Interview Debra Solomon

Interview

Interview Debra Solomon

Door: Peter de Winter | 13-04-2017

Met eenvoudige ingrepen het ‘kijkgroen’ vervangen door ecologische, eetbare landschappen in de openbare ruimte is wat haar voor ogen staat. Door eetbaar groen verandert de klank in de stad, worden zomerdagen koeler, zingen er meer vogels en vermindert de wateroverlast bij stortbuien. Dergelijk groen levert niet alleen een prachtig gevarieerde biodiversiteit op, het verandert saaie plekken in prettige verblijfsgebieden waar stadsbewoners graag komen. Kunstenaar Debra Solomon is de 24ste kandidaat in de interviewestafette.

Debra Solomon is nauw verbonden aan URBANIAHOEVE, Social Design Lab voor stadslandbouw. Doel van deze organisatie is eetbare landschappen (foodscapes) in de stedelijke openbare ruimte aanleggen en delen van de bestaande groeninfrastructuur – het zogenoemde kijkgroen – vervangen door ecologisch, eetbaar groen. Een van de projecten waaraan Solomon is verbonden is de DemoTuinNoord in Amsterdam, een eetbaar landschap dat bestaat uit een pluk- en theetuin, fruitheggen, een collectief beheerde buurtmoestuin, een permacultuur voedselbos en een ecologische kwekerij. De tuin beslaat zo’n 1.500 vierkante meter en er groeit onder meer hard en zacht fruit en vaste kruiden. Solomon werd geboren in Californië USA en vindt zichzelf op de eerste plaats kunstenaar. Naar eigen zeggen stelt het kunstenaarschap haar in staat met een relatief onbevangen blik naar zowel kunst, wetenschap en natuur als naar de stad en de stedelijke omgeving te kijken en deze aandachtsgebieden op een oorspronkelijke manier te combineren. Ze groeide op in een milieu waar ze de ruimte kreeg zich als kunstenaar te ontwikkelen. Maar ook liefde voor de natuur en kennis van de aarde en het landschap, werden haar met de spreekwoordelijke paplepel ingegoten.

Vertel eens wat meer over die paplepel

Mijn vader verdiende de kost als geoloog en mijn opa was in zijn vrije tijd een fanatiek amateur landschapsarchitect. Als er in of om huis iets moest gebeuren, dan stroopten we zelf onze mouwen op. Toen op een gegeven moment de grond rondom ons huis in een soort moeras dreigde te veranderen en de planten in de modder verzopen, hebben we eigenhandig een soort drainagesysteem aangelegd om ons huis en de beplanting van de ondergang te redden. Mijn belangstelling voor en kennis over ecosystemen, bodemorganismen en hoe je als mens daar op een positieve manier op kunt ingrijpen, heb ik dus al jong meegekregen. En die kennis kwam me goed van pas toen ik op een voormalig parkeerterrein in Amsterdam Noord een voedselbos mocht ontwikkelen.

Parkeerterrein wordt voedselbos. Vertel!

Wat we in Noord aantroffen, was een kaal parkeerterrein van 1.500 vierkante meter waar berenklauw, bramen en brandnetels woekerden, maar ook veel bomen en struiken stonden. We hebben gewied wat onbruikbaar was en behouden wat we waardevol vonden. De klinkers werden weggehaald en op het schrale zand werd een mulch aangebracht. Dat is een laag dode organische stoffen die is opgebouwd uit verschillende lagen houtsnippers, karton en bladeren van verschillende bomen en struiken. Deze lagen werden niet gemengd, maar gestapeld en verder met rust gelaten. Het idee achter die lagen is dat de natuur z’n werk kan doen. Door de mulch veranderde de kale zandvlakte in een periode van drie jaar in een bodem met extreem technische eigenschappen. Wat ik met technisch bedoel? Dat is dat de grond niet alleen vruchtbaar werd, maar ook een goed waterdoorlatende laag vormde die dienst doet als waterbuffer. Daarnaast is het terrein een opslag voor koolstof. Je hebt het inderdaad over een kunstmatige bodemstructuur die je nooit in de natuur zult aantreffen, maar die toch uit zichzelf ontstaan is. Door de natuur zijn gang te laten gaan, veranderden de organische lagen in zwarte, vruchtbare grond waarop gewassen het uitstekend doen. Op de plek waar eerst auto’s stonden, oogsten we nu fruit, bessen, artisjokken, rabarber, aromatische kruiden en bloemen.

Wat is de toegevoegde waarde van zo’n voedselbos?

Op de eerste plaats produceert de DemoTuinNoord zo’n tien maanden per jaar hoogwaardig, eiwitrijk en dus gezond voedsel. Als gezegd is het een water- en koolstofopslag en biedt de plek onderdak aan een educatief centrum. Wat we er vooral wilden laten zien, was hoe je met relatief eenvoudige ingrepen en middelen en ter plekke voorhanden materialen een voedselbos kunt aanleggen op elke willekeurige plek in de stad. Daarnaast is het een habitat met voor de stad een prachtig gevarieerde biodiversiteit. In de loop van de tijd begonnen er steeds meer verschillende planten te groeien die op hun beurt allerlei vogels en insecten aanlokken. Een kale parkeerplaats veranderde in een paar jaar tijd in een prettig verblijfsgebied met parkachtige kwaliteiten. De omringende bewoners komen er graag. Het voedsel dat vrijwilligers er verbouwen mogen ze voor eigen gebruik oogsten. We doen niet aan verkoop.

Maar niet overal zijn er lege parkeerplaatsen.

Dat hoeft ook niet. Je kunt een hoogwaardig ecosysteem overal aanleggen waar je niet per se eenvormige perkjes of kale trapveldjes wilt hebben. En 1.500 vierkante meter is al helemaal geen voorwaarde. Sterker nog, het kan zelfs in een groenstrook die maar 40 centimeter breed is. Dat is het probleem dus niet. Wat nodig is, is een gemeentebestuur dat aan voedselbossen wil meewerken en buurtbewoners die er een succes van willen maken.

En daar loopt het spaak?

Je bent beslist afhankelijk van enthousiaste vrijwilligers. Als we onze plannen voor een voedselbos aan de buurt presenteren, zijn de bewoners aanvankelijk erg enthousiast en willen ze graag meedoen. Als de schop in de grond moet, dan heb je handen genoeg. Op de langere termijn blijkt het lastig bewoners blijvend bij het onderhoud van de voedselplekken te betrekken. En dat snap ik best. Onderhoud vraagt veel kennis en ik merk dat mensen afhaken op het moment dat het besef doordringt dat ze het beheer van het groen voor hun rekening moeten nemen. Het is ook een oneerlijke opdracht: de openbare ruimte duurzaam beheren, is geen taak van goedwillende bewoners.

Want?

Dergelijke ecologische stadlandschappen zouden door de overheid behandeld en gezien moeten worden als infrastructuur. Want zo moet je in mijn optiek kijken naar groene zones die aansluiten op de bestaande ecologische hoofdstructuur. Daar komt bij dat de landschappen die wij aanleggen niet per definitie ingewikkeld zijn. Toch is voor goed onderhoud behoorlijk wat kennis en tijd nodig. Vergelijk het maar met fietspaden, trottoirs, wegen, bruggen en viaducten. Die infrastructurele componenten spelen een cruciale rol in de leefbaarheid van de stad en die laat je ook niet door buurtbewoners onderhouden. Ecosystemen en voedselplekken spelen een vergelijkbare rol als het om de leefbaarheid van de wijken in de stad gaat. Het onderhoud ervan moet je dus ook niet afschuiven op buurtbewoners. Betrokkenheid bij het groen door buurtparticipatie is prima, maar zonder nauwe betrokkenheid van de overheid blijft het een moeizaam verhaal.

Waarom wil een kunstenaar pionier in stadslandbouw worden?

Ik wil leven in een stad die door zijn opzet een positieve bijdrage levert aan de oplossing van de klimaatproblematiek in plaats van er de mede veroorzaker van te zijn. Niet voor niets ben ik utopist. Een van de slagzinnen van Urbaniahoeve is ‘realistisch utopisme zonder knipoog.’ En dat wil ik bewerkstelligen.

Ik ben nog niet overtuigd.

Stel je voor dat we op elke plek die zich daarvoor leent het bestaande ‘kijkgroen’ vervangen door ecologische landschappen die wortelen in een levende, robuuste ondergrond dan kunnen we het verschil maken tussen een leefbare stad of een samenraapsel van benauwende woonwijken waar mensen zich niet echt thuis voelen. Stel dat we daarvoor kiezen, dus voor structureel voedsel verbouwen en nieuwe natuur in de woonwijken creëren, dan zal dat een positieve impact hebben op de inrichting van de stad. Een uitgewogen groene infrastructuur kan nogal wat op gang brengen. Groen betekent meer zuurstof en minder fijnstof. Groen verandert de akoestiek in de wijken. De geur die tussen de huizen hangt wordt aangenamer, de kleur van het daglicht mooier, de luchtvochtigheid komt in balans. Door de opgaande beplanting zijn de zomeravonden een stuk koeler en waait de wind minder hard. Ook hoor je meer vogels zingen en insecten zoemen terwijl de verbeterde ondergrond de wateroverlast bij stortbuien vermindert en tegelijkertijd voldoende vocht vasthoudt om de beplanting van voedsel te voorzien. Gevolg hiervan is dat de bewoners zich prettiger gaan voelen in hun wijk.

Tot slot. Wie wil je dat ik ga interviewen en waarover moet ons gesprek gaan?

Ik stuur je naar Caroline Nevejan. Zij is net aangesteld als Chief Science Officer van de gemeente Amsterdam en als bijzonder hoogleraar in de context van urbanism bij de UvA. Waar ik benieuwd naar ben, is wat Nevejan in Amsterdam en aan de UvA teweeg wil brengen. En als je haar dan toch spreekt, vraag dan naar haar visie op vertrouwen in netwerk communities.

Tekst: Peter de Winter
Fotografie: Martin Wengelaar
Dit artikel is gepubliceerd in ArchitectuurNL 2/2017

Gerelateerd

Tags: , ,

    Schrijf een reactie