Minimuseum EENWERK

Projectanalyse

Minimuseum EENWERK

Door: Kirsten Hannema | 15-03-2018

Wat begon als een interieuropdracht, mondde uit in de nieuwbouw van een publieke kunstruimte: EENWERK. Een bijna deconstructivistische invulling nabij het Amsterdamse Vondelpark. In samenspel met zijn opdrachtgevers ontwierp architect Barend Koolhaas een gebouw vol onverwachte ruimtes en gebruiksmogelijkheden. Het speelse, geïmproviseerde karakter van dit project typeert zijn ontwerphouding.

Architect Barend Koolhaas

Kan architectuur nog verrassen? Met de computertechnieken van tegenwoordig maak je artist’s impressions die vooraf laten zien hoe de ruimte wordt, in precies geformuleerde programma’s worden de functies vastgelegd en met behulp van Excel sheets de benodigde vierkante meters bepaald. Architect Barend Koolhaas en zijn opdrachtgevers besloten om het anders aan te pakken. Zich open stellend voor spontane ingevingen, ontwikkelden ze al doende het plan voor kunstruimte EENWERK aan de Amsterdamse Koninginneweg.

Moderne ontwerp

Ingeklemd tussen de kantoorvilla’s en herenhuizen springt het moderne ontwerp er uit, en brengt spanning in de straat. De gevel volgt weliswaar de klassieke opbouw met een plint, middendeel en kroonlijst, maar onderscheidt zich van de bakstenen buurpanden door de grote glazen puien en stroken van basalt, die schuin naar achter weglopen. Het interieur ademt eenzelfde losse sfeer, met verrassende zichtlijnen en vides. Tussen de nieuwbouw en het naastgelegen (gerenoveerde) pand is een grote doorbraak gemaakt. De opening biedt zicht op een indrukwekkende trappartij, die wordt weerspiegeld in een schuin geplaatste glazen binnenwand; een Escherachtig beeld.

Minimuseum EENWERK

De naam EENWERK zegt het al: in dit gebouw wordt telkens één werk getoond. Het eerste was de African-American Flag van kunstenaarvan de Britse kunstenaar en filmmaker Steve McQueen en ‘This Way Brouwn’ van Stanley Brouwn te zien. Permanent werk is er van de landschapsarchitect Piet Oudolf (ontwerp minituin), fotograaf Rineke Dijkstra (portret Julius Vermeulen), Tariq Heijboer (grafisch ontwerp), Tomas Dulfer (film van 1 minuut over het bouwproces) en Barend Koolhaas, de architect van EENWERK. Niet zomaar een galerie dus, maar een plek waar verschillende disciplines elkaar ontmoeten.

Informeel ontwerpproces

De drie en een halve verdiepingen verschillen in hoogte en de in manier waarop het licht toetreedt: via de gevel, van boven en door reflectie. Hierdoor ontstaan er verschillende mogelijkheden om de ruimtes te gebruiken voor kunstprojecten. Bezoekers kunnen er kunst zien, maar ook debatten en performances bijwonen. In de toekomst zal er ook aandacht zijn voor mode, vormgeving en poëzie. Bijzonder is ook dat deze openbare kunstruimte een particulier initiatief betreft. Het project begon in 2014 als een verbouwing, van het pand met aangebouwde garage dat initiatiefnemer Julius Vermeulen en zijn partner, ontwerper Irma Boom, hadden gekocht, in eerste instantie om haar kantoor – in het naastgelegen pand – uit te breiden. ‘Op het moment dat Julius Vermeulen mij belde, was hij het oude pand al aan het strippen’, vertelt Koolhaas. ‘De bedoeling was om boven Irma Boom Office een bibliotheek op te richten. De vraag was: kun je meedenken met onze ideeën, we willen op een aantal plekken muren doorbreken en een plan voor de oude garage.’ De architect maakte allereerst een aantal studiemaquettes, die een interessante dialoog op gang brachten. ‘Irma zei dat het haar een mooi idee leek om een groentetuin op het dak aan te leggen, waarop ik zei: haal de dakpannen eraf en maak een kas op de garage. Julius vertelde dat hij fantaseerde over een eigen galerie. Toen bleek dat we volgens het bestemmingsplan hoger konden bouwen, zagen we een kans om met nieuwbouw die droom werkelijkheid te laten worden. Zo verkenden we met zijn drieën de mogelijkheden, van het programma tot de ruimtelijke verbindingen. Dat zoekende proces, het vrije en informele karakter, maakt dit project zo boeiend voor mij als ontwerper.’

Schaalmodellen

Hij toont op zijn laptop de tientallen schaalmodellen die hij maakte om te bepalen hoe het moderne gebouw in zijn omgeving kon passen. ‘Ik heb eerst de criteria van de welstandscommissie bestudeerd. Daaruit bleek dat het respecteren van de stedenbouwkundige opzet belangrijker was dan het architectonisch beeld. Oorspronkelijk stond hier geen garage; er was een doorgang naar het Vondelpark. De vraag was: hoe respecteer je die leegte? Ik heb voorgesteld om het contrast met de bestaande bebouwing op te zoeken. Welstand ging daarmee akkoord, maar zag mijn idee voor een gevel van hout en glas niet zitten. Vervolgens ben ik in de buurt materialen gaan zoeken, en stuitte op het basalt dat vroeger veel gebruikt werd voor sierstenen en trappen.’ Al schuivend met de glazen en natuurstenen vlakken kwam hij tot een gevelcompositie, die door zijn grote transparantie de stedenbouwkundige zichtas eerbiedigt, en tegelijk privacy biedt.

Deconstructivistisch

De volgende ‘puzzel’ betrof de ontsluiting. Zowel de toegang tot de nieuwbouw als de entree naar het (verhuur)appartement bovenin het naastgelegen pand, moesten in het ontwerp opgenomen worden. Zodoende heeft het gebouwtje twee voordeuren: de linker is voor de kunstruimte, de rechter voor het bovenhuis. ‘Zie je dat er maar één naad tussen zit’, wijst Koolhaas trots op het detail tussen de deuren. Het is tekenend voor de aandacht waarmee dit project is gemaakt. Als je EENWERK binnenstapt, beland je in de lichte, open entreeruimte, van waaruit je enerzijds, dwars door de garage heen, naar de achtertuin aan de Sophialaan kijkt, en anderzijds via de opengebroken zijgevel in het kantoor van Irma Boom.

De Eschertrap

Pronkstuk is de trappartij die vanuit de entree in een doorlopende beweging, langs de expositieruimte, naar de kas voert. Het interieur oogt met zijn schuine lijnen en collage van materialen – beton, staal, aluminium, hout, glas, kunststof – ingewikkeld, bijna deconstructivistisch. Maar de vormgeving is de uitkomst van een reeks logische beslissingen. Zo komt de verspringing in de voorgevel voort uit de keuze om de ramen in de zijgevel van het naastgelegen pand vrij te houden. De ‘Eschertrap’ sluit exact aan op deze verspringing en is zo ontworpen dat er nog net een toiletruimte onder past. ‘De vormgeving is een reactie op, of gevolg van de context’, zegt Koolhaas.

Aluminium trap

In het gerenoveerde pand trekt de trap van massief aluminium de aandacht, waarvan de treden naar beneden toe steeds breder worden. ‘Irma wilde niet zomaar een trap in haar kantoor’, legt de architect uit. ‘We spraken over het ontwerp toen ze net van een vliegreis terug kwam. Ze zei: ik hou wel van aluminium trappen, zoals die bij vliegtuigen. Waarop ik bedacht: waarom dan niet helemaal van aluminium? Vervolgens kwam Irma met het idee de trap breder en uitnodigender te maken aan de onderkant. Dit heeft geleid tot het aanbrengen van een knik in de trapwang. Ook dit soort details hebben we al doende ontwikkeld. Je kunt aan het ontwerp zien hoe een aantal mensen heel snel op elkaar heeft gereageerd, als in een jazzband.’

Improviserend ontwerpen

Speels, improviserend, zo zou je ook Koolhaas’ houding als ontwerper kunnen typeren. Bij improviseren gaat het erom jezelf volledig open te stellen voor het spontane. Op die manier kun je bepaalde kwaliteiten ontdekken die in een geregisseerd proces niet aan de oppervlakte zouden komen. Koolhaas doet dit door zich te omringen met interessante gesprekspartners en direct met maquettes aan de slag te gaan. ‘Ik ontwerp al doende, of beter gezegd: ik denk door te doen.’

OMA, het bureau van Rem Koolhaas

Hij begon op zijn achttiende met maquettes bouwen, als stagiair bij OMA, het bureau van Rem Koolhaas, van wie hij een achterneef is. ‘Een speeltuin’, zo omschrijft hij het bureau, waarvoor hij later een aantal jaren werkte. Al tijdens zijn studie bouwkunde aan de TU Delft realiseerde hij, samen met ontwerpers Lok Jansen en (neef) Rem D. Koolhaas, zijn eerste ontwerp, voor het interieur van een kinderdagverblijf. ‘De opdracht kwam via een kennis. Zij zei: Barend, jij bent jong, jij kunt je nog in de wereld van een kind verplaatsen.’ Het werd een fantasierijke ruimte (p.30), met een hangende vloer van zeildoek, waarbij de kinderen het gebruik met hun spel en verbeelding kunnen invullen. Na zijn afstuderen in 2001 kreeg hij de opdracht om in de Rotterdamse wijk Hoogvliet een zogeheten ‘parasite’ bij een basisschool te bouwen. In het programma van eisen werd een bijgebouw met zes werkplekken omschreven, Koolhaas stelde voor om een flexibele ruimte te maken, die ook voor overleg of onderwijs te gebruiken is. Daartoe ontwikkelde hij een ‘bloem’ van gekromde, beweegbare binnenwanden die naar wens geopend en gesloten kunnen worden. Ik ga het proces met open vizier in, en omarm het experiment. Wat je dan krijgt, is meer dan wat er gevraagd werd.’

Vrijheid in ruimtegebruik

Zo is het ook gegaan met EENWERK. Wat begon als de verbouwing van een kantoor, evolueerde tot een project voor een publieke kunstruimte. De garage zou aanvankelijk gebruikt worden om auto’s te stallen. ‘Maar gaandeweg ontdekte we dat de ruimte ook andere functies kan aannemen. Bij de opening speelde jazzdrummer Han Bennink in de garage. Het publiek stond achter het glas en op de trap. Ineens zagen we: dit is een performance space. En nu wordt deze regelmatig op deze manier gebruikt bij de opening van tentoonstellingen. Iets soortgelijks geldt voor de kas, die aanvankelijk bedoeld was als experimentele stadstuin, maar nu ook een onderdeel is van EENWERK. Zo ontdek je dat je met een gebouw een vrijheid hebt gecreëerd die je niet had kunnen voorspellen. Dat vind ik interessant aan architectuur: de zoektocht naar het onverwachte.’

Dit artikel is gepubliceerd in ArchitectuurNL nummer 1 van 2018

Gerelateerd

Tags: , ,

    Schrijf een reactie

    Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.