ArchitectuurNL 04 2017 – pag. 30

ArchitectuurNL 04 2017 – pag. 30

Door: | 29-04-2021

Creativiteit is voor haar in het moment zijn. Als zij creatief bezig is, denkt
ze aan niets anders dan waarmee ze bezig is, omdat ze in de flow is.
Afaina de Jong (1977) werd in de vorige editie van ArchitectuurNL door
Caroline Nevejan uitgenodigd als representant van de jonge generatie.
Het gesprek moet op aangeven van Nevejan onder meer gaan over
haar werk in Amsterdam-Zuidoost. In dit stadsdeel wonen meer dan
140 nationaliteiten die dikwijls plezierig met elkaar samenleven. Veel
inwoners zijn gewend elkaar op straat te ontmoeten. In de zomer geeft
dit een typische Zuidoost sfeer op straat. In de winkelgebieden leidt de
aanwezigheid van groepen soms tot geluidsoverlast en zwerfvuil. Om
overlast van de groep hangvolwassen van 40 jaar en ouder goed te
leren begrijpen, kreeg Afaina de Jong van het stadsdeel de opdracht
een omgevingsonderzoek te starten. Vraagstukken waarover zij zich
boog, waren of en waarom deze hangouderen overlast veroorzaken en
of er geen betere ontmoetingsplek voor volwassenen te verzinnen is.
Voor een antwoord op deze en andere vragen bedacht De Jong een
speciaal Billboard House, waar iedereen zijn mening over dit onderwerp
mag geven. Het publiek kon er in gesprek gaan over hoe het de overlast
ervaart, of waarom ouderen zich op bepaalde plekken in de openbare
ruimte verzamelen. Wat ze in de gesprekken onder meer ontdekte, is dat
bewoners behoefte hebben aan eigenaarschap. Als de ruimte waarin
je je tijd doorbrengt, beter aansluit op de behoefte en identiteit van de
mensen, dan is er meer eigenaarschap dan wanneer de gemeente maar
wat neerzet. Zo werd een publieke discussie gevoerd over van wie de
publieke ruimte nu eigenlijk is.

Gevraagd naar wat zij kenmerkend voor haar en haar generatiegenoten
vindt, zegt ze dat toen zij rond 2002 aan het afstuderen waren, er heel
veel werd gebouwd in Nederland. Er waren veel leuke en spannende
bureaus zoals MVRDV en NL Architects, die vrij waren en geen enkel
experiment schuwden. Architectuur was volgens haar toen avontuurlijk.
Alles kon, overal was geld voor en je kon humor toepassen in
architectuur. Haar generatie zag het vak als een startpunt voor creativiteit.
Het vak was altijd al veel breder dan alleen maar gebouwen maken,
en in haar ogen blijft dat zich uitbreiden. Bovendien kan je gebouwen
gebruiken als een communicatiemiddel. In haar optiek is architectuur
zo langzamerhand de humor van toen een beetje kwijtgeraakt, wat ze
verklaart aan de hand van de crisis. In die roerige jaren ontstond een
soort splitsing. Aan de ene kant waren er jonge architecten die zich
heel praktisch opstelden. Ze wilden het liefst echt bouwen en als ik dan
naar hun portfolio’s kijk, zie ik veel ‘grijze’ dozen die je in willekeurig
welke nieuwbouwwijk aantreft. De verbeelding en spanning zijn in die
ontwerpen ver te zoeken. Aan de andere kant zag je een generatie
beginnende architecten die er in die jaren niet tussenkwamen en ander
werk moesten verzinnen. Achteraf gezien had mijn generatie de wind
mee, waardoor er ruimte was voor avontuur, een brede blik en dromen.

Op internet lees ik dat je door je fascinatie voor de
hedendaagse stad architectuur ging studeren. Wat
fascineerde je als 18-jarige zo aan de stad?
Ik ben in Amsterdam opgegroeid en zag mijzelf altijd als een stadsmeisje.
Ik ging elke dag met de tram naar school en keek m’n ogen uit. Je had
punk, hiphop en krakers. Dergelijke straatculturen waren spannend. Er
was altijd wel wat aan de hand in de stad en ik probeerde er de betekenis
van te doorgronden. Bovendien was mijn vader architect, waardoor ik
al in een soort mind state terecht kwam. Hierdoor ontwikkelde ik een

interesse voor de stad en zijn bewoners. Ik wilde begrijpen wat de codes
van die straatculturen waren, wat hun effect op het dagelijkse leven in
de stad was en of je ze kon vertalen naar een gebouwontwerp. Met die
belangstelling in mijn achterhoofd kwam ik in Delft terecht. Of ik er last
van heb gehad dat mijn vader architect was? Zeker niet. Ik vond het zelfs
wel handig. Als ik er met detailleren niet uitkwam, dan maakte hij me
wegwijs.

Je geeft les aan de TU Delft. Wat probeer jij je
studenten bij te brengen?
Wat ik belangrijk vind, is dat studenten een soort voeling ontwikkelen
met het straatniveau. Er wordt naar mijn smaak te vaak ontworpen vanuit
de computer, waardoor je wel erg makkelijk kunt opgaan in de vorm en
het perspectief. Je bent dan alleen met het gebouw bezig, terwijl het in
mijn ogen minstens zo belangrijk is, dat je leert je te verplaatsen op het
niveau van het maaiveld en de plek waar je wilt bouwen. Probeer die plek
te doorgronden. Sta stil bij de vraag wat er aan de hand is op die plek en
wat je met een ontwerp wilt bereiken. Dat gaat het beste als studenten
leren zich te verplaatsen in de gebruiker van hun gebouw door naar
zichzelf te leren kijken als waren ze die gebruiker. Wie dat doet, maakt
ontwerpen met meer tactiliteit en verbinding met de realiteit van de
omgeving. Als je dat niet doet, maak je op zijn best een mooi ding, maar
daar heb je niet zoveel aan. Er zijn meer dan genoeg ‘mooie’ gebouwen
die helaas vaak niet goed op hun omgeving inwerken. Maar let op: naar
de plek gaan, er tweehonderd foto’s schieten en nooit meer terugkomen,
werkt niet. Waar het om gaat, is dat je de plek echt leert doorgronden.
Alleen dan kan je ontdekken wat een katalysator kan zijn voor positieve
veranderingen op die plek.

Hoe zie jij de toekomst van het vak?
Ik dénk dat er altijd bouwmeesters blijven die mooie en belangrijke
gebouwen maken, maar ik hóóp dat we in de nabije toekomst veel
meer vanuit een ‘start-up’-mentaliteit gaan denken. Architecten moeten
zelf gaan verzinnen wat er op een bepaalde plek gaat gebeuren en
dan zelf die plek gaan aanpakken. Nu laten we het initiatief over aan
projectontwikkelaars en dat is bepaald geen garantie voor goede
gebouwen. Maar denk ook aan de slechte plekken in de stad. Waarom
zou je afwachten tot de lokale overheid is doet? Eigen je zo’n plek
toe en onderzoek hoe je met creatieve ingrepen kwaliteit aan de
gebouwde omgeving kunt toevoegen. Dat geeft interessante situaties.
Daar gaat het om. Daar ligt de toekomst van het vak. Verder hoop ik dat
er onder architecten meer belangstelling komt voor een architectuur
die een katalyserende werking kan hebben. Een soort pop-up of light
architecture die er met een bepaald doel maar tijdelijk is. De wereld
verandert steeds sneller en vanuit dat perspectief is het best gek dat
we nog steeds gebouwen maken, waarvan we vinden dat ze minstens
honderd jaar moeten meegaan. Door die steeds snellere veranderingen
in de samenleving weet je als architect bovendien nauwelijks op welke
toekomstige eisen en wensen van gebruikers je moet inspelen in je
ontwerp. Gebouwen oprichten die honderd jaar of langer meegaan, lijkt
dus steeds zinlozer.

Wat is het probleem van steden als Amsterdam?
Probleem van grote steden is, dat er ontzettend veel woningen bijkomen,
maar dat iedereen uiteindelijk toch in het centrum wil zijn. En dan kan
je wel kiezen voor compact stapelen tot ver voorbij de stadsrand, als je

30ArchitectuurNL Tekst Peter de Winter Fotografie Martin Wengelaar

28-29-30-31_interviewafainadejong.indd 30 28-08-17 15:00

Gerelateerd