Interdisciplinaire coalities volgens Lada Hršak

Interview

Interdisciplinaire coalities volgens Lada Hršak

Door: Peter de Winter | 02-11-2017

Met haar vuist op tafel slaan past niet bij de manier waarop zij het vak benadert. Zij zoekt namelijk niet de confrontatie, maar legt in haar werk veel liever op een zachte manier contact met zoveel mogelijk disciplines buiten het veld van de ‘gewone’ architect. In haar optiek wint de relatie tussen architectuur, landschap, wetenschap, natuur en cultuur aan belang. Een bittere noodzaak, want tegen 2050 wonen er zo’n 9,6 miljard mensen op aarde. Architect Lada Hršak is de 27ste kandidaat in de interviewestafette.

Op voorspraak van Afaina de Jong werd in de vorige editie van ArchitectuurNL Wouter Vanstiphout aangewezen als volgende kandidaat in de interviewestafette. Door omstandigheden kon het gesprek niet doorgaan. De Jong hoefde niet lang na te denken over een alternatieve gesprekspartner en wees architect Lada Hršak aan als volgende kandidaat. Hršak is een Kroatisch/Nederlandse architect en kwam 20 jaar geleden naar Nederland. Niet op de vlucht voor de oorlog, maar om zich na een studie aan de technische universiteit van Zagreb middels een postgraduaat programma aan het Berlage instituut in Amsterdam verder in het vak te bekwamen.

Wat is er aan de hand in architectenland?

Ik heb sterk het gevoel dat het beroep architect sinds de economische crisis sterk aan het veranderen is. Mijn voorlopige conclusie is dat de relatie tussen architectuur, landschap, wetenschap, natuur en cultuur wint aan belang. Als je daarbij bedenkt dat er tegen 2050 zo’n 9,6 miljard mensen op aarde wonen, dan zullen we onze relatie met de natuur waarin we leven ernstig onder de loep moeten nemen. Dat vraagstuk houdt me dagelijks bezig. Om te overleven, zullen we hoe dan ook anders met elkaar moeten leren omgaan. Mijn missie is dan ook nieuwe coalities met andere disciplines aangaan om daarmee de toegevoegde waarde van het vakgebied architectuur zeker te stellen.

Waar staat de naam van je bureau LADA voor?

LADA staat voor Landscape Architecture Design Art – what’s in a name – en dat zijn direct dan ook de thema’s of territoria waar ik me beroepshalve het liefst mee bezighoudt. Overigens liep ik al heel lang
met plannen in die richting rond. Economisch gezien was 2010 niet het meest gunstige jaar om een eigen bureau te beginnen. Uit praktisch oogpunt lag het voor de hand dat ik voor mezelf ging beginnen; het werd steeds lastiger om freelance klussen van andere bureaus te krijgen. Financieel gezien was het best eng, maar ik had het geluk dat ik via het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie een soort startstipendium kreeg. Daarnaast geef ik les aan onder meer de Academie voor Bouwkunst in Amsterdam, de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten (KBAK) in Den Haag en aan de TU Delft. Ook geef ik les aan de TU Zagreb, de Universiteit van Auckland New Zealand, de Unversidad Catolica de La Paz, Bolivia en aan de KU in Leuven. Dat lesgeven zou ik echt niet kunnen missen. Ik hou ervan om studenten te leren hun creativiteit te ontdekken. Het houdt me scherp en dwingt me om ook over m’n eigen creatieve denkprocessen na te denken.

Dus toch een soort noodgreep die zelfstandigheid?

Toch niet. Behalve dat zelfstandig opereren fijn is, was de crisis voor mij een moment om me op mijn ideeën over het vak te bezinnen. Daarnaast zag ik het als een uitgelezen kans om in een tijd van grote
maatschappelijke veranderingen te laten zien welke alternatieve rol ik als architect ook kan spelen. Architectuur is in mijn optiek namelijk geen statische, maar een dynamische professie. Je hebt geen andere keuze dan mee veranderen met de maatschappij. Voor mij spelen de sociaal-ecologische aspecten van het vak een grotere rol dan voorheen en ook zaken als inclusiviteit en emancipatie vragen om aandacht. Wat ik met emancipatie bedoel? Ook vandaag de dag spelen vrouwen nog een relatief bescheiden rol als het om architectuur en de gebouwde omgeving gaat. Althans, zo ervaar ik het. Inderdaad je hebt beroemde namen als Zaha Hadid en Francine Houben, maar die zijn toch echt de uitzonderingen die de spreekwoordelijke regel bevestigen. Het zijn een apart slag vrouwen die met hun vuist op tafel durven slaan om zo hun partij in de mannenwereld mee te kunnen spelen. Die rol is voor mij niet weggelegd. Op de eerste plaats sla ik niet graag met m’n vuist op tafel. Daarnaast zie ik mijzelf als een ‘zachte’ architect.

Leg uit!

Letterlijk kan ik natuurlijk best met m’n vuist op tafel slaan, maar het past niet bij de manier waarop ik het vak benader, ook niet figuurlijk. Ik ben niet van de confrontatie en leg in mijn werk veel liever op een zachte manier contact met zoveel mogelijk disciplines buiten het veld van de ‘gewone’ architect. Mijn manier van werken gaat daarnaast niet primair om geld en aanzien. Dat is me veel te zakelijk. Hoe ik dan wel werk? Ik hou van treuzelen om zo tijd vrij te maken om iets te bedenken en ideeën te laten bezinken. Daarbij ga ik graag en vaak af op mijn intuïtie. Een idee kan vlot ontstaan, maar daarna neem ik de tijd om te bepalen of het om een goede intuïtie ging of dat ik verder moet gaan met nadenken. Begrijp me niet verkeerd: de tijd nemen is niet hetzelfde als niks doen. Ik bespreek mijn ideeën voortdurend met andere mensen.

Hoe maak je die ideeën concreet?

Door steeds maquettes met de hand te maken. Dat is voor mij essentieel. Bij werken met je handen gebruik je een ander soort intelligentie. Werk je met je handen, dan handel je vanuit je buik. Da’s inderdaad op intuïtie. Als ik werk op een computer kan ik geen contact maken met mijn intuïtie omdat de ratio me dan in de weg staat. Werken met mijn handen is dus typerend voor de manier waarop ik het vak benader. Ik probeer die werkwijze ook op mijn studenten over te brengen. Wat ik ze leer, is dat handen dingen kunnen bedenken die het hoofd niet kan. Toeval en verrassing bij ontwerpen komen namelijk niet uit je hoofd, maar uit je onderbuik. Althans bij mij. Dat is ook wat ik bedoel met ‘het zachte’ in architectuur. Dat je naast je verstand, ook durft te vertrouwen op je intuïtie. Bijvoorbeeld als kracht in een gesprek of als argument in een discussie. Studenten moeten in het begin erg wennen aan het idee van intelligente handen en vertrouwen op hun intuïtie, maar eenmaal aan de gang zien ze er de meerwaarde van in. Scepsis ontmoet ik nauwelijks.

Hoe staan opdrachtgevers tegenover jouw intuïtie?

In de meer artistieke kringen kijkt niemand ervan op, wordt het zelfs erg gewaardeerd, maar elders wordt het vaak met scepsis ontvangen. Maar dat ik graag afga op mijn intuïtie betekent niet dat ik een zweverige architect ben. Er is namelijk niks mis met mijn verstand. In Zagreb studeerde ik aan de faculteit architectuur die te vergelijken is met een studie aan de TU Delft. Ik genoot er een brede opleiding waar ik naast ontwerpen ook leerde calculeren, analyseren en constructieve berekeningen maken. Er ligt dus een degelijke, niet-intuïtieve basis onder mijn opvattingen over het vak. Als het moet, kan ik al mijn ontwerpen, schetsen en maquettes voorzien van een goede rationele onderbouwing.

Hoe zie jij de toekomst voor architectuurstudenten?

Die zie ik rooskleurig omdat ik denk dat curious spirits altijd welkom zijn in de maatschappij. Waar ik wel vraagtekens bij zet, is of alle vakken die we aan de academies voor bouwkunst onderwijzen nog van toepassing zijn. De maatschappij is volop in verandering en de curricula sluiten daar lang niet altijd even goed op aan. Wat in mijn ogen op dit moment echt belangrijk is, is dat de opleidingen goed voeling houden met de polsslag van de samenleving. Dat lukt veel beter als we kritisch naar de inhoud van sommige vakken durven kijken.

Je wilt je profileren met experimental architecture. Wat bedoel je daarmee?

Dat ik met een nieuwsgierige blik de wereld in kijk en een opdracht liefst vanuit een onverwachte invalshoek benader. Ik werk daarbij intensief samen met mijn opdrachtgever omdat ik hun wensen en opvattingen serieus neem. Wat een opdrachtgever wil, ontdek je namelijk alleen door goed te luisteren. Het is niet aan mij te bepalen hoe iemand wil wonen of werken. Dat ontdek je alleen door echt te luisteren en dat is een subtiel spel omdat het in essentie gaat om kleine finesses. En echt luisteren lukt me lang niet altijd. Het vraagt een bepaald soort bescheidenheid en daar moet ik dagelijks op oefenen. Overigens staat dat oefenen in bescheidenheid door de opkomst van sociale media steeds meer onder druk, zeker bij de jonge generatie. In mijn jeugd leerde ik dat opsnijden over jezelf onbeleefd is, maar op platforms als Facebook of Instagram maken mensen profielen van zichzelf waarin ze vertellen hoe goed ze het voor elkaar hebben. Vaak is zo’n profiel een veredeld soort karakterschets van een fake personality, maar ze worden volop aangemaakt omdat je niet meetelt als je niet geliked wordt omdat je ‘goed’ bent. Toch kan ik elke architect en elke architectuurstudent oefening in bescheidenheid aanraden. Je leert er beter door luisteren zonder dat je jezelf hoeft weg te cijferen.

Wat is de ontwerpopgave van de toekomst?

Dat hangt van de schaal af, maar met de relatie tussen natuur en cultuur in je achterhoofd, moeten we ervoor zorgen dat we op grote schaal thema’s als voedsel, infrastructuur en ecologie niet langer als
afzonderlijke begrippen benaderen, maar op een effectieve manier samenbrengen. Op stedelijke schaal zullen we fundamenteel moeten heroverwegen hoe we wonen, werken en gebieden dicht bij de stad
gaan ontwerpen. En dan bedoel ik niet dat we steeds meer landschap moeten opofferen. Ik pleit voor geconcentreerde stedelijke gebieden waar infrastructuur en verkeer een belangrijke rol zullen spelen. In de nabije toekomst wil lang niet iedereen meer een auto hebben, maar in de plannen van projectontwikkelaars zie je nog steeds dat autobezit en dus het aantal parkeerplekken voorrang hebben. Het programma van eisen van nieuw te ontwikkelen gebieden zullen we echt anders en veel socialer moeten gaan aanpakken. Het is aan ons architecten een creatieve bijdrage te leveren aan dit debat.

Tot slot. Wie van de jonge generatie architecten wil je dat ik ga interviewen en waarover?

Ik stuur je naar Ekim Tan, oprichtster van Play the City. Zij komt uit Turkije en ik vind haar een interessante vrouw. Met haar city game wil zij spelers met conflicterende interesses nader tot elkaar brengen om zo te voorkomen dat stedelijke ontwikkelingen stagneren. Dat klinkt heel mooi. Waar ik benieuwd naar ben, is waarom zij voor games koos en wat haar doelen precies zijn. Hoe efficiënt zijn die spelletjes precies en heeft ze al concrete resultaten geboekt?

Dit artikel is gepubliceerd in ArchitectuurNL nummer 5 van 2017

Gerelateerd

Tags: , ,

    Schrijf een reactie