Interview Herman Zeinstra

Interview

Interview Herman Zeinstra

Door: Peter de Winter | 12-04-2016

De wil om iets te bereiken is voor hem belangrijker dan het absolute talent dat je hebt. Waar het hem om gaat is gedrevenheid, durven mislukken, opnieuw beginnen en oefenen, oefenen, oefenen. Practice leads to excellence. Daarbij moet een gebouw nabijheid kunnen verdragen en is schoonheid in architectuur geen extra, maar absolute noodzaak. Architect en kunstenaar Herman Zeinstra is de achttiende kandidaat in de interviewestafette. In de vorige editie werd hij uitgenodigd door Kim Verhoeven en Vincent Valentijn.

Als jongetje hield architect/beeldend kunstenaar Herman Zeinstra al van tekenen en aangestoken door een vader die timmerman was, maakte hij graag dingen. De middelbare school vond hij een verschrikking. Stilzitten in de schoolbank, dat was niets voor hem. Zijn ouders stuurden hem naar de ambachtsschool, maar dat bleek net een stapje te laag: timmeren kon hij al en dom was hij niet. De leerkrachten zagen dat ook en de jonge Zeinstra zorgde een jaar lang als een soort veredelde conciërge voor het onderhoud van de school. Al snel had Herman door dat hij niet een leven lang wilde timmeren en zo belandde hij via de avondschool op de HTS. Tussen de bedrijven door werkte hij in de bouw. Naast tekenen en dingen maken, was hij verzot op reizen. Met het HTS-diploma op zak doorkruiste hij al liftend heel Europa: van de Noordkaap tot Sicilië, moederziel alleen. Hij werkte in Zweden op een houtzagerij en was er ’s winters houthakker in de bossen. Na militaire dienst kreeg hij een baan bij een architectenbureau in Amsterdam. Na twee jaar begon zijn reisbloed weer te kriebelen en zegde hij zijn baan op. Zijn baas vond zijn ontslag een slecht idee en bood hem als (reis)alternatief een baan aan in Israël waar het bureau net een groot werk had aangenomen. Dat was in 1965. Zeinstra maakte er vrienden waaronder een stedenbouwer en ontdekte zijn talent als beeldend kunstenaar. Samen met die stedenbouwer begon hij een eigen bureautje. Alles bij elkaar bleef hij als architect en kunstenaar ruim een decennium in Israël hangen. Een boeiende leerzame tijd.

Prachtig verhaal, maar nu even een vraag. Waarom worden er geen wijken meer ontwikkeld die even mooi zijn als die uit de jaren dertig van de vorige eeuw?

De vraag is allereerst of je gelijk hebt. Het kan best zijn dat er nu wijken en huizen gebouwd worden die mensen over honderd jaar prachtig vinden. Dat lijkt me niet onwaarschijnlijk, want er worden wel degelijk mooie en goede dingen gemaakt op het ogenblik. Mijn persoonlijke mening is dat er in de laatste dertig jaar van de vorige eeuw een hoop tinnef [rommel, red.] gemaakt is omdat er nauwelijks  belangstelling was voor het vak. Je las in geen enkel tijdschrift iets over de filosofie van de architectuur. Inspraak en bewonersparticipatie kregen wel ruime aandacht. Niet onbelangrijk, maar architectuur is bouwkunst en gaat dus over emoties. In mijn optiek moet een architect zijn eigen emoties goed kunnen interpreteren. Als je aan het ontwerpen bent, hoor je te weten wat de fysieke elementen in een gebouw zijn die positieve emoties kunnen oproepen. Dat hadden ze in de jaren dertig waarschijnlijk beter onder de knie. Er was althans een algemene cultuur waarin dat beter begrepen werd dan in de jaren zeventig, tachtig en negentig. Jaren waarin huizen gebouwd zijn waarin mensen tevreden kunnen wonen,
maar die voor de niet-bewoners van buiten vreselijk lelijke gebouwen zijn. Dat krijg je als architecten zich niet concentreren op de positieve emoties die de mensen nodig hebben. Schoonheid in de gebouwde omgeving ontwikkelt zich namelijk niet vanzelf. Het is een bewuste activiteit die je als architect moet ontwikkelen om hem in een gebouw te kunnen vastleggen.

Schoonheid wordt onvoldoende onderwezen?

Misschien hebben de Hogescholen en Academies hun studenten dit aspect van het vak te weinig bijgebracht. Schoonheid in de architectuur is geen extra, maar een absolute noodzaak. Als je voor  architect studeert, hoor je te leren begrijpen wat de fysieke, ervaarbare en zichtbare elementen zijn die schoonheid kunnen oproepen. Daar ligt een belangrijke taak voor het onderwijs. Gelukkig merk ik de laatste jaren een hernieuwde belangstelling op dit vlak.

Schoonheid bevordert dus het welzijn en de innerlijke beschaving?

Dat zou je denken. Toch ben ik voorzichtig die zaken direct met elkaar te verbinden. Architectuur is namelijk geen kuur tegen het kwaad. Je moet als mens ook vatbaar zijn voor schoonheid. Daar komt bij dat je architectuur echt niet met alles kunt verbinden. Als je in een prachtige omgeving woont, dan is dat fijn omdat je er een positief geladen gevoel aan kunt overhouden. Dat is een waarde op zich. Woon je in een negatief geladen omgeving als de Parijse banlieues of het Belgische Molenbeek, dan maakt dat je niet automatisch een crimineel. Vergelijk het maar met literatuur. Als je een goed boek leest, dan kan dat een verrijkende ervaring zijn, maar het maakt lezers geen betere mensen net zomin als wie niet leest een armoedig bestaand leidt.

Asielzoekers, starters, ouderen, studenten: het huisvestingsvraagstuk is veelomvattend. Is het geen tijd om dit probleem met een soort Deltaplan te lijf te gaan?

Het zou buitengewoon aanmatigend zijn als Herman Zeinstra wel even vertelt hoe het moet. Dat kan niemand, we zullen het met z’n allen moeten doen. Natuurlijk is het in zijn algemeenheid belangrijk dat er in woningbouw een cultuur ontstaat die mensen een zo aangenaam mogelijke woonomgeving en huisvesting biedt, maar hoe je zo’n cultuur organiseert, is een buitengewoon complex spel met veel spelers en factoren. Het is dus een illusie te denken dat we dat vraagstuk vanuit mijn discipline kunnen aansturen. En een Deltaplan is veel te eendimensionaal gedacht omdat het voorbij gaat aan wat de huidige problematiek is. Zijn dat asielzoekers, starters, studenten of betaalbare huurwoningen? De werkelijkheid is, dat we met het oplossen van het ene probleem het andere probleem creëren. Daar komt bij dat er niet één aanwijsbaar woningbouwprobleem is. We moeten steeds opnieuw middelen vinden
waarmee we actuele problemen te lijf gaan. Zo is het leven, het is helaas niet anders.

Iets heel anders. Ik las dat schetsen bij uw ontwerpproces hoort. Waarom?

Als ik ontwerp, laat ik al schetsend mijn fantasie de vrije loop. Dat lukt me niet op een computer omdat daar alles in millimeters moet. Ongeveer snapt zo’n ding niet. Een potlood daarentegen volgt m’n hand en al schetsend ga ik van idee naar idee en kan ik nog van alles veranderen. Ik praat, denk, communiceer, genereer en verander al schetsend. Vandaar dat ik tot in een heel ver stadium met handschetsen een
ontwerp uitwerk. Bovendien bewaar ik al m’n schetsen om zo mijn eigen ontwerpgeschiedenis en gedachtesprongen per opdracht vast te leggen. Uiteraard maak ik wel dankbaar gebruik van de mensen van mijn bureau die mijn schetsen razendsnel in goede 3D-modellen kunnen vertalen.

Kim Verhoeven en Vincent Valentijn van Studio Pekka willen weten in hoeverre uw beeldend werk van invloed is op uw architectuur?

Er is geen relatie in de zin dat je mijn beeldend werk direct terugziet in een gebouw van mijn hand. Beeldend bezig zijn is wel van invloed op mijn manier van denken en ontwerpen. In beeldende kunst experimenteer ik volop met vormen en onverwachte patronen. Ik stimuleer mijn creativiteit door mijn gedachtespinsels over werkelijkheid en voorstelling de vrije loop te laten. Dat heb ik in hoge mate bij mijn kunstwerken gedaan en diezelfde gedachtespinsels vind je terug in mijn denken over vormgeving van gebouwen. Een voorbeeld? Als kind wilde ik een houten kistje maken met hoekverbindingen met lijm en onzichtbare nageltjes. Mijn vader was niet enthousiast over dat idee juist omdat ik het vernuft van de verbinding onzichtbaar wilde maken. Hij zei me dat als ik het echt mooi wilde doen, een perfecte zwaluwstaartverbinding beter was. Dan zie je hoe het kistje in elkaar zit, hoe het gemaakt is en wat de functie van de verbinding is. Een wijze les die ik nog steeds toepas. Een gebouw moet namelijk nabijheid
kunnen verdragen en dat lukt alleen als je het ontwerp tot in detail zorgvuldig uitvoert. Het ervaarbaar maken van hoe een gebouw zich bijvoorbeeld staande houdt, is een belangrijk element van de waardering die passanten voor een gebouw kunnen opbrengen. De ambachtsman beïnvloedt dan de kunstenaar en de kunstenaar de ambachtsman.

Heeft u nog een advies voor de jonge generatie?

De wil om iets te bereiken is vaak belangrijker dan het absolute talent dat je hebt. Waar het om gaat, is gedrevenheid. Er kwam eens een klas schoolkinderen bij ons op bezoek. Er was een jongetje bij dat aan een van mijn collega’s vroeg wat hij moest doen om architect te worden. Hij zei dat hij goed zijn best moest doen en zeker nog tien jaar hard moest studeren. De moed zonk het ventje in de schoenen. Mijn collega zei dat het ook anders kon en wees naar mij. Ik zei hem dat hij alleen heel, heeel, heeeeel erg graag architect moest willen worden. Het ventje straalde. Behalve het heel graag willen, moet je ook oefenen, oefenen, oefenen, durven mislukken en opnieuw beginnen. Practice leads to excellence. Het gevaar dat daarbij op de loer ligt, is dat excellence verward wordt met drang naar perfectie en dat gaat domweg niet samen met de drang naar avontuur en het onbekende. Het gaat niet om perfectie, maar om
dingen willen maken, gedrevenheid en je vak goed willen doen. Zoek naar de zuivere toon en vind je eigen interpretatie. Ook als het resultaat heel anders klinkt dan de componist bedoelde.

Tot slot: Wie van de jonge generatie moet ik gaan interviewen en waarover moet het gesprek gaan?

Donna van Milligen Bielke. Ze won de Prix de Rome met een fantastisch project en is met het geld dat ze won ook echt naar Rome gegaan. Daar moet je het maar met haar over hebben.

Tekst: Peter de Winter
Fotografie: Martin Wengelaar
Dit artikel is gepubliceerd in ArchitectuurNL 2/16

Gerelateerd

Tags: ,

    Schrijf een reactie

    Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.