat voor toekomst de bibliotheek heeft: ‘Bibliotheken stellen steeds meer digitaal toegankelijke bronnen beschikbaar. Daar heb je geen specifieke bibliotheekruimte voor nodig.’

Het gebruik dat De Jong schetst, geldt voor een belangrijk deel van de bezoekers. Een beetje bladeren door boeken, van het fantastische uitzicht genieten, wat computeren, daarna in restaurant La Place iets gaan drinken. Een boek lenen doen zij vaak niet. Het bezoekersaantal van het restaurant is niet veel kleiner dan van de rest van de bibliotheek. Een man van eind vijftig zegt: ‘Mijn vriendin woont in Oost en ik in Noord. Dan gaan we hier in het midden zitten, meestal in La Place. Dat dat dan 80 miljoen moet kosten begrijp ik verder niet’.

Interieur niet berekend op gebruik

Gebruikers die wel voor de boeken komen zijn vaak minder tevreden. Mensen die een ruimte zoeken om te lezen vinden de bibliotheek doorgaans niet bijzonder geschikt. Voor hen is de ruimte niet de subtiele symfonie geworden die Coenen voor ogen stond. Hoewel het omroepsysteem ondertussen buiten werking is gesteld, staat bij de entree nog wel een vrij te gebruiken piano. Een vrouw van eind veertig die een boek leent, vertelt me dat ze hier nooit langer blijft: ‘Nee meneer, ik haal hier snel mijn reisgidsen en dan ga ik naar huis, want dit is niet voor ons soort mensen’.

Door bezuinigingen zijn de computervoorzieningen weliswaar niet meer vrij toegankelijk, maar ze worden nog wel veel gebruikt. Het brede publiek dat dit aantrekt is het meest aantrekkelijke aspect van het gebouw. In die zin is het inderdaad een woonkamer van de stad geworden. Nu is het juist deze succesvolle rol van het gebouw waarop de inrichting van het interieur niet goed berekend is. Vooral de uitvoering in wit is weinig geschikt voor het publieke karakter van het gebouw. Wie er over denkt om binnenkort een interieur van een publiek gebouw wit te maken zou hier eerst even moeten gaan kijken. De witleren loungebanken, de zitkuipjes, de strakke witte wanden blijken vandalismegevoelig en erg snel vies. Door schoonmaken en overschilderen is dat maar deels opgelost. Zitkuipjes zijn al grijs geschilderd.

In het bijzonder de door interieurarchitect Ingrid Annokkee ontworpen media-afdeling lijkt toe aan een grondige verbouwing. Ook hier zijn de witleren banken met ingebouwde Apple’s beklad en verkleurd. Vanwege ARBO-wetgeving is door Coenen & Co een van karton gemaakte zitplek voor bibliothecarissen geplaatst. Belangrijkste probleem lijkt echter dat de ruimte is gebouwd rond speciale luisterplekken met toegang tot muziekbestanden. Door de opkomst van online muziekdiensten als Spotify is niet geheel duidelijk welke functie dit nog vervult. Van Velzen heeft goed gezien dat de opkomst van online toegang tot muziek, films en boeken de traditionele rol van bibliotheken in twijfel trekt. Desondanks lijkt het aanbieden van die diensten in de fysieke bibliotheek geen vervanging van die rol.

Niet de bibliotheek van de 21e eeuw

Samenvattend ontstaat de indruk dat het gebouw op twee gedachten hinkt. Enerzijds is het een openbare ruimte, ‘een woonkamer van de stad’. Anderzijds toch een bibliotheek, een plek waar mensen specifieke informatiebronnen willen gebruiken. Deze laatste functie is niet geheel opgegeven, maar wordt zonder veel overtuiging vervuld. Alle futuristische beschouwingen ten spijt, ben ik niet overtuigd dat naar zo’n ruimte geen vraag is. Lezen en werken zijn activiteiten die mensen doorgaans liever in een rustige omgeving doen. Een bibliotheek zou dat ten minste deels moeten faciliteren. De vraag hoe een bibliotheek er in de 21e eeuw wel uit moet zien is wat mij betreft nog open.

Nu, precies vijf jaar na de oplevering, loopt het contract tussen Coenen en de OBA af. Dit contract verbood tot nu toe aanpassingen aan het oorspronkelijke ontwerp. De komende jaren kan het gebouw zich dus nog in alle richtingen ontwikkelen.

Projectgegevens

Architect JCAU bv, Jo Coenen
Opdrachtgever Gemeente Amsterdam
Oplevering 2007

Tekst: Jens van ’t Klooster, fotografie: Sjaak Henselmans

Dit artikel is verschenen in ArchitectuurNL 5-2012.

Gerelateerd

Tags: , , , ,