ArchitectuurNL 06 2016 – pag. 35

ArchitectuurNL 06 2016 – pag. 35

Door: | 29-04-2021

en dwars terug. Zo’n draagvlak organiseer je het best als je bewoners,
ondernemers en andere gebruikers in co-creatieve processen bij
de gebiedsontwikkeling betrekt. En met co-creatie bedoel ik niet
inspraak, maar aan de voorkant van het proces de vraag van iedereen
inventariseren. Daarmee organiseer je niet allen draagvlak, het brengt
ook oplossingen naar boven waar je zelf niet opkomt. Ik noem dat
‘verrassend logische inzichten’. Logisch is wat voor buurtbewoners
vanzelfsprekend is, verrassend gaat om dingen die je zelf zo snel niet
zou bedenken. Buurtbewoners weten bijvoorbeeld vaak precies waar ze
een buurtcentrum willen en welke functies je erin moet onderbrengen en
ouderen geven aan dat ze best hun grote huis uitwillen als ze in de buurt
maar een gelijkvloers appartement kunnen betrekken. Hoe je een wijk
het beste kunt aanpakken, ontdek je in mijn optiek alleen als je intensieve
gesprekken aangaat. Je moet dus veel ogen en oren in een wijk
organiseren. Als je vertrouwt op de dialoog met bewoners, dan zal dat
de kwaliteit van de wijkontwikkeling verrijken. Het wordt er economisch
en exploitatietechnisch beter op als je de ideeën van de buurtbewoners
meeneemt in je plannen.

Hoe organiseer je die ogen en oren in de wijk?
We werken met studenten die een fascinatie hebben voor de
maatschappelijke opgave en mensen in het algemeen. Hun achtergrond
is heel divers. We begonnen met architectuur- en stedenbouwstudenten,
maar inmiddels werken we ook met studenten sociale geografie,
economie, medicijnen en bedrijfskunde. Dat rijke palet aan
studierichtingen was van meet af aan de opzet van de Veldacademie.
We wilden hoe dan ook interdisciplinair werken. De vormgeving van het
sociaal ruimtelijk domein is namelijk buitengewoon complex. Je hebt
er naast woningbouw ook te maken met vraagstukken op het vlak van
hygiëne, gezondheid, werkgelegenheid en sociale en economische
problematiek. Wat er speelt in wijken gaat over zoveel kennisvelden
en waarom zou je daar niet evenveel studierichtingen aan koppelen.
De studenten zijn onze voelsprieten in de wijken. We laten ze per
discipline observeren en gesprekken aanknopen. Zo krijgen we inzicht in
netwerken en wijkstructuren en hoe die functioneren. Vanuit die kennis
kunnen we snel sleutelfiguren in de wijk aanwijzen. Daardoor kan de
voortgang van een wijkontwikkeling soepeler verlopen. Als architect kun
je dergelijke complexe materie nooit alleen behappen.

Hoe zou je probleemwijk Molenbeek aanpakken?
Laat ik vooropstellen dat we geen wijken aanpakken. We leveren
kennis, netwerken en sleutelfiguren waarop een probleemeigenaar zijn
beleid kan afstemmen. Ik denk echter wel dat we met onze aanpak van
toegevoegde waarde kunnen zijn in een wijk als Molenbeek. In dit type
wijken – en nu generaliseer ik – wordt er nogal sectoraal ingegrepen.
Dus bij overlast door jeugd, wordt Justitie en de dienst onderwijs erop
afgestuurd en komt er een project om de boosdoeners op het rechte
pad te krijgen. Bij sociaal-economische problematiek organiseert
men een schuldhulpverleningsproject en is de buurt te somber, dan
verschijnen er plantenbakken op de stoep. Er wordt veel te weinig
vanuit een integraal perspectief gekeken. Als Veldacademie schaken
we op alle velden tegelijk en proberen zo relaties te visualiseren. Door
verbindingen tussen zaken als onderwijs, schuldhulpverlening, overlast,
kwaliteit van woningen en gezondheid in kaart te brengen, kan je veel
slimmer ontwikkelen. In wijken als Molenbeek is de problematiek dermate
complex dat je er nooit uitkomt als je de zaak niet integraal aanpakt.

Als integraal aanpakken de oplossing is, waarom
gebeurt het dan zo weinig?
Onze maatschappij is heel sterk op sectoren en specialismen ingericht.
Als je naar diensten en overheden kijkt, dan organiseert iedereen zijn
eigen beleidsveld en probeert van daaruit zijn eigen interventies te
plegen. In onze maatschappelijke cultuur – en zeker in de beleidscultuur
van de overheid – vind je nog heel weinig expertise om vanuit integraliteit
te denken. We roepen het wel, maar we zijn er niet goed in. Dat heeft
vooral te maken met de afstand die we hebben tot het werkveld. Ook
wordt er veel teveel op de korte termijn beslist. Alles moet binnen
vier jaar gebeuren en dat staat op gespannen voet met oplossingen
bedenken die wel werken. Daar heb je een lange adem voor nodig.

Wat is je belangrijkste advies aan jonge architecten
die in de stedelijke omgeving aan de slag willen?
Leer luisteren en observeren. Als je die eigenschap ontwikkelt, kan je
de vraag veel beter interpreteren en vanuit die vraag een veel betere
ruimtelijke ontwikkeling voorstellen. De architect die als designer elk
willekeurig pand neerzet, gaat het niet redden in de toekomst. Of jongelui
zich dat realiseren? Steeds meer. De aanstormende generatie is zich veel
beter bewust van waar het in essentie om gaat.

Waaraan merk je dat?
Aan hun manier van communiceren. De jongere generatie legt veel meer
nieuwsgierigheid aan de dag en staat stil bij de vragen als: ‘waar zit je
mee en hoe kan ik je daarbij helpen’. Of dat met de tijdsgeest te maken
heeft, weet ik niet. De gedrevenheid en nieuwsgierigheid, om er achter te
komen wat de wijkbewoner als gebruiker van het stedelijk gebied nodig
heeft, zijn enorm groot. Daar word ik blij van. Het voedt mijn motivatie om
zelf ook ondernemend en nieuwsgierig te blijven.

Ooit spijt gehad dat je niet meer actief bent als
bouwend architect?
Nee. Ik wil met mijn creativiteit ontwikkeling in gang zetten. Dan maakt
het me niet eens zo heel veel uit of het om een gebouw gaat of om een
wijkontwikkeling, een zorginnovatie of een onderzoekswerkplaats als
de Veldacademie opzetten. Ik speel graag een rol in ondernemende,
creatieve ontwikkelprocessen. Dat drijft me. Daar komt bij dat ik nooit
echt afscheid genomen heb van bouwen. Ik ben er alleen op een andere
manier mee bezig. Veel meer aan de voorkant, in de programmafase en
zelfs als ontwikkelaar.
Dat geldt ook voor het gebouw waar we nu zitten. Dit was de
voormalige busremise van de RET en stond al tien jaar leeg. We hebben
met verschillende partijen onderzocht hoe we aan deze plek een
nieuwe betekenis konden geven. Wat ons voor ogen staat, is er een
ontmoetingsplek van maken gericht op talentontwikkeling om zo een
koppeling tussen wijk en haven te organiseren. Mijn rol is niet die van
de architect, maar van creatief denker die helpt het transformatieproces
vorm te geven.

Tot slot. Wie van de jonge generatie moet ik gaan
bezoeken en waar moet ons gesprek over gaan?
Annet van Otterloo is een van de drijvende krachten achter Stichting
Freehouse, die werkt aan collectieve ontwikkeling van de publieke
ruimte, met creatieve en culturele producties. De Afrikaanderwijk
Coöperatie is een succesvol voorbeeld van deze wijkontwikkeling.

35 ArchitectuurNL

32-33-34-35_interviewotto.indd 35 29-11-16 14:24

Gerelateerd