De Stuurlui: stad als netwerk

Architect, Cross-overs en co-creatie, Platform jong talent

De Stuurlui: stad als netwerk

Door: Jeroen Junte | 12-05-2012

Het stedenbouwkundige bureau De Stuurlui wil bewoners zeggenschap teruggeven over hun wijk en stad. Dat doen ze met een Koppelaar, stadslandbouw of een simpele strip asfalt. De Vinexwijk dient daarbij als voorbeeld – van hoe het niet moet welteverstaan. ‘Uiteindelijk moeten de bewoners zelf in actie komen.’

Co-creatie bij complexiteit

‘Dit is hoe wij werken’, zegt stedenbouwkundige Frank de Volder (1975). Met stedenbouwkundige en landschapsontwerper Marijke Bruinsma (1978) vormt hij het stedenbouwkundig bureau De Stuurlui. Op de krappe eet- en vergadertafel in hun Amsterdamse kantoor liggen geen duimdik manifest of stapels schetsen rondom een ingenieuze maquette. Zelfs geen laptop of iPad waarop wervelende computeranimaties zijn te zien. Er ligt slechts één A3-tje waarop een aantal gekleurde cirkels staan die met lijnen zijn verbonden. In het midden staat een grote cirkel waarin met grote letters De Stuurlui staat.

‘Wij geloven in samenwerking’, zegt De Volder. ‘We delen een werkruimte op de Amsterdamse Wallen met een aantal zelfstandige ontwerpers, waarmee we ook regelmatig samenwerken. Samen heten we Atelier De Wal.’ De reden voor de uiteenlopende samenwerkingen is de steeds complexere opgave waarvoor ontwerpers staan, meent De Volder.

‘We kunnen niet alles weten. Soms is het juist heel verhelderend om aan tafel te zitten met iemand die heel anders naar een probleem kijkt. In andere disciplines gebeurt het ook.’ Op het schema is het netwerk zelfs gespecificeerd in kleuren: de groene cirkels zijn landschapsarchitecten, de bruine zijn de stedenbouwkundigen en rood zijn architecten. Bruinsma: ‘Over vijf jaar werken we nog steeds met zo’n schema, maar dan met veel meer cirkels.’

Jullie hebben zelf ook een verschillende achtergrond. Frank is een ambachtelijk stedenbouwkundige; Marijke is naast stedenbouwkundige ook tuin- en landschapsontwerper. Is dat niet lastig schakelen soms?

‘Die verschillen zijn juist onze kracht’, zegt Bruinsma. ‘Frank is praktisch en exact, vooral van de grote lijnen uitzetten voor een stedenbouwkundig plan of strategie. Hij staat echt met beide benen op de grond. Ik kijk vaak meer intuïtief naar een ontwerp. Hoe moet dit voor bewoners aanvoelen en vooral hoe gebruiken en beleven ze de ruimte?’

Wat was jullie eerste gezamenlijke opdracht?

Bruinsma: ‘Voor de prijsvraag Casa Nova hebben een wijkje ontworpen met 45 woningen in het dorpje Schipluiden bij Delft. Inspiratie was het oorspronkelijke boerenerf. Het voorerf was een siertuin met een prieel en een boomgaard voor het huis; het achtererf was functioneel met schuren, kippenhok en moestuin. Dit hebben we vertaald naar huizen met een dorps stenig erf en een landelijk groen erf.’

De Volder: ‘Achter de huizen liggen weilanden met sloten. Het dorp krijgt zo een logische aansluiting op het achterliggende platteland, terwijl het contrast tussen bebouwing en groen in tact blijft.’

Een mission statement op jullie website luidt: stad is stad en land is land. Opmerkelijk, het afgelopen decennium is met tuinsteden en Vinexwijken de overgang tussen beide gebieden vloeiender geworden.

De Volder: ‘Wat is er mis met een grote stad? Nog steeds neemt het aantal mensen dat in een stad wil wonen toe. Steden moeten dus verdichten. Dat kan ook. Binnen de ring telt Amsterdam ongeveer 700 duizend inwoners. In Parijs woont op eenzelfde oppervlakte een veelvoud daarvan’

Bruinsma: ‘Tegelijkertijd kan zo het groen in tact blijven. Neem bijvoorbeeld de noordrand van Amsterdam. Daar staan flats pal aan de weilanden van Waterland. Die haarscherpe grens zorgt voor contrast en helderheid. Vanaf het Centraal Station sta je in twintig minuten met de fiets tussen de koeien in de weilanden. Het alternatief is uitgestrekte tussengebieden die allemaal op elkaar lijken. Rotterdam en Den Haag zijn zelfs bijna aan elkaar vast geplakt in een brij van Vinexwijken die allemaal op elkaar lijken.’

De Volder: ‘In de Bijlmer zijn de flats gesloopt en vervangen door grondgebonden woningen. Dat werkt dan even. Maar na verloop van tijd zie je dat hier dezelfde problemen ontstaan als toen er flats stonden in een leegte van groen. Er had juist gekozen moeten worden voor verdichting in de vorm van gedifferentieerde woningbouw van hoog en laag. Nu wordt de Bijlmer de zoveelste Vinexwijk.’

Wat is er toch mis met de Vinex?

De Volder: ‘Boven alles de schaal. In een keer 30 duizend woningen plannen in een afgebakend gebied, dat is vragen om problemen.’ Bruinsma: ‘Als ontwerper, bij Karres en Brands landschapsarchitecten, hebben we de wijk De Draai in Heerhugowaard ontworpen zonder rechte straten maar met kromme straten die in breedte en lengte variëren. Het kan dus wel anders.’

De Volder: ‘Door de crisis worden projecten kleinschaliger, dat is winst. Vijf jaar geleden moest er snel een ontwerp worden gemaakt, omdat er weer ergens een paar weilanden waren vrijgekomen. Geld was geen probleem. De huizen werden toch wel verkocht. Maar nu denkt een ontwikkelaar wel drie keer na voordat hij een handtekening zet onder een ontwerp.’

Een opvallend klein ontwerp voor een stedenbouwkundig bureau is Het Eethuis. Hoe is dit groene paviljoen tot stand gekomen?

Bruinsma: ‘Het verticaal groen en stadslandbouw zijn twee actuele thema’s. Maar groene gevels zijn vaak complex en vergen een duur onderhoudsysteem. Tegelijkertijd doet stadslandbouw een aanslag op de beperkte openbare ruimte in een stad. Daarom heb ik in samenwerking met Atelier Gras uit Rotterdam deze twee thema’s verbonden in één tijdelijk gebouw voor een tuinenfestival.

Om een duurzaam systeem te maken hebben we gebruik gemaakt van bestaande materialen; als het gebouw wordt afgebroken kunnen alle materialen weer moeiteloos worden opgenomen in het systeem. De constructie bestaat uit steigerbuizen met betongaas. Hierin zijn traditionele groentekratjes geplaatst met daarin een groeizak. Het ontwerp is gebaseerd op het archetypische puntdak, zodat mensen het meteen als huis herkennen.’

Het ziet er fris en vrolijk uit. Maar levert het ook een substantiële voedselproductie op?

Bruinsma: ‘Natuurlijk. Eetbare groente gebruiken alleen als geveldecoratie is onzin. De temperatuur is door de beschutting redelijk constant en onkruid krijgt geen kans. Er groeiden sla en knolgewassen maar ook eetbare bloemen. In totaal groeiden er 65 gewassen.

Voor het kortlopend festival Dag Hap in Den Haag hebben we vervolgens een grote versie gemaakt, De Eetfabriek. In de Eetfabriek zat een restaurant dat draaide op de oogst van de fabriek zelf. We zijn nu in contact met een camping in de duinen om een eethuisje te maken voor de verhuur. Het leuke van dit systeem is juist dat het ook toegankelijk is voor dit soort kleine bedrijven en horecaondernemers. Als je een beetje inventief bent, kun je het zelfs toepassen op je balkon of achtertuin.’

Wat is het nut van zulke stadslandbouw?

Bruinsma: ‘Het heeft een educatieve functie, niet alleen voor kinderen maar ook voor bewustwording over de voedselproblematiek. Mensen willen tegenwoordig weten waar hun voedsel vandaan komt, en wat erin zit. Trouwens, zelfverbouwde groente is gewoon lekkerder.

Daarbij kan stadslandbouw bijdragen aan de sociale cohesie in een wijk. Op een hondenpoepgrasveldje tussen de flats in een achterstandswijk de Wiekslag in Capelle aan den IJssel heb ik op initiatief van een bewonersvereniging een buurttuin ontworpen, ook met Atelier Gras en Stichting Dock. Het gaat veel wijkbewoners vooral om een plek om elkaar te ontmoeten. Al moet je hier de economische redenen niet uitvlakken. Een seizoen gratis groente is voor sommige gezinnen een forse besparing. Daarvoor is 10 vierkante meter tuin al genoeg.’

Zijn er naast stadslandbouw voedsel nog andere manier om wijkbewoners – letterlijk en figuurlijk – aan de praat te krijgen?

Bruinsma: ‘Onder de noemer Onze Machine hebben we voor de voormalige veenkoloniën in Drenthe een proces ontwikkeld waarbij de bewoners betrokken worden bij de ontwikkeling van hun regio. Dit gebied gaat gebukt onder problemen. Er is economische achterstand, vergrijzing, krimp, slechte voorzieningen, noem maar op. De afgelopen decennia zijn er tal van plannen bedacht. Maar de bevolking voelde zich daarbij niet gehoord.

Wij hebben een Koppelhuis bedacht waar bewoners eigen initiatieven kunnen aanmelden. Deze ideeën worden vervolgens in kaart gebracht door een Koppelaar, die initiatieven die van elkaar kunnen profiteren vervolgens bij elkaar brengt. Uiteindelijk moeten de bewoners zelf aan de slag om deze ideeën te realiseren.’

De Volder: ‘Maar het is belangrijk dat de Koppelaar de regie houdt. Je moet bewoners aan de hand nemen. Anders krijgt iedereen beetje zijn zin en is het resultaat een bloedeloos compromis. Je kunt niet iedereen tevreden stellen.’

Geef je hiermee het ontwerpproces niet uit handen?

Bruinsma: ‘Nee. Voor New Orleans hebben we in samenwerking met landschapsarchitect Jacques Abelman onder de noemer Community Happens een plan gemaakt voor de revitalisering van een groot braakliggende blok. De kern van de kavel wordt een community centre en een boerenmarkt. Daaromheen hebben we een strip asfalt voorgesteld. Daar mogen de bewoners mee doen wat ze willen. Op zondag een carboot sale, op maandag een blockparty van rappers en dj’s, enzovoort. Om de strip liggen moestuintjes voor de bewoners. De oogst daarvan kunnen ze verkopen op de boerenmarkt.’

De Volder: ‘We scheppen een kader maar de bewoners moeten vervolgens zelf in actie komen. We bepalen wat ze kunnen doen maar zeggen niet wat ze moeten doen.’

Gepubliceerd in ArchitectuurNL 04 2012

Gerelateerd

Tags: , , , , , , , , ,

    Schrijf een reactie

    Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.