Interview Floris Alkemade

Interview

Interview Floris Alkemade

Door: Peter de Winter | 12-09-2016

Rijksbouwmeester Floris Alkemade vindt het onzinnig dat regeltjes de jonge generatie architecten stelselmatig buitenspel zetten, maar zegt ook dat het altijd moeilijk geweest is om aan de bak te komen. Om jong talent toch een kans te geven, wil hij elk half jaar een prijsvraag organiseren waarbij het niet om portfolio, omzet en reputatie gaat, maar om briljante en innovatieve ideeën. Alkemade is de twintigste kandidaat in de interviewestafette. In de vorige editie werd hij uitgenodigd door Donna van Milligen Bielke.

In het interview in de vorige editie van dit blad wees Donna van Milligen Bielke Rijksbouwmeester Floris Alkemade aan als interviewkandidaat. Ons gesprek moet onder meer gaan over de eisen die aan aanbestedingen worden gesteld en die het erg moeilijk maken om als startende architect zelfstandig te groeien. De Vlaamse Bouwmeester geeft de jongere generatie een kans door naar portfolio’s te vragen in plaats van naar omzetcijfers en gebouwde referenties. Maakt kansen creëren voor jonge architecten ook deel uit van uw agenda? Alkemade steekt van wal met te zeggen dat het beslist niet zo kan zijn dat je door ‘regeltjes’ een hele generatie architecten stelselmatig buitenspel zet om er in één adem aan toe te voegen dat het voor jonge architecten altijd moeilijk geweest is om aan de bak te komen. Hij begon eind jaren tachtig bij OMA en het bureau balanceerde in die begintijd voortdurend op de rand van faillissement. Maandenlang was er nauwelijks geld voor salaris. Het was nachtenlang doorhalen om een bepaalde mate van geloofwaardigheid op te bouwen. ‘Op een gegeven moment zaten we zelfs zo krap bij kas dat er geen geld was voor tekenpapier. We werkten in die tijd nog op tekentafels en sommige collega’s hadden geheime voorraadjes papier om toch maar te kunnen werken. Afzien en ploeteren horen bij de beginjaren van een bureau. Dat is zwaar en hard, maar is een essentieel onderdeel van het vormen van een praktijk.’

Want?

Het leert je erkennen en herkennen wat je kwaliteiten zijn, wat je toevoegt aan het bestaande, wat nodig is in de markt en hoe je daarop kunt inspelen. Het is een combinatie van bluf en heel hard werken. Letterlijk een zoektocht naar de rechtvaardiging van je eigen bestaan. En dat werkt louterend, maar het is een fase waar elk architectenbureau doorheen moet. Als gevolg van de crisis is het vandaag de dag moeilijker voor starters dan vroeger, maar dat geldt ook voor bestaande bureaus. De beroepsgroep is letterlijk gehalveerd. Echt goede architecten zijn genadeloos onderuit gegaan of hun bureaus krompen tot eenmanszaak. De markt is zich opnieuw aan het definiëren. Het is dus zeker niet zo dat alleen de jonge generatie lijdt, maar dat neemt niet weg dat ik het belangrijk vind om speciale aandacht te geven aan jonge bureaus. Nieuwe namen en ideeën verdienen volop de ruimte.

Hoe vertaalt zich dat in de praktijk?

Samen met Architectuur Lokaal hebben we de manier van aanbesteden onderzocht en wat daarin de kwetsbaarheden zijn. Wat zegt bijvoorbeeld de wetgeving en wat wordt bepaald door de interpretatie ervan? Wat je in de praktijk ziet, is dat heel veel aanbestedende diensten de competenties die ze vragen gaan stapelen waardoor je de toelating op oneigenlijke gronden nodeloos zwaar maakt. In de praktijk kom je zo altijd op dezelfde namen uit en iedereen die er niet bij hoort wordt buiten spel gezet. Dat mechanisme moeten we doorbreken. Er is inmiddels een rapport over verschenen en we werken aan een handzame samenvatting met als belangrijkste aanbeveling niet alleen te kijken naar competenties, omzet en aantallen referenties. Die zijn maar beperkt houdbaar want het verloop op bureaus is zo groot dat de persoon die verantwoordelijk was voor een bepaald project er waarschijnlijk niet eens meer werkt. Voltooide projecten zijn dus zeker geen garantie voor succes.

Is ‘A home away from home’ een stap in de goede richting?

Dat ging over een samenwerking met het COA waarin we om ideeën vroegen voor innovatieve huisvestingsoplossingen. Allereerst voor vluchtelingen, maar in het verlengde daarvan ook voor anderen die een goed thuis zoeken. We hebben daarbij niet geselecteerd op namen en portfolio’s. We stelden nadrukkelijk dat het niet ging om een volledig uitgewerkt plan – daar wilden we de deelnemers niet nodeloos mee belasten – maar om een goed idee. Inzenden was anoniem zodat wij ons konden focussen op de kracht van het idee. Het resultaat van die aanpak is dat we onder de twaalf genomineerden totaal nieuwe namen zagen verschijnen. Kennelijk werkt het als je niet de portfolio, de omzet en de reputatie beloont, maar wat bedacht werd. En ik kan je verklappen dat er gerenommeerde bureaus meededen die niet genomineerd zijn.

Bent u onder de indruk van de creativiteit?

Zeker. De 366 inzendingen vormen sowieso een prachtig reservoir aan ideeën. En we gaan niet alleen de genomineerden en de winnaars aandacht geven. We hebben een website opgezet waarop we bijna 200 van de inzendingen laten zien om het gedachtegoed en de ideeënrijkdom te kunnen exploiteren. De zes winnaars krijgen een bijdrage om een prototype schaal 1 op 1 te realiseren. Ik noem dit voorbeeld omdat met deze vorm – een ideeënprijsvraag – ineens heel andere namen naar boven komen. Ik wil dit middel veel vaker gaan inzetten, misschien wel ieder half jaar, en aan de hand van een actueel thema ontwerpkracht mobiliseren. En als gezegd gaat het me niet om een uitgewerkt plan, maar om een goed idee en om budget beschikbaar stellen om goede ideeën te vertalen naar realiseerbare plannen. Zo belast je ontwerpers niet nodeloos met wéér een enorme berg werk waar ze niet voor betaald krijgen. Als je je wilt richten op innovatie en vernieuwing, moet je eerst achterliggende ideeën leren kennen.

Is het geen tijd voor een Deltaplan waarmee we de huisvestingsproblematiek definitief gaan oplossen?

Dat probleem moeten we inderdaad oplossen, maar niet met een Deltaplan. Dan is het weer de overheid die bepaalt en stuurt. Waar het om gaat, is welke ontwerpkracht we kunnen inzetten om woningbouw lichter te maken. Een generatie geleden kon een kostwinner zich vrij eenvoudig een eengezinswoning veroorloven. Vandaag de dag zuchten zelfs goedverdienende tweeverdieners tot hun 67ste onder loodzware hypotheeklasten voor een dak boven hun hoofd. Starters, eenoudergezinnen en mensen met een laag inkomen vallen buiten de boot. Kunnen we voor die groepen geen betaalbare woonvormen verzinnen zonder concessies te doen aan de woonkwaliteit. De oplossing is deels te vinden in slimmere units bouwen, maar ook door de enorme leegstand die we hebben op een slimmere manier benutten.

Leegstand wordt toch al volop getransformeerd?

Klopt, maar waar die transformatie nodeloos duur van wordt, is dat de markt het leegstaande vastgoed zoveel mogelijk op doorsnee Vinexwoningen en appartementen probeert te laten lijken. Is het niet een veel interessantere gedachte om in een gebouw dat niet gemaakt is voor woningen abnormale woningen te maken? Aanvaard maar dat die woningen vreemde vormen hebben. Aanvaard maar dat je een kantoor met minimale ingrepen geschikt maakt als woning. Je hoeft niet alles in te vullen. Laat dat maar aan de bewoners over, die zijn vaak creatief genoeg om een ruimte op hun woonbehoefte af te stemmen. En schuw ook het experiment niet. Veel mensen willen iets anders dan een doorsnee woning. Sommige gebouwen kan je niet betaalbaar transformeren in tien keurige woonunits, maar met een paar eenvoudige ingrepen wel in vier prachtige lofts waarin je wonen en werken kunt combineren.

Hoe zouden architecten zich kunnen herpositioneren?

Sinds 2008 heeft de helft van de praktiserende architecten het veld moeten ruimen. Tachtig procent van de architectenbureaus is een eenmanszaak. Dat is ongekend in de geschiedenis van de architectuur. Alles is veranderd. Is het zo langzamerhand geen tijd de sociale agenda terug te brengen in het vak? Het vak bloeide decennialang door heel dicht tegen het marktdenken aan te schurken. Begrijp me goed, ik ben niet een soort communist die tegen marktwerking is, maar als marktdenken allesbepalend is en het zit tegen, dan ben je als architect de eerste die eruit ligt. Als we modellen gaan ontwikkelen voor woonwijken waarmee we ze toesnijden op de eisen van deze tijd, dan gaan we als beroepsgroep weer voorop lopen. Markten en gemeentes moeten dan wel volgen omdat onze ideeën, concepten en agenda’s onoverkomelijk zijn. Die positie moeten we als beroepsgroep weer claimen.

Zijn net afgestudeerde architecten nog nodig?

Meer dan ooit! Dat vind ik ook zo mooi aan een geanonimiseerde ideeënprijsvraag. Bijna alle inzendingen waren afkomstig van jonge ontwerpers die ik nog niet kende. In mijn termijn wil ik, naast de reguliere werkzaamheden die ik als Rijksbouwmeester moet verrichten (het bevorderen van de architectonische kwaliteit van het Rijksvastgoed, red.), relevante vragen definiëren en de ideeënkracht van jonge ontwerpers leren kennen en benutten. Of het me gaat lukken elk half jaar een nieuwe prijsvraag uit te schrijven, kan ik nog niet zeggen, maar dat ik me maximaal ga inzetten om jong talent te benutten staat vast.

Wilt u de nieuwe generatie nog iets meegeven?

Blijf niet haken aan de crisisverhalen van treurnis, hopeloosheid en onmogelijkheden, maar richt je op utopieën. Cijfer jezelf niet weg in een besef dat het allemaal zinloos is, maar blijf groot denken. Positioneer je in een gebied waarin je niet te vervangen bent en kleur niet al je plannen diepgroen. Duurzaamheid is niet het laatste baken van hoop en redding. De tijden zijn moeilijk, maar juist daardoor is er behoefte aan jonge mensen met nieuwe ideeën. En blijf schijnbaar onmogelijke ideeën aandragen. Mijn generatie zal ze met al haar ervaring vaak veel te gemakkelijk als irrealistisch afserveren. Totdat blijkt dat het idee als 1 op 1 prototype potentie heeft. Dat is dan weer het nadeel van mijn generatie. Ervaring kan ook a kiss of death zijn.

Tot slot: Wie van de jonge generatie wilt u dat ik ga interviewen en waarover moet ons gesprek gaan?

Boudewien van den Berg. Ze werkt aan de inrichting van de shows van Prada, maar ze maakt ook prachtige fotoreportages waarin ze het proces van ouder worden laat zien, een wonderlijke combinatie. Ga met haar maar in gesprek over wat de gebouwde omgeving en architectonische vormgeving op het vlak van ouder worden kan betekenen.

Tekst: Peter de Winter
Fotografie: Martin Wengelaar
Dit artikel is gepubliceerd in ArchitectuurNL 4/2016

Gerelateerd

Tags: , ,

    Schrijf een reactie