ArchitectuurNL 01 2017 – pag. 19

ArchitectuurNL 01 2017 – pag. 19

Door: | 29-04-2021

Licht in de Sphinx
Bijna 175 jaar vormde het Sphinxterrein aan de noordkant van Maastricht het industriële

hart van de stad. Hier bouwde Petrus Regout in de 19e eeuw zijn porselein-imperium op.

Maar in de loop der tijd verhuisde de productie naar elders en door leegstand verpauperde

het terrein. Met de opening van filmhuis Lumière in de voormalige elektriciteitscentrale

van ‘de Sphinx’, is nu een sterk begin gemaakt met de herontwikkeling van dit gebied.

Op foto’s van tien jaar geleden oogt het
complex volledig vervallen. Afbrokkelende
muren, metershoge varens en struiken in een
ruïneuze omgeving. ‘Het heeft tientallen jaren
leeg gestaan. Als het wind- en waterdicht was
gehouden, had dat wel veel gescheeld’, zegt
architect Joost Wetzel van JHK architecten.
Toch kon de directie van filmhuis Lumière
blijkbaar goed door de chaos heen kijken.
Hier wilden ze naar toe verhuizen, hier
waren ze naar op zoek: de rauwe industriële
sfeer van het voormalige ketelhuis van de
Sphinxfabriek. Na een Europese aanbesteding
kwam de combinatie van JHK-architecten en
het in restauratie gespecialiseerde Verlaan &
Bouwstra-architecten in 2012 als winnaar uit de
bus.

Ingenieus gekoppeld
Vier verschillende gebouwen werden de
afgelopen jaren gerestaureerd, geconsolideerd,
opengebroken en ingenieus aan elkaar
gekoppeld. Lumière bestaat nu uit zes
bioscoopzalen, een restaurant, een café en een
kantoor. Via een gemeenschappelijke entree in
de voormalige timmerwerkplaats, vormen die
delen samen nu heel logisch een eenheid en
een bijzonder horeca- en filmcomplex. Het lijdt
geen twijfel dat dit heel snel de nieuwe hotspot
zal zijn van Maastricht. Hier wil je zitten.
Het oude Lumière was gehuisvest in een
kruipdoor-sluipdoor historisch pand in de
Maastrichtse binnenstad, zo’n 500 meter
zuidelijker. De nieuwe behuizing is compleet
het tegenovergestelde, want in alles ruim
en industrieel van karakter. Wetzel: ‘Het
Filmhuis wilde hier zitten vanwege de
sfeer en historie. Daar waren ze verliefd
op. Dus hebben we ons afgevraagd: Wat is

de essentie van het gebouw? Dat hebben
we proberen te behouden.’ Die essentie
zat ’m in de monumentale en industriële
elektriciteitscentrale en de achterliggende
ketelhuizen, alle drie met ranke stalen
kapconstructies. De centrale (uit 1910)
was stevig gebouwd, sinds 2008 een
rijksmonument en de perfecte plek voor de
gewenste horeca. De twee hallen moesten
dus plek gaan bieden aan zes bioscoopzalen.
Wetzel: ‘Maar als je zalen direct onder de kap
plaatst, raak je het zicht op die staalconstructie
kwijt. Terwijl men dat juist zo mooi vond.’

Demontage en wederopbouw
Het stalen geraamte van de twee ketelhuizen
was verroest, beschadigd en afgebladderd.
‘Toch wilden we die graag restaureren en
opnieuw gebruiken’, zegt restauratiearchitect
Cor Bouwstra. ‘Als je zo’n frame met nieuw
staal opbouwt, verandert het hele beeld, dat
ziet er kunstmatig uit.’ Besloten werd om de
staalconstructie compleet te demonteren,
te zandstralen, waar nodig aan te helen, te
versterken en af te lakken. ‘Je ziet nu dat het
een oude constructie is, met oneffenheden,
klinknagels en bijvoorbeeld de oude hendels
om de daklichten te openen. Dat gevoel van
authenticiteit, dat wilden we behouden.’
Het staal werd gered, maar van het
oorspronkelijke metselwerk van de twee
ketelhuizen bleef weinig bruikbaar materiaal
over. Om de wanden weer op te bouwen (en
ditmaal ook te isoleren) werd een vergelijkbare,
wat onregelmatig gevormde baksteen gezocht
en gevonden. ‘We hebben de metselaars
opdracht gegeven om het niet te netjes te
metselen en te voegen, zodat het wat slordige
en industriële beeld ook daar weer terugkomt.

De kunst was steeds om het niet te mooi te
maken. Je moet niet met een klein kwastje en
een tandenborstel aan de gang gaan in zo’n
gebouw.’ Er is een enorme ingreep gedaan in
deze gebouwen, zegt Bouwstra ‘maar eigenlijk
zie je dat niet.’

Kelderbak
Door de complete demontage van de
ketelhuizen werd het mogelijk om op die plek
een enorme kelderbak te graven en zo ruimte
te maken voor drie ondergrondse zalen. Dat
zorgde ervoor dat er in de hallen genoeg
ruimte was voor de andere zalen én het zicht
op de kapconstructie bleef gehandhaafd.
De kelderbak was technisch complex: ‘Je
zit in het stroomgebied van de Maas, en je
komt mergel tegen: waterdoorlatend.’ Een
overgedimensioneerde betonnen bodem
voorkomt ‘opdrijven’ en lekkage.
De zes bioscoopzalen bieden plek aan ruim
500 bezoekers, bijna een verdubbeling ten
opzichte van het oude Lumière. Het zijn fraaie,
maar bescheiden dozen: betimmerd met
eikenhouten latten. Hier hoef je als bezoeker
nooit naar de juiste zaal te zoeken. De
nummering is lekker oversized en een mooie
vondst: witte stroken tussen het eikenhout
vormen een duidelijk cijfer. Zowel isolatie als
geluid als stoelen zijn ‘state of the art’: Wetzel:
‘In de éne zaal kan in de film een straaljager
opstijgen zonder dat je dat in de zaal ernaast
hoort.’ De grote zalen hebben een parabolische
vorm: achterin wordt de zaal steeds steiler. ‘Je
ziet dan meer mensen om je heen zitten. Dat
versterkt het gevoel van ‘gezellig samen naar
de film’ en je hebt beter zicht op het scherm.
Nog niet eerder zo gedaan in een bioscoop,
volgens de deskundigen van Lumière.

19 ArchitectuurNL

HERONTWIKKELING

18-19-20-21_lumiere.indd 19 23-01-17 09:14

Gerelateerd