ArchitectuurNL 02 2016 – pag. 37

ArchitectuurNL 02 2016 – pag. 37

Door: | 29-04-2021

waarin huizen gebouwd zijn waarin mensen tevreden kunnen wonen,
maar die voor de niet-bewoners van buiten vreselijk lelijke gebouwen
zijn. Dat krijg je als architecten zich niet concentreren op de positieve
emoties die de mensen nodig hebben. Schoonheid in de gebouwde
omgeving ontwikkelt zich namelijk niet vanzelf. Het is een bewuste
activiteit die je als architect moet ontwikkelen om hem in een gebouw te
kunnen vastleggen.

Schoonheid wordt onvoldoende onderwezen?
Misschien hebben de Hogescholen en Academies hun studenten dit
aspect van het vak te weinig bijgebracht. Schoonheid in de architectuur
is geen extra, maar een absolute noodzaak. Als je voor architect
studeert, hoor je te leren begrijpen wat de fysieke, ervaarbare en
zichtbare elementen zijn die schoonheid kunnen oproepen. Daar ligt een
belangrijke taak voor het onderwijs. Gelukkig merk ik de laatste jaren een
hernieuwde belangstelling op dit vlak.

Schoonheid bevordert dus het welzijn en de innerlijke
beschaving?
Dat zou je denken. Toch ben ik voorzichtig die zaken direct met elkaar
te verbinden. Architectuur is namelijk geen kuur tegen het kwaad. Je
moet als mens ook vatbaar zijn voor schoonheid. Daar komt bij dat je
architectuur echt niet met alles kunt verbinden. Als je in een prachtige
omgeving woont, dan is dat fijn omdat je er een positief geladen gevoel
aan kunt overhouden. Dat is een waarde op zich. Woon je in een negatief
geladen omgeving als de Parijse banlieues of het Belgische Molenbeek,
dan maakt dat je niet automatisch een crimineel. Vergelijk het maar
met literatuur. Als je een goed boek leest, dan kan dat een verrijkende
ervaring zijn, maar het maakt lezers geen betere mensen net zomin als
wie niet leest een armoedig bestaand leidt.

Asielzoekers, starters, ouderen, studenten: het
huisvestingsvraagstuk is veelomvattend. Is het geen
tijd om dit probleem met een soort Deltaplan te lijf te
gaan?
Het zou buitengewoon aanmatigend zijn als Herman Zeinstra wel even
vertelt hoe het moet. Dat kan niemand, we zullen het met z’n allen
moeten doen. Natuurlijk is het in zijn algemeenheid belangrijk dat er
in woningbouw een cultuur ontstaat die mensen een zo aangenaam
mogelijke woonomgeving en huisvesting biedt, maar hoe je zo’n cultuur
organiseert, is een buitengewoon complex spel met veel spelers en
factoren. Het is dus een illusie te denken dat we dat vraagstuk vanuit mijn
discipline kunnen aansturen. En een Deltaplan is veel te eendimensionaal
gedacht omdat het voorbij gaat aan wat de huidige problematiek is.
Zijn dat asielzoekers, starters, studenten of betaalbare huurwoningen?
De werkelijkheid is, dat we met het oplossen van het ene probleem het
andere probleem creëren. Daar komt bij dat er niet één aanwijsbaar
woningbouwprobleem is. We moeten steeds opnieuw middelen vinden
waarmee we actuele problemen te lijf gaan. Zo is het leven, het is helaas
niet anders.

Iets heel anders. Ik las dat schetsen bij uw
ontwerpproces hoort. Waarom?
Als ik ontwerp, laat ik al schetsend mijn fantasie de vrije loop. Dat lukt
me niet op een computer omdat daar alles in millimeters moet. Ongeveer
snapt zo’n ding niet. Een potlood daarentegen volgt m’n hand en al

schetsend ga ik van idee naar idee en kan ik nog van alles veranderen.
Ik praat, denk, communiceer, genereer en verander al schetsend.
Vandaar dat ik tot in een heel ver stadium met handschetsen een
ontwerp uitwerk. Bovendien bewaar ik al m’n schetsen om zo mijn eigen
ontwerpgeschiedenis en gedachtesprongen per opdracht vast te leggen.
Uiteraard maak ik wel dankbaar gebruik van de mensen van mijn bureau
die mijn schetsen razendsnel in goede 3D-modellen kunnen vertalen.

Kim Verhoeven en Vincent Valentijn van Studio Pekka
willen weten in hoeverre uw beeldend werk van invloed
is op uw architectuur?
Er is geen relatie in de zin dat je mijn beeldend werk direct terugziet
in een gebouw van mijn hand. Beeldend bezig zijn is wel van invloed
op mijn manier van denken en ontwerpen. In beeldende kunst
experimenteer ik volop met vormen en onverwachte patronen. Ik
stimuleer mijn creativiteit door mijn gedachtespinsels over werkelijkheid
en voorstelling de vrije loop te laten. Dat heb ik in hoge mate bij mijn
kunstwerken gedaan en diezelfde gedachtespinsels vind je terug in
mijn denken over vormgeving van gebouwen. Een voorbeeld? Als
kind wilde ik een houten kistje maken met hoekverbindingen met lijm
en onzichtbare nageltjes. Mijn vader was niet enthousiast over dat
idee juist omdat ik het vernuft van de verbinding onzichtbaar wilde
maken. Hij zei me dat als ik het echt mooi wilde doen, een perfecte
zwaluwstaartverbinding beter was. Dan zie je hoe het kistje in elkaar zit,
hoe het gemaakt is en wat de functie van de verbinding is. Een wijze
les die ik nog steeds toepas. Een gebouw moet namelijk nabijheid
kunnen verdragen en dat lukt alleen als je het ontwerp tot in detail
zorgvuldig uitvoert. Het ervaarbaar maken van hoe een gebouw zich
bijvoorbeeld staande houdt, is een belangrijk element van de waardering
die passanten voor een gebouw kunnen opbrengen. De ambachtsman
beïnvloedt dan de kunstenaar en de kunstenaar de ambachtsman.

Heeft u nog een advies voor de jonge generatie?
De wil om iets te bereiken is vaak belangrijker dan het absolute talent
dat je hebt. Waar het om gaat, is gedrevenheid. Er kwam eens een klas
schoolkinderen bij ons op bezoek. Er was een jongetje bij dat aan een
van mijn collega’s vroeg wat hij moest doen om architect te worden. Hij
zei dat hij goed zijn best moest doen en zeker nog tien jaar hard moest
studeren. De moed zonk het ventje in de schoenen. Mijn collega zei dat
het ook anders kon en wees naar mij. Ik zei hem dat hij alleen heel, heeel,
heeeeel erg graag architect moest willen worden. Het ventje straalde.
Behalve het heel graag willen, moet je ook oefenen, oefenen, oefenen,
durven mislukken en opnieuw beginnen. Practice leads to excellence.
Het gevaar dat daarbij op de loer ligt, is dat excellence verward wordt
met drang naar perfectie en dat gaat domweg niet samen met de drang
naar avontuur en het onbekende. Het gaat niet om perfectie, maar om
dingen willen maken, gedrevenheid en je vak goed willen doen. Zoek
naar de zuivere toon en vind je eigen interpretatie. Ook als het resultaat
heel anders klinkt dan de componist bedoelde.

Tot slot: Wie van de jonge generatie moet ik gaan
interviewen en waarover moet het gesprek gaan?
Donna van Milligen Bielke. Ze won de Prix de Rome met een fantastisch
project en is met het geld dat ze won ook echt naar Rome gegaan. Daar
moet je het maar met haar over hebben.

37 ArchitectuurNL

34-35-36-37_interview.indd 37 04-04-16 15:28

Gerelateerd