Onzichtbaar spektakel in Museum Voorlinden

Onzichtbaar spektakel in Museum Voorlinden

Door: Kirsten Hannema | 25-10-2016

Museum Voorlinden is een ver doorgevoerde vorm van de white cube, een museumtype waarin de expositieruimte een neutrale achtergrond vormt voor de kunst. Het is het resultaat van de gezamenlijke zoektocht van architect Dirk Jan Postel, opdrachtgever Joop van Caldenborgh en ingenieur Andrew Sedgwick (Arup) naar de ultieme expositieruimte, de perfecte lichtinval, de mooiste materialen, de slimste organisatie en de nieuwste inzichten op het gebied van klimaat en techniek. Alle visuele ruis moest eruit en de lichtinval getemperd maar toch levendig. Het spektakel van dit gebouw schuilt in dat wat niet (direct) zichtbaar is, en de precisie waarmee dat is gedaan.

 

Van een Griekse tempel tot Mies van der Rohe’s Neue Nationalgalerie in Berlijn (1968) – het pas geopende museum Voorlinden is al met veel beroemde gebouwen vergeleken. Het Kröller- Müller van de 21e eeuw, zo werd het plan van industrieel in chemie en kunstverzamelaar Joop van Caldenborgh destijds aangekondigd in het NOS journaal. Beide musea zijn ontstaan uit een private collectie, beiden zijn opgericht door een Rotterdamse ondernemer, en beiden zijn gehuisvest in een modern glazen paviljoen in het groen. Bij oplevering werden op twitter foto’s gepost van een andere lookalike: Fondation Beyeler van Renzo Piano in Basel.

Goede dingen verbeteren

Architect Dirk Jan Postel van Kraaijvanger architects voelt zich allerminst betrapt. Hij is de eerste die zal toegeven dat hij zich heeft laten inspireren door bestaande musea, waaronder Fondation Beyeler. ‘Ik heb toen ik in 2011 de opdracht kreeg een foto van dat gebouw en van The Menil Collection in Houston – ook een ontwerp van Piano – aan Van Caldenborgh gestuurd, als voorbeelden. Waarbij ik uitlegde waarin ze ten opzichte van elkaar verschillen. Dáár gaat museum Voorlinden over. Ik was niet op zoek een revolutionair model, ik geloof in een lerend effect: goede dingen oppakken en dan verbeteren.’ Dat is hier in meerdere opzichten gelukt.

Perfecte white cube

Voorlinden is een ver doorgevoerde vorm van de white cube, een museumtype dat in de jaren dertig ontstond, waarin de (witte) expositieruimte een neutrale achtergrond vormt voor de kunst. Beveiligingscamera’s, rookmelders, brandslanghaspels, ventilatieroosters – Postel ‘wilde alle visuele ruis eruit.’ Zo zie je nergens nooduitgangbordjes; die zijn als wit kunststof reliëfs in het stuukwerk opgenomen. Pas in geval van calamiteiten licht het groene mannetje op. Het systeem is een primeur; Van Caldenborgh heeft er patent op aangevraagd. Het is een sprekend voorbeeld van de perfectiegraad die is nagestreefd. Op zoek naar de ultieme expositieruimte, de perfecte lichtinval, de mooiste materialen, de slimste organisatie en de nieuwste inzichten op het gebied van klimaat en techniek, maakte Postel samen met zijn opdrachtgever een grand tour door Noord Amerika. Ze bezochten onder andere het Museum of Contemporary Art en het Art Institute in Chicago (met een uitbreiding van Renzo Piano), The Menil Collection en Tadao Ando’s Modern Art Museum of Fort Worth in Texas. Andere inspiratiebronnen zijn het Louisiana Museum of Modern Art in Kopenhagen – net als Voorlinden gevestigd op een historisch landgoed – en het Museum Brandhorst in München van Sauerbruch & Hutton, vanwege het gebruik van daglicht en de slim weggewerkte installaties.

Droomopdracht

De studiereizen waren onderdelen van de droomopdracht die in 2008 begon toen Van Caldenborgh de door Postel ontworpen ambassadeursresidentie in Peking bezocht. Het gebouw – ook een rechthoekig glazen paviljoen – sprak hem aan, en hoewel hij al in gesprek was met een andere architect, zocht hij contact met Postel. Hij vertelde dat hij ‘iets wilde doen’ op zijn landgoed Clingenbosch in Wassenaar, waar hij een beeldentuin heeft die je kunt bezoeken. Een museum, naar later bleek. In antwoord op zijn vraag om advies, legde Postel legde hem drie opties voor: helpen met bouwvergunningen, een prijsvraag uitschrijven, of een schetsontwerp maken – zonder verdere verplichtingen. Van Caldenborgh koos voor het laatste.

Historisch landgoed

De schets voor een ellipsvormig gebouw, geïnspireerd op SANAA’s 21st Century Museum of Contemporary Art in Kanazawa, beviel. Maar bouwen op Clingenbosch bleek niet haalbaar; er zou onder meer een nieuwe toegangsweg aangelegd moeten worden, waar de buurt niet op zat te wachten. De succesvolle grote tentoonstelling I promise to love you die hij in de Rotterdamse Kunsthal organiseerde, bracht Van Caldenborgh op het idee om een museumgebouw in Den Haag of Rotterdam te realiseren, maar ook die plannen liepen op niets uit. Toen viel zijn oog op Voorlinden, aan de andere kant van de Buurtweg. Het historische landgoed, op een oorspronkelijk plan van landschapsarchitect J.D. Zocher, met het Schotse landhuis uit 1912 van architect R.J. Johnston en een park ontworpen door Leonard Springer, had al een inrit en een parkeerterrein; daartegen kon in elk geval niemand bezwaar maken. En de wethouder van Wassenaar zag het helemaal zitten. ‘Toen we op het landgoed gingen kijken, had ik het aangepaste plan al als een kleine maquette bij me’, vertelt Postel. Hij toont de tekening, waaraan sindsdien vrijwel niets is gewijzigd. Een gebouw in drie delen: een voor (een selectie uit) de eigen collectie, een voor wisseltentoonstellingen en een voor de vaste opstelling waaronder een gigantische Serra-sculptuur. De drie beuken zijn aan elkaar geregen over een lengteas waardoor je dwars door het honderdtwintig meter lange gebouw kijkt. In de dwarsrichting bieden openingen in de (niet dragende) wanden doorzichten naar de waterpartij en het achtergelegen bos. Het geheel wordt overkapt door een gigantisch stalen dak met overstek.

Kunst en landschap centraal

Postel legt Voorlinden uit als ‘een grotere versie’ van het museum Kranenburgh in het Noord Hollandse Bergen dat hij in 2013 voltooide: een compositie van parallelle wanden in een landschap, met zogenoemde servicing walls, 80 centimeter dikke wanden waarin alle techniek is weggewerkt. Van Caldenborgh wilde geen opvallende architectuur. Een museum als het Guggenheim in Bilbao, hij moest er niet aan denken, zei hij in een interview met De Volkskrant. Het gebouw moest de collectie dienen, en een relatie aangaan met de omringende natuur. ‘Het gebouw stelt de kunst en het landschap centraal’, legt Postel uit. Het presenteert zich ondanks zijn grootte bescheiden in het landschap. De zichtassen door het gebouw, en de naadloze detaillering van de glazen gevels, versterken het gevoel dat je buiten bent, ook al sta je binnen. Museum Voorlinden onderscheidt zich van de eerder genoemde referenties door twee zaken: het lichtdak, opgebouwd uit 115.000 verticale, schuin afgezaagde buisjes die het zuiderlicht gereflecteerd binnenlaten, en de wijze waarop de benodigde techniek is ‘weggetoverd’.

Serene ambiance

Samen met ingenieursbureau Arup ontwikkelde de architect hiervoor een vijf stappen-strategie: vermijden, verbergen, verkleinen, integreren, ordenen. ‘We begonnen steeds met dezelfde vraag: is dat rooster of die camera echt nodig? Zo ja, dan hebben we geprobeerd om het uit het zicht te halen. We hebben bijvoorbeeld aspiratierookmelders gebruikt. Deze zuigen de lucht af, maar de detectie vindt elders plaats. Je ziet slechts een piepklein gaatje in het plafond. De onvermijdelijke buitencamera’s zijn heel mooi onder de witte dakbalken opgenomen, de witte luiken met de brandblussers zijn consequent in de doorgangen geplaatst – nooit in de zalen. Dit is meer dan een architectenfetisj, benadrukt Postel. ‘Een kennis die ook de Beyeler Foundation had bezocht, vertelde me dat zij in Voorlinden zo veel meer rust had ervaren. Het gaat om de ambiance die je probeert te creëren, een gevoel van sereniteit.’

Zuiderlicht vangen via dak

De tweede innovatie betreft het lichtdak. Het idee voor de overkapping vindt zijn oorsprong in de reis die Postel na zijn afstuderen, in 1987, door Amerika maakte. Hij ging onder meer kijken bij het pas voltooide The Menil in Houston en is sindsdien gefascineerd door het bijzondere sheddak, dat het zuiderlicht ‘vangt’. ‘Het is levend licht, en dat past bij het karakter van de collectie. Ken je het paviljoen dat kunstenaar Erwin Heerich voor Insel Hombroich bouwde? Daarin laat hij zowel noorder- als zuiderlicht binnen, en kun je het verschil zien. Zuiderlicht kleurt mee met het weer, als er een wolk voor de zon schuift, verandert het licht.’

Flexibel filter, buisjes en velum

‘Ik ben gaan nadenken over hoe je dat principe kunt vormgeven. De steilste hoek waaronder de zon in Nederland schijnt, is 62 graden. Als je een lichtbuisje onder die hoek afsnijdt, komt de zon nooit binnen.’ Met Andrew Sedgwick (Arup) is dit idee tot in detail uitgewerkt. ‘Dan kom je op vragen als: hoe groot moet zo’n buisje precies zijn? En ontdek je dat bij een doorsnede kleiner dan 12 cm het aluminium niet meer valt te poedercoaten. Gaande het proces bleek ook dat er in de zalen voor de wisseltentoonstellingen maximaal 200 lux aan licht mocht binnenvallen; dat is een harde eis bij bruikleen van bepaalde kunstwerken. Wij zaten op 500 tot 700 lux. Maar als je op een stralende zomerdag slechts 200 lux binnenlaat, heb je de rest van het jaar een donker gebouw. We hadden iets flexibels nodig.’ Samen met producent VDL heeft Van Caldenborgh – die zelf als bouwheer meer dan negen aannemers begeleidde voor de verschillende bouwonderdelen – een oplossing ontwikkeld: een afdekplaat die (elektrisch) over het dak van de betreffende ruimte kan schuiven, waardoor het licht getemperd wordt.   De overkapping – op zichzelf een kunstwerk – is ‘slechts’ een filter voor het zonlicht. Het eigenlijke, glazen dak zit daaronder.

LED lampen

De glaslijsten zijn voorzien van LED-lampen, die feller schijnen naarmate het daglicht afneemt. De LED-verlichting schijnt omhoog, zodat ook dit licht gereflecteerd in het interieur valt en de armaturen buiten beeld blijven. Een velum zorgt dat het daglicht diffuus binnenvalt. Ook over dit velum – een doek dat je standaard in moderne musea ziet – is lang nagedacht; er werden meerdere mock-ups gebouwd. Postel: ‘Als je het licht onvoldoende verdeelt, wordt het ruw. Verspreid je het te egaal, dan beleef je het als kunstlicht. Daarom hebben we het doek zo ontworpen dat je er net doorheen kunt kijken. Als je ogen op de kunst zijn gericht, zie je het niet; je bemerkt het pas in tweede instantie. Maar je begrijpt op die manier dat het daglicht is.’

Centen en visie

Het spektakel van dit gebouw schuilt daarin: in dat wat niet (direct) zichtbaar is, en de precisie waarmee dat is gedaan. ‘Rem Koolhaas heeft wel eens gezegd dat je nooit tevreden moet zijn met het resultaat, je altijd af moet vragen hoe het nog beter kan. Ik vind het vreselijk mooi om dat een keer te hebben kunnen doen. Omdat er centen voor waren, maar ook: de interesse. In die zin was Joop een heel goede opdrachtgever: hij had visie, hij weet hoe hij dingen moet organiseren. Er was geen moment van onverschilligheid.’

Tekst: Kirsten Hannema
Dit artikel werd gepubliceerd in ArchitectuurNL nummer 5 van 2016

Gerelateerd

Tags: , , , , , , , , , ,

    Schrijf een reactie