Stedenbouwer met minimale zorgzucht

Architect, Interview

Stedenbouwer met minimale zorgzucht

Door: Peter de Winter | 03-02-2015

Ton Schaap heeft een ontembare nieuwsgierigheid naar de stad en wil alles ervan doorgronden. Als stedenbouwer zoekt hij altijd naar manieren om een nieuw project vanzelfsprekend op het bestaande publieke domein te laten aansluiten. Om dat voor elkaar te krijgen, is een maquette onmisbaar omdat die je verrast met onverwachte zichthoeken. Wie dat gegeven negeert, laat mogelijkheden liggen. Hij is de negende kandidaat in de interviewestafette. In de vorige editie werd hij uitgenodigd door Janjaap Ruijssenaars.

Architect Janjaap Ruijssenaars, de vorige kandidaat in de interviewestafette, hoorde op de Benno Premselalezing van Mark Wigley dat de onzichtbare, virtuele ruimte en de zichtbare fysieke ruimte niet meer apart gezien moeten worden. Hij wil van senior stedenbouwkundige van Amsterdam Ton Schaap weten of dergelijke ontwikkelingen invloed hebben op zijn stedenbouwkundig werk. Schaap vindt het een interessante vraag. Er wordt volgens hem al heel lang gespeculeerd over de functie van de virtuele ruimte. De wereld zou gaan bestaan uit een verzameling geclusterde interieurs. De buitenkant van gebouwen wordt bijzaak. Dat heeft hij altijd een tamelijk afschuwelijk vooruitzicht gevonden en volgens hem zou het zo’n vaart niet lopen. De ‘echte’ openbare ruimte is namelijk de kern van stedenbouw en dan heb je geluk dat er in een stad als Amsterdam al veel openbare ruimte is die mensen kennelijk aangenaam vinden. Schaap weet nog goed dat er twintig, dertig jaar geleden stemmen opgingen dat de openbare ruimte een achterhaald idee was, een soort veredeld pretpark met weinig relevantie voor de werkelijkheid. ‘Tegelijkertijd kon je ook toen al zien dat allerlei talkshows op tv plekjes zochten in Amsterdam met een groot raam waardoorheen je de tram door de stadse drukte kon zien rijden. Ook toen al zocht het virtuele van de tv contact met het concrete van het echte publieke domein. Er is klaarblijkelijk behoefte aan een concrete openbare ruimte waar mensen andere mensen zien, langs elkaar heen kunnen lopen om elkaar soms te ontmoeten. Dat is waar de stad over gaat. De fysieke openbare ruimte is namelijk extreem relevant voor de digitale openbare ruimte. Dat is ook het grote verschil tussen de lift en de straat. Je kunt een hoog gebouw wel verticale stad noemen, maar het verbindende element is de lift. Niet gunstig. Iedereen die in een lift staat, houdt even zijn adem in tot het afgelopen is, terwijl wie over straat op weg is naar iets zich in een prettig tussenmoment bevindt. Een aangename onderbreking van de sleur of de saaiheid van een vergadering’.

Klinkt mooi, maar nu graag vertaald naar de IJ-oevers

Een van de belangrijkste aspecten bij de ontwikkeling van de IJ-oevers was dat we geen stad van torens, maar van straten en kades wilden maken. Daarvoor waren twee belangrijke redenen. Met straten en kades creëer je openbare ruimtes waar mensen elkaar kunnen zien en herkennen. Doordat je de hoeveelheid straten maximaal houdt, beperk je de hoeveelheid liften die je nodig hebt. Dat is letterlijk goed voor het klimaat op de havenpieren waar het bijna altijd waait. We moesten zorgen voor beschutte routes om te fietsen en te lopen. Tegelijkertijd behielden we vanuit de woningen het zicht op passanten. In mijn optiek is het mooiste uitzicht vanuit een huis namelijk niet de horizon of de wolken, maar andere mensen. Zeker in de stad waar de meerderheid van de huizen tegenwoordig door één persoon bewoond wordt. Daarom is hoogbouw op de IJ-oever zeer beperkt ingezet. Vergelijk het Wester IJdock maar met De Rotterdam van Koolhaas. Twee complexen van gelijke omvang. Vanaf dag één waren de straatjes van het IJ-dock gevuld met Amsterdamse rommeligheid terwijl het gebied rond De Rotterdam een kille in zichzelf gekeerde bedoening is.

Wat zijn uw meest geslaagde projecten en wat had bij nader inzien anders gemoeten?

Op die manier kijk ik niet naar m’n werk. Ik put de meeste voldoening uit het geheel. Zo is het IJ een voorkant van Amsterdam geworden met een bebouwing die de schaal ervan aankan. Het voelt stads en Amsterdams zonder dat we met trapgeveltjes en grachtenpandjes zijn gaan historiseren. Als ik nu aan de vroegere achterkant het station verlaat en het Muziekgebouw, Eye en Overhoeks zie, dan denk ik: ja, dit is ook stad geworden. Amsterdam heeft nu een soort Venetiaans waterfront waarmee de vergissing van Pierre Cuypers, die met zijn station Amsterdam van het IJ afsloot, goeddeels is weggepoetst. Een kroon op al het werk. Wat ik bij nader inzien anders zou doen, is de supervisie op het Haveneiland, onderdeel van IJburg. We maakten daarvoor een grid met een maximaal gevarieerde invulling en dat zijn we toch weer gaan superviseren met een comité onder wie Felix Claus, Aart Oxenaar, Frits van Dongen, Michael van Gessel, Kees Rijnboutt en ik, zei de gek. We hadden daar veel liberaler moeten zijn. Weliswaar was het hier en daar dan mooier of lelijker geworden, maar dat kan dat grid best hebben. Je moet niet bang zijn voor minder geslaagde gebouwen. Een schoonheidskoningin heeft immers altijd een paar lelijke vriendinnetjes. Dat hoort erbij. Waar mogelijk dus volstrekt liberaal. Ik heb namelijk een hekel aan de totaal geplande omgeving zoals de Bijlmer. Je voelt je daar als mens zo nietig omdat je de indruk krijgt dat over al je gangen is nagedacht. In mijn optiek moet je steeds zoeken naar manieren waarop de individuele mens maximaal aan zijn trekken komt. Bemoei je er niet meer mee dan strikt noodzakelijk is. Zoek naar de stedenbouw van het minste paternalisme. Het minimum aan zorgzucht. In het programma voor IJburg is de sociale rechtvaardigheid al gewaarborgd.

Wat is de essentie van het vak stedenbouwer?

Een stedenbouwer moet een ontembare nieuwsgierigheid naar de stad hebben en alles ervan willen doorgronden. Het publieke domein in al zijn breedte is op zijn beurt de kern van de zaak. Het virtuele publieke domein evengoed als dat van het openbaar vervoer, van de straat en van het plein. Als stedenbouwer zoek je altijd naar een manier om een nieuw project op een vanzelfsprekende, natuurlijke manier te laten aansluiten op het publieke domein dat er al is. Daarvoor moet je de identiteit van een gebied doorgronden. De ‘hit and run’- methode van een gebouw opleveren, fotograaf erbij, bericht in de krant en op naar het volgende project, is niet de manier van de stedenbouwer. Je kunt niet elke twee jaar van opvatting veranderen. Je hebt je maar te richten op zaken die langer meegaan dan de waan van dit moment. De architectonische modes bezie je vanuit je ooghoek. Je holt er niet als een gek achteraan. Dat geeft maar ongelukken. Als stedenbouwer moet je stilstaan bij de geschiedenis en je realiseren wat bleef en wat voorbij ging. Een straat of een plein gaat nooit voorbij en dat gegeven moet je in je plannen betrekken. Ontwerpers en stedenbouwers willen graag iets nieuws maken. Bij voorkeur anders en beter dan hun voorgangers. Dat is een onbescheiden drive die in elke ontwerper zit. Dient zich een nieuwe ontwikkeling aan, dan denkt de gemiddelde ontwerper dat het zijn handvat is voor een nieuw soort architectuur of stedenbouw. Dat was de introductie van de auto en dat is de digitale revolutie net zo zeer. Het is echter een misvatting dat de virtuele wereld het denken over stedenbouw op zijn kop zet. Dat is niet zo, denk ik. Hooguit ten dele.Neem winkelen per internet. Dat is funest voor kleine en onaantrekkelijke binnensteden. Tegelijkertijd jaagt het de stedelijkheid en drukte in de wel aantrekkelijke binnensteden gigantisch op. Ga maar eens naar Maastricht. Op zaterdag kan je daar over de hoofden lopen.

Wat wilt u de nieuwe generatie meegeven?

Ik vind het heerlijk om aan de jonge generatie les te mogen geven. Wat ik ze bij kan brengen, is het ruimtelijke vakmanschap. Maak ruimtelijk wat je idee is en probeer erop te reflecteren. Begin daarbij altijd eerst met een maquette, dat is veel belangrijker dan een 3D-model. De huidige generatie is fantastisch, maar heeft de neiging iets te veel te Googelen. Binnen de kortste keren heeft een student drie A0 posters vol met referentiebeelden, het ene nog mooier dan het andere. Een eigen idee omzetten in een maquette is echter wat anders. Het ontwerp moet je uiteraard in 3D tekenen, maar als je het niet eerst fysiek maakt, krijg je het nooit onder controle. De maquette is namelijk het ultieme ontwerpmiddel. Altijd. Dat was drieduizend jaar geleden al zo en dat is over drieduizend jaar nog steeds zo. Wat ze ook verzinnen met computers.

Wat is de toegevoegde waarde van een fysiek model?

Ik denk dat het in essentie gaat om macht over de materie. Daarvoor is een maquette het beste instrument. Een maquette kan je veel beter verrassen met niet gekozen zichthoeken. Het gevaar van een model in een computer is dat je onwillekeurig steeds kiest voor de zichthoek waaronder het ontwerp er het beste uitziet. Intussen neem je jezelf te grazen omdat je vele andere zichthoeken negeert. Ze zitten wel in het apparaat, maar niet in je hoofd. Maquettes daarentegen zet je op tafel. Daar kan je omheen lopen. Kortom: wie de maquette overslaat, laat veel mogelijkheden liggen.

Tot slot. Wie van de jonge generatie wilt u dat ik ga interviewen en wat wilt u van hem weten?

Joep Mollink, van MOPET architecten. Hij is onder meer verantwoordelijk voor het ontwerp van een collectief woongebouw op Steigereiland. Hoe ziet hij de rol van de stedenbouwer en waar ziet hij kansen voor architectuur? Waar ik ook nieuwsgierig naar ben, is waar hij denkt dat vernieuwingen in het bouwen te verwachten zijn.

Fotografie: Martin Wengelaar

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Ontvang iedere week het laatste nieuws en informatie op het gebied van architectuur in uw mailbox.

Gerelateerd

Tags: , , , ,

    Schrijf een reactie

    Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.