ArchitectuurNL 01 2016 – pag. 25

ArchitectuurNL 01 2016 – pag. 25

Door: | 29-04-2021

VV: Dergelijke opdrachtgevers worstelen altijd met de vraag waar het
collectief begint en het individuele eindigt. Vragen als welke ruimte het
individu en zijn woning inneemt, welke ruimte het collectief inneemt en
of het ontwerp zich naar het bestaande moet voegen of zich er juist van
moet afkeren, daar gaat het om. Daarover kan je als architect meedenken
en je waarde bewijzen.

Een CPO-opdracht begint vaak idealistisch totdat
er keuzes gemaakt moeten worden. Hoe hou je als
architect de boel toch fris?
VV: Het privédeel binnen het collectief waar mensen hun eigen
individualiteit kunnen laten gelden zonder de kracht van het collectief
teniet te doen, vraagt veel aandacht. Je moet een basis ontwerpen, die
zonder kapitaalvernietiging aanpasbaar is aan de woonwensen van zeer
diverse bewoners. Zo’n sterke basis past ook bij opdrachtgevers die voor
CPO kiezen. Ze manifesteren zich als groep en willen dus het voordeel
van het collectief behouden zonder al te veel concessies te hoeven doen
aan hun individuele woonwensen. Anders hadden ze wel voor particulier
opdrachtgeverschap gekozen.
KV: Daarin wil ik nog wel enige nuancering aanbrengen. Ook bij CPO heb
je met beperkte budgetten te maken. Er gaat veel geld zitten in goede
isolatie en toepassing van duurzame materialen. Je zult dus efficiënt
moeten omgaan met de plattegrond om dan toch die gewenste drie
slaapkamers op de verdieping te realiseren. Daarnaast proberen we
ruimte te creëren waar bewoners zelf invulling aan kunnen geven. De
graad van individuele vrijheid binnen een collectief bouwproject is ook
budgetgebonden. Ook dat is de realiteit van CPO.

Hoe maak je dan toch iets dat boven de middelmaat
uitstijgt?
KV: Als ik conceptontwerpen laat zien en opdrachtgevers meeneem naar
voorbeeldprojecten, dan zijn de mensen aanvankelijk erg enthousiast.
Toch kiezen de meesten als het erop aankomt voor een niet al te
gewaagde indeling van hun woning. Wat bekend is, wordt ook vaak als
prettig ervaren. Dat is soms voor ons als ontwerpers wel jammer maar
de klant krijgt wat hij wil en wij blijven onze klanten uitdagen om vanuit
verschillende perspectieven te kijken naar hun wensen.
VV: We zullen altijd blijven stimuleren om te verkennen; we hebben
groepssessies en individuele gesprekken. Dan schetsen we allerlei
voorstellen met open plattegronden en alternatieve mogelijkheden.
Dat wordt eigenlijk altijd als leuk, spannend en anders ervaren, maar
gaandeweg het derde of vierde gesprek, krabbelen veel mensen terug
naar wat ze al van hun eigen woning kennen. Daar heb je als architect
gewoon rekening mee te houden. Mensen die niet vertrouwd zijn met
architectuur worden soms zenuwachtig van ruimtelijke oplossingen die ze
niet goed kunnen duiden. Uiteindelijk ontwerpen wij met overgave voor
iedereen.

Kan je als idealist je ei wel kwijt in CPO?
KV: Het is een logische stap in mijn ontwikkeling als mens en architect.
We zijn op de goede weg, maar ik wil dit niet nog tien jaar blijven
doen. Wat ik er dan toch boeiend aan vind? Bij collectief particulier
opdrachtgeverschap ontwerp je echt voor gebruikers. Door samen aan
de slag te gaan hoef je, ondanks dat niet alle ontwerpvoorstellen het
halen, zeker niet voor de gulden middenweg te kiezen. Uiteindelijk kom
je uit op een ontwerp dat wel degelijk het verschil maakt. Daarnaast stelt

CPO je in de gelegenheid om met de gebruiker over alle keuzes in het
ontwerpproces na te denken. Van de plaats van de badkamer en het
toilet tot aan de kleur van de voegen en het gevelbekledingsmateriaal.
Ondanks de concessies die wij als architect vaak moeten doen – je kunt
maar zelden het statement maken dat je voor ogen had – maakt het
intensieve, individuele traject het eindresultaat voor de gebruiker veel
waardevoller. CPO-projecten hebben daardoor een eigenheid die je bij
een standaardproduct van een ontwikkelaar nooit zult bereiken.

Renz Pijnenborgh wil weten hoe jullie aankijken tegen
gezond bouwen. Brandt los!
VV: Renz heeft het ongetwijfeld gehad over de gemiddelde
nieuwbouwwoningen die als thermoskannen worden uitgevoerd om
de energievraag in te vullen, maar dat is alles behalve gezond bouwen.
Gezond bouwen gaat volgens mij ook over de verhouding tussen jou en
je omgeving en hoe flexibel en toekomstgericht je gebouwontwerpen
zijn.
KV: Ik snap de vraag vanuit zijn perspectief, en begrijp wat hij bedoelt.
Toch is het een lastige vraag omdat hij zo breed is. Op technisch niveau
kreeg gezond bouwen maar spaarzaam aandacht de laatste jaren.
Dat merk je direct aan de meeste gebouwen. Die extra investering
in architectuur die nodig was om gebouwen in meer dan een opzicht
gezond te maken, was er vaak niet. Dat is best gek. Gezonde gebouwen
in een gezonde omgeving leveren aantoonbaar een positieve bijdrage
aan het welbevinden van mensen zowel fysiek als in de geest.
VV: In gebouwen met een nadrukkelijke architectonische kwaliteit,
functioneren mensen beter omdat de verhoudingen van ruimte,
toegepaste materialen en kwaliteit van daglichttoetreding zich positief
verhouden tot de innerlijke behoefte van de gebruikers die er dagelijks
in verkeren. Pas als je die vaak onbewuste behoeftes in kaart brengt en
de middelen krijgt ze in vormgeving te vertalen, ben je gezond aan het
bouwen en ontwerpen. Helaas lopen de meeste projectontwikkelaars niet
warm voor dergelijke, in hun ogen wat vage begrippen. Ze vinden zich
een dief van hun eigen portemonnee als ze investeren in zaken die niet
in spreadsheets passen. Ze ontwikkelen namelijk niet voor gebruikers,
maar voor hun aandeelhouders.
KV: Dat maakt CPO ook zo interessant omdat de gebruiker daarin
centraal staat. Wat ons betreft heeft collectief ontwikkelen de toekomst.
En dan niet de minimum eisen van het Bouwbesluit tot norm verheffen,
maar maken wat nodig is om een optimale woon- en werkomgeving te
realiseren.

Tot slot: Wie van de oude generatie moet ik gaan
interviewen en waarover moet het gesprek gaan?
Wat ons betreft ga je naar Herman Zeinstra. Er is momenteel in het ABC
Architectuurcentrum Haarlem een tentoonstelling waarin hij terugkijkt op
45 jaar werken als zelfstandig architect en beeldend kunstenaar. Onze
vraag aan hem is: In hoeverre is je beeldend werk van invloed op je
architectuur? Is de aandacht voor het detail die we in je werk herkennen
hier ook een voortvloeisel hiervan of zie je dat anders?

25 ArchitectuurNL

22-23-24-25_interview.indd 25 01-02-16 12:24

Gerelateerd