ArchitectuurNL 04 2018 – pag. 25

ArchitectuurNL 04 2018 – pag. 25

Door: | 29-04-2021

goed voorbeeld daarvan is The End of Sitting: een opdracht uit 2014 van
toenmalig Rijksbouwmeester Frits van Dongen. De vraag waarmee hij ons
uitdaagde, was om fundamenteel na te denken over de Rijkswerkplek
van de toekomst. Het was een open vraag waar we als bureau nog alle
kanten mee op konden.

Welke weg sloegen jullie in?
De meeste architecten zullen een gebouw gaan ontwerpen vanuit het
idee hoe het kantoor van de toekomst er in hun ogen uit moet zien. Ons
vertrekpunt was het menselijk lichaam. Waar wij naar keken, was hoe
je je lichaam op een andere manier in de ruimte zou kunnen bewegen.
Aanleiding was: ‘Zitten is dodelijk’, een grote kop in de NRC boven een
artikel over de gevaren van zittend werken. Wat wij ons afvroegen, was
wat die mededeling zou betekenen als je hem vertaalt naar ‘het kantoor’
waarin de meeste mensen toch minstens acht uur zittend doorbrengen.
Door te denken vanuit handelingsmogelijkheden en het menselijk
lichaam als ontwerpuitgangspunt te nemen, bevrijdden we ons van
stoelen en tafels als archetypes van kantoorinrichting. Wij wilden een
antwoord geven op de vraag hoe je je lichaam op een meer actieve
manier in de ruimte een plek kunt geven. Daarbij gingen we grondig te
werk. Bij elk project doen we ook altijd diepgaand historisch onderzoek.
Als je wilt weten waar je naar toegaat, moet je weten waar je vandaan
komt. Je moet je verhouden tot de geschiedenis. Voor The End of Sitting
onderzochten we hoe de werkplek door de eeuwen heen evolueerde.
We kwamen tot de slotsom dat hoe hip een kantoorconcept ook is, het
eindresultaat bijna altijd neerkomt op stoelen en tafels. Maar wat als
die er niet meer zijn? Wat als we het kantoor van de toekomst niet gaan
benaderen vanuit de architectuur, maar vanuit de mens en dan terug
gaan denken naar wat dat voor de architectuur zou kunnen betekenen.
Dat is typerend voor de denk- en werkwijze van onze studio: radicaal aan
de andere kant van het spectrum beginnen en dan terugdenken. Precies
tegenovergesteld werken van wat je normaal gesproken zou doen.
Dat gaat niet vanzelf. Het kost ons maanden denkwerk voordat we met
ontwerpen kunnen beginnen. Uiteindelijk kwamen we tot een complex
ruimtelijk ontwerp, zonder een stoel of tafel, dat volgens ons het kantoor
van de toekomst benadert.

RAAAF werkt locatiespecifiek en ontwikkelt
strategische interventies. Levert dat betere
architectuur op?
Denken vanuit het principe van strategische interventies, betekent dat
de ingreep niet op zichzelf staat, maar exemplarisch is voor een groter
idee. Als het appelleert aan een groter idee is het ook makkelijker te
communiceren naar een groter publiek en werkt het ook op andere
plekken. Waar het ons om gaat, is dat het ontwerp goed gekozen is
qua locatie en dat het een zorgvuldig ontworpen ingreep is die nieuwe,
gewenste ontwikkelingen in gang zet. Heel veel architectuur staat
namelijk te veel op zichzelf en zet géén nieuwe ontwikkelingen in gang,
althans, niet de ontwikkelingen die je in een bepaald gebied wilt hebben.
Dat geldt zeker ook voor de publieke ruimte. Die wordt steeds meer
geprivatiseerd en is goeddeels verstoken van slimme interventies. Als
je bijvoorbeeld een nieuw stuk stad ontwerpt, moet je voordat je iets
gaat neerzetten eerst stilstaan bij de vraag wat voor publieke ruimte je
wilt creëren. Wat mij interesseert, is hoe je met architectuur en publieke
ruimtes een nieuwe collectiviteit in een stad kunt bewerkstelligen.

Hoe bereik je die nieuwe collectiviteit?
Nadenken over welke betekenis je aan de publieke ruimte kunt geven
in plaats van eenzijdige focussen op grondopbrengst en zoveel mogelijk
dure woningen verkopen. Je zou eerst fundamenteel moeten nadenken
over hoe je met wie in wat voor soort gebouwen wilt samenleven. Als
het erop aankomt, is dat zelfs belangrijker dan de uitstraling van de
architectuur. Het gaat daarbij om wat je met architectuur teweeg wilt
brengen in de publieke ruimte, om gedeelde verantwoordelijkheid,
sociale interactie en ontmoetingen faciliteren. En dat alles
locatiegebonden en bedacht op het snijvlak van architectuur, kunst en
filosofie. Dat vraagt een ander soort houding in het nadenken over de
mensen waarvoor je werkt, maar is beslist nodig. Wonen moet uiteindelijk
toch een soort ruimtelijk feestje voor de bewoners zijn.

Wat stoort je aan jonge architecten?
Dat ze al heel snel denken aan hoe ze geld kunnen verdienen. Ik snap
dat je rond moet komen, maar vooral aan het begin van je loopbaan zou
het goed zijn als je op de eerste plaats aandacht besteedt aan wat je
wilt bereiken in architectuur en wat je fascinaties zijn als het om het vak
gaat. De antwoorden op dergelijke essentiële vragen zet je niet op een
achternamiddag op een rij. Ideeën moeten rijpen en daar heb je tijd voor
nodig. Hoe triest is het niet om te zeggen dat je de crisis nodig had om
een andere koers te kiezen. Kom op zeg. De juiste koers uitzetten, is
een zaak van je hart durven volgen en dat zou je sowieso moeten doen,
economische malaise of niet.

En dat valt of staat met een autonome houding?
Beslist! Ik zie om me heen best veel schijnbaar activistische architecten
die ‘zomaar’ in de val lopen van marktgericht werken als er gebouwd
moet worden. Als ze jong zijn hebben ze nog een pretentieuze agenda,
maar die stort als een kaartenhuis in elkaar zodra er een opdrachtgever
in beeld komt. Als je daadwerkelijk een nieuwe bijdrage aan het vak
wilt leveren, nieuwe wegen wilt inslaan en ruimtelijke denkbeelden wilt
ontwikkelen, dan kies je voor een autonome houding. Durf ook nee te
zeggen tegen een opdracht en te kiezen voor je vrijheid. Dat is de enige
manier om je tot een autonoom ontwerper te ontwikkelen. Niet een
opdrachtgever, maar jij bepaalt de agenda en de thema’s waaraan je wilt
werken. Begrijp me niet verkeerd, er zijn ook architecten die in opdracht
mooie en verfijnde gebouwen maken. Daar is niks mis mee. Niet iedereen
hoeft een uitzonderingspositie op te zoeken, maar pretendeer dat dan
ook niet. Waar het uiteindelijk om gaat, is dat je liefde, aandacht en tijd in
een werk kunt stoppen. Daar ligt wat mij betreft de grens.

Wat frustreert je als het om architectuur gaat?
Dat talentvolle jonge mensen die ineens boven komen drijven niet de
tijd en de vrijheid nemen en krijgen om zich verder te ontwikkelen.
Het moet allemaal snel, snel, snel. Dat geldt overigens voor meer
disciplines. Tijdsdruk om te presteren en publiceren is funest voor de
doorontwikkeling van talent. Talent is op zijn best het startpunt van
een boeiende ontdekkingstocht. Verder gaat het om gedrevenheid,
experimenteren, durven mislukken en opnieuw beginnen.

Tot slot. Wie van de oudere generatie wil je dat ik
opzoek en waar moet ons gesprek over gaan?
Daar ga ik eens diep over nadenken.

25 ArchitectuurNL

22-23-24-25_interview.indd 25 27-08-18 15:10

Gerelateerd