Interview Annet van Otterloo

Interview

Interview Annet van Otterloo

Door: Peter de Winter | 12-02-2017

Voor haar geen broedplaats als exclusief domein voor kunstenaars. Waar het om draait, is geldstromen ombuigen en verbinden, maar ook om bewoners iets met hun passie laten doen. Het maakt niet uit of het gaat om koken, 3D borduren of kinderwagens oplappen. Ze wil de productiekracht van mensen uit het informele circuit halen zodat er inkomen uit arbeid ontstaat. Dát versterkt de lokale economie en is cruciaal voor het succes van een wijk. Annet van Otterloo is de 23ste kandidaat in de interviewestafette.

Stichting Freehouse werd in 1998 opgericht door beeldend kunstenaar Jeanne van Heeswijk en onderzoekt de relatie tussen lokale productie en collectieve ontwikkeling van de openbare ruimte. Meer concreet buigt Freehouse zich over de vraag hoe ze de Rotterdamse Afrikaanderwijk van binnenuit sterker kan maken door een intensieve samenwerking aan te gaan met de mensen die er wonen en de aanwezige kwaliteiten en talenten verder te ontwikkelen. Idee achter deze aanpak was een inclusieve, integrale wijkontwikkeling op gang brengen. In omliggende stedelijke gebieden zoals de Kop van Zuid, Katendrecht en Parkstad werden allerlei initiatieven in gang gezet om de kwaliteit van die gebieden te verbeteren. De Afrikaanderwijk lag er als een soort vergeten driehoekje tussenin. In deze wijk werd nauwelijks geïnvesteerd en veel initiatieven kwamen niet van de grond terwijl de problematiek wel anders verdiende. Freehouse meent dat er met de mensen en hun creativiteit meer dan voldoende kwaliteit in de wijk aanwezig is om een paar forse stappen in de goede richting te kunnen zetten.

Een gewaagde aanname, vind je niet?

Best wel. In de Afrikaanderwijk speelt wel een aantal issues. Zo woonden er in 2008 zo’n 9.500 mensen waarvan ruim 30 procent onder de armoedegrens leefde. Slechts de helft van de bevolking had inkomen uit arbeid. Dat klinkt bepaald niet opbeurend. Dat we de wijk toch kansrijk vinden, komt omdat hij bewoond wordt door initiatiefrijke mensen die wel degelijk iets kunnen. Zo zijn er bewoners die thuis sambal en chutneys maken en als er een nichtje gaat trouwen, dan zijn er buurtgenoten die voor honderd gasten eten koken en ook nog een trouwjurk en de jurkjes voor de bruidsmeisjes maken. Er wordt dus volop geproduceerd in een informeel netwerk. Wij willen de productiekracht van de wijkbewoners ook voor anderen zichtbaar maken en uit het informele circuit halen zodat ze er geld mee kunnen gaan verdienen en dus een inkomen uit arbeid krijgen. Om dit voor elkaar te krijgen, hebben we coöperatieve werkplaatsen ingericht zoals een wijkkeuken en een wijkatelier rondom textiel. Die werkwijze versterkt de lokale economie, dat is cruciaal voor het succes van een wijk.

Spelen er nog andere issues?

Een ander probleem in de Afrikaanderwijk was de reputatie van de plaatselijke markt. Die wordt twee keer per week gehouden, maar de boel was nogal tam en futloos en de omzet viel bar tegen. Om de markt  nieuw leven in te blazen, ontwikkelden we ‘De Markt van Morgen’, waarbij we allerlei kleine interventies pleegden in samenwerking met marktlieden en kunstenaars of ontwerpers. Zo willen we het negatieve beeld dat veel mensen van de Afrikaandermarkt hebben bijstellen en door kunst en markt op een originele manier verbinden meer leven in de brouwerij brengen

En daar zaten de marktkooplieden op te wachten?

Bepaald niet nee. Marktlieden en kunstenaars zijn eigengereide types die leven in heel verschillende werelden. Het valt niet mee om die werelden op een productieve manier te laten matchen. De eerste poging om te verbinden, was een samenwerking tot stand brengen tussen een koopman met een stoffenkraam en een kunstenaar die theaterdecors ontwierp. De decorontwerper had met de stoffen van de koopman de kraam uitgebouwd tot een eyecatcher die al van ver af opviel. Gevolg was dat die marktkoopman een topomzet draaide. Overigens kostte het best wat moeite de koopman over te halen tot samenwerking. De stichting betaalde die dag zijn kraamhuur. De marktkoopman liep dus geen enkel risico. Daarna hebben we nooit meer de kraamhuur hoeven betalen omdat het succes van de samenwerking als een lopend vuurtje over de markt ging. Maar de marktinitiatieven waren slechts speldenprikjes om aan te tonen dat je door een creatieve productpresentatie je omzet positief kunt beïnvloeden. Daarnaast was er op De Markt van Morgen meer te beleven, we organiseerden bijvoorbeeld ook modeshows. Daardoor kwamen de wijkbewoners er vaker, bleven langer hangen en gaven zo meer uit. Uiteraard kunnen we kunstenaars en marktlieden niet tot in het oneindige aan elkaar blijven koppelen, maar dat hoeft ook niet. We wilden de zaak in beweging brengen. Laten zien dat je met onverwachte initiatieven de sfeer op een markt positief kunt beïnvloeden.

Hoe bereiken jullie de wijkbewoners?

Je hebt in deze wijk te maken met de economische realiteit dat maar weinig mensen betaald werk hebben, terwijl ze wel de capaciteit hebben geld te verdienen met wat ze kunnen. Dat potentieel willen we verzilveren door initiatieven te ontplooien. Een goed voorbeeld daarvan is wat we in het Gemaal op Zuid organiseren, de thuisbasis van de Afrikaanderwijk Coöperatie. We hebben het potentieel aan koks in de wijk ondergebracht in een coöperatieve werkplaats: de Wijkkeuken van Zuid. In deze keuken participeren wijkbewoners die elk hun eigen culinaire specialiteit hebben en graag op professioneel niveau willen koken, maar niet over de mogelijkheden en het netwerk beschikken om dat te organiseren. Die organisatorische professionaliteit met bijbehorend netwerk kunnen wij ze als Freehouse wel bieden terwijl zij zelf een rijk geschakeerd netwerk vormen. Als er morgen Libanese maaltijden nodig zijn, dan hoef ik bij wijze van spreken maar drie mensen te bellen en ik heb een kok die dergelijke maaltijden kan maken.

Maar het leven bestaat toch uit meer dan koken?

De wijkcoöperatie is meer dan een cateraar op professioneel niveau. Vanuit de coöperatie ondernemen we tal van lokale initiatieven. Een aardig voorbeeld daarvan is een jongen die kinderwagens opknapt.  Zo’n typisch jochie van om de hoek; bontkraagje, stoer, maar een hart van goud. Hij ontdekte dat er voor kinderwagens vet betaald wordt. Hij snorde afgeragde kinderwagens uit het hogere segment op, reviseerde ze om ze door te verkopen alsof het scooters waren. Zo’n kleinschalig initiatief ondersteunen we door hem in het Gemaal op Zuid een plek te geven voor zijn handel. Overigens gaat het goed met die jongen. Hij heeft inmiddels zijn eigen winkeltje elders in de wijk. Het Gemaal is dus geen broedplaats in de traditionele zin van het woord. Bij ons geen exclusief domein voor creatieve kunstenaars die van buiten de wijk komen. De coöperatie faciliteert initiatieven waarmee mensen uit de wijk geld kunnen gaan verdienen met hun passie. Dat kan maaltijden koken zijn, maar ook kleding naaien, borduren of kinderwagens opknappen. Die creatieve bronnen willen we aanboren.

Onlangs kregen jullie kritiek dat een wijk niet opbloeit van hippe gasten.

Die kritiek was dat de initiatieven die wij ontwikkelen, slechts een druppel op een gloeiende plaat zijn. En getalsmatig klopt die redenering. Wij gaan als coöperatie nooit alle werkelozen uit de wijk aan een fulltime baan helpen, maar dat lukt de gemeente Rotterdam ook niet. Wat wij wel teweegbrengen? Ik weet dat we voor veel wijkbewoners wel degelijk het verschil kunnen maken. Ze krijgen binnen de coöperatie de kans hun kwaliteiten te ontplooien waarmee ze hun inkomen kunnen aanvullen met eigen initiatief. Daarvan moet je de betekenis beslist niet onderschatten. Veel vrouwen van rond de vijftig waren altijd alleen dochter, moeder, oma, echtgenoot of buurvrouw. Ze werden nooit aangesproken op hun professionele kwaliteiten. Als je dan ineens de kans krijgt je te profileren als professioneel kok of vakbekwaam naaister, dan doet dat echt iets met je gevoel van eigenwaarde. Er wonen hier vrouwen die virtuoos 3D kunnen borduren. Van huis uit maken ze altijd roosjes of andere bloemetjes. Tot de dag dat zich een textielontwerper meldt met de vraag of ze ook 3D doodshoofdjes kunnen maken. Blijkt geen enkel probleem. Kunstenaar opgetogen en die vrouwen zijn ineens betrokken bij werk waar ze normaal gesproken nooit mee in aanraking komen.

Toch blijft de Afrikaanderwijk een armlastige buurt

Het ligt er maar aan hoe je ernaar kijkt. Het is inderdaad een arme buurt. Overheden, welzijnsorganisaties en corporaties geven hier niet minder geld uit dan elders in de stad. Probleem is dat het geld niet in de wijk landt. Met de Afrikaanderwijk Coöperatie proberen we nieuwe geldstromen naar het gebied te trekken, maar ook bestaande geldstromen om te buigen zodat ze ten gunste komen van de bewoners. Neem Vestia. Die corporatie bezit 80 procent van de woningen en heeft dus een heleboel portieken die schoongemaakt en onderhouden moeten worden. Dat gebeurde eerst door een schoonmaakbedrijf van buiten de stad. Om daar verandering in brengen, hebben wij als wijkcoöperatie schoonmaakdienst ‘Schoon’ opgericht met als doel een aantal mensen uit de wijk aan een baan te  helpen. Daarnaast wordt de bedrijfskleding lokaal geproduceerd, gaan de dweilen van de schoonmakers naar de plaatselijke wasserette en doet een lokale dame de administratie van Schoon. Met een paar simpele ingrepen circuleert het geld nu dus in de wijk. Daar komt bij dat de schoonmakers uit de wijk komen en altijd wel een oom, een buurman of een neef van iemand zijn. Dat maakt dat de mensen vanzelf ook minder snel hun rommel laten slingeren omdat ze weten wie het straks weer schoon moet maken. Bovendien vervullen de vertrouwde gezichten van de schoonmakers ook nog een andere sociaal-maatschappelijke functie. Ze kunnen bij oudere bewoners zo nodig een oogje in het zeil houden of een praatje maken. Met een  schoonmaakploeg van buiten de stad lukt dat beslist niet. Ook dat is de  kracht van het kleinschalige organiseren. Hoe dichter bij de mensen je initiatieven ontplooit, hoe groter de impact op wijkniveau is.

Tot slot, wie wil je dat ik ga interviewen en waarover moet ons gesprek gaan?

Ik stuur je naar Debra Solomon, een pionier in de Stadslandbouw. Zij dacht al na over de relatie tussen voedsel en de stad, toen volkstuintjes nog voor bejaarden en hippies waren. Ze heeft een constructieve, duurzame blik op stadslandbouw. Niet als een verzameling van (tijdelijke) moestuinen, maar als een infrastructuur die ingepast moet worden in het stedelijke weefsel. Over de noodzaak van dat laatste moet je het gesprek met haar maar aangaan.

Tekst: Peter de Winter
Fotografie: Martin Wengelaar
Dit artikel is gepubliceerd in ArchitectuurNL 1/2017

Gerelateerd

Tags: ,

    Schrijf een reactie

    Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.