Ronald Rietveld van RAAAF kiest voor vrijheid

Interview

Ronald Rietveld van RAAAF kiest voor vrijheid

Door: Peter de Winter | 12-09-2018

Experimenteren en uitvinden waar je fascinaties liggen. Daar gaat het om zegt Ronald Rietveld van studio RAAAF. De studio acteert op het snijvlak van kunst, architectuur en filosofie en sleepte ruim tien prijzen in de wacht. Toch heeft hij een soort haatliefdeverhouding met het vak. Veel architecten zijn slaaf van de markt en dat benauwt hem. Vaker nee zeggen en kiezen voor je vrijheid is zijn advies. Alleen dan kan je je tot autonoom ontwerper ontwikkelen. Rietveld is de 32e kandidaat in de interviewestafette.

Architect Ronald Rietveld startte samen met zijn broer (filosoof) Erik in 2006 de multidisciplinaire en experimentele ontwerpstudio RAAAF (Rietveld Architecture-Art-Affordances) in Amsterdam. Kunstopdrachten bepalen het merendeel van het werk van de ontwerpstudio. Dat is niet onopgemerkt gebleven. RAAAF opereert succesvol op het snijvlak van kunst, architectuur en filosofie en sleepte het afgelopen decennium meer dan tien onderscheidingen in de wacht, waaronder de European Prize of Architecture 2017, The Great Indoors Award 2015, New Talent 2015 (Metropolis Magazine NYC), Emerging Architecture Award 2013 (Architectural Review UK) en Architect van het Jaar in datzelfde jaar.

Toelating Akademie van Kunsten

De studio is vorig jaar toegelaten tot het selecte gezelschap van de Akademie van Kunsten (KNAW), een voorlopig hoogtepunt in het relatief jonge bestaan van RAAAF. Ronald Rietveld ziet de toelating tot de Academie als een grote eer. Met de toetreding bevindt de studio zich in het illustere gezelschap van beroemdheden als Paul Verhoeven, Jaap van Zweden en Anton Corbijn. Rode draad in het werk van RAAAF is locatiespecifiek werken en strategische interventies als ontwerpbenadering.

Was dat een bewuste keuze, acteren op het snijvlak van drie disciplines?

Zeker. We hebben van meet af aan gekozen voor een intensieve samenwerking tussen kunst, architectuur en filosofie, zo je wilt wetenschap. We hanteren nadrukkelijk een eigen agenda en we starten elk werk vanuit onze eigen fascinaties. Dat klinkt misschien interessant, er zijn meer mensen die dat proberen, maar het blijven volhouden, is een andere verhaal. De consequentie van zo te werk gaan, is dat we pakweg 60 procent van het werk dat we aangeboden krijgen weigeren en dat we dat vanaf dag één hebben volgehouden. Ik heb het geluk gehad dat ik al vroeg in mijn loopbaan de Prix de Rome won (Prix de Rome Architectuur 2006, gouden medaille, red.). Die prijs bevindt zich op het snijvlak van kunst en architectuur en stelde me in staat een duidelijke visie te ontwikkelen over hoe ik bezig zou willen zijn met architectuur. Desondanks heb ik toch ook een soort haat-liefdeverhouding met het vak. Veel architecten zijn slaaf van de markt waarvoor ze werken en dat idee benauwt me.

Vind je het architectenvak benauwend?

Ik heb er zelf geen last van, maar wat ik om me heen zie, is dat veel collega’s er wel onder gebukt gaan. Veel ontwerpers hebben moeite om los van de markt te opereren omdat ze bang zijn anders geen opdrachten te krijgen. Ik keer het liever om. In mijn optiek moet je juist veel dingen níet doen om ervoor te zorgen dat je de opdrachten krijgt die je beslist wél wilt doen. Het is namelijk belangrijk om je als jonge architect te profileren en dan kan je maar beter selectief zijn dan dat je alles maar aanneemt. Althans, zo denk ik.

Hoe beïnvloedt de filosoof de architect?

Daarmee zijn we direct bij de vraag die David Veldhoen aan mij stelde, in jouw vorige interview. Hij wilde weten welke recente ontwikkelingen uit de wetenschap van invloed zijn op nieuwe vormen van architectuur. Een goed voorbeeld daarvan is The End of Sitting: een opdracht uit 2014 van
toenmalig Rijksbouwmeester Frits van Dongen. De vraag waarmee hij ons uitdaagde, was om fundamenteel na te denken over de Rijkswerkplek van de toekomst. Het was een open vraag waar we als bureau nog alle kanten mee op konden.

Welke weg sloegen jullie in?

De meeste architecten zullen een gebouw gaan ontwerpen vanuit het idee hoe het kantoor van de toekomst er in hun ogen uit moet zien. Ons vertrekpunt was het menselijk lichaam. Waar wij naar keken, was hoe je je lichaam op een andere manier in de ruimte zou kunnen bewegen. Aanleiding was: ‘Zitten is dodelijk’, een grote kop in de NRC boven een artikel over de gevaren van zittend werken. Wat wij ons afvroegen, was wat die mededeling zou betekenen als je hem vertaalt naar ‘het kantoor’ waarin de meeste mensen toch minstens acht uur zittend doorbrengen. Door te denken vanuit handelingsmogelijkheden en het menselijk lichaam als ontwerpuitgangspunt te nemen, bevrijdden we ons van stoelen en tafels als archetypes van kantoorinrichting. Wij wilden een antwoord geven op de vraag hoe je je lichaam op een meer actieve manier in de ruimte een plek kunt geven.

En daarbij gingen jullie grondig te werk?

Bij elk project doen we ook altijd diepgaand historisch onderzoek. Als je wilt weten waar je naar toegaat, moet je weten waar je vandaan komt. Je moet je verhouden tot de geschiedenis. Voor The End of Sitting onderzochten we hoe de werkplek door de eeuwen heen evolueerde. We kwamen tot de slotsom dat hoe hip een kantoorconcept ook is, het eindresultaat bijna altijd neerkomt op stoelen en tafels. Maar wat als die er niet meer zijn? Wat als we het kantoor van de toekomst niet gaan benaderen vanuit de architectuur, maar vanuit de mens en dan terug gaan denken naar wat dat voor de architectuur zou kunnen betekenen. Dat is typerend voor de denk- en werkwijze van onze studio: radicaal aan de andere kant van het spectrum beginnen en dan terugdenken. Precies tegenovergesteld werken van wat je normaal gesproken zou doen. Dat gaat niet vanzelf. Het kost ons maanden denkwerk voordat we met ontwerpen kunnen beginnen. Uiteindelijk kwamen we tot een complex ruimtelijk ontwerp, zonder een stoel of tafel, dat volgens ons het kantoor van de toekomst benadert.

RAAAF werkt locatiespecifiek en ontwikkelt strategische interventies. Levert dat betere architectuur op?

Denken vanuit het principe van strategische interventies, betekent dat de ingreep niet op zichzelf staat, maar exemplarisch is voor een groter idee. Als het appelleert aan een groter idee is het ook makkelijker te communiceren naar een groter publiek en werkt het ook op andere plekken. Waar het ons om gaat, is dat het ontwerp goed gekozen is qua locatie en dat het een zorgvuldig ontworpen ingreep is die nieuwe, gewenste ontwikkelingen in gang zet. Heel veel architectuur staat namelijk te veel op zichzelf en zet géén nieuwe ontwikkelingen in gang, althans, niet de ontwikkelingen die je in een bepaald gebied wilt hebben.
Dat geldt zeker ook voor de publieke ruimte. Die wordt steeds meer geprivatiseerd en is goeddeels verstoken van slimme interventies. Als je bijvoorbeeld een nieuw stuk stad ontwerpt, moet je voordat je iets gaat neerzetten eerst stilstaan bij de vraag wat voor publieke ruimte je wilt creëren. Wat mij interesseert, is hoe je met architectuur en publieke ruimtes een nieuwe collectiviteit in een stad kunt bewerkstelligen.

Hoe bereik je die nieuwe collectiviteit?

Nadenken over welke betekenis je aan de publieke ruimte kunt geven in plaats van eenzijdige focussen op grondopbrengst en zoveel mogelijk dure woningen verkopen. Je zou eerst fundamenteel moeten nadenken over hoe je met wie in wat voor soort gebouwen wilt samenleven. Als het erop aankomt, is dat zelfs belangrijker dan de uitstraling van de architectuur. Het gaat daarbij om wat je met architectuur teweeg wilt brengen in de publieke ruimte, om gedeelde verantwoordelijkheid, sociale interactie en ontmoetingen faciliteren. En dat alles locatiegebonden en bedacht op het snijvlak van architectuur, kunst en filosofie. Dat vraagt een ander soort houding in het nadenken over de mensen waarvoor je werkt, maar is beslist nodig. Wonen moet uiteindelijk toch een soort ruimtelijk feestje voor de bewoners zijn.

Wat stoort je aan jonge architecten?

Dat ze al heel snel denken aan hoe ze geld kunnen verdienen. Ik snap dat je rond moet komen, maar vooral aan het begin van je loopbaan zou het goed zijn als je op de eerste plaats aandacht besteedt aan wat je wilt bereiken in architectuur en wat je fascinaties zijn als het om het vak gaat. De antwoorden op dergelijke essentiële vragen zet je niet op een achternamiddag op een rij. Ideeën moeten rijpen en daar heb je tijd voor nodig. Hoe triest is het niet om te zeggen dat je de crisis nodig had om een andere koers te kiezen. Kom op zeg. De juiste koers uitzetten, is een zaak van je hart durven volgen en dat zou je sowieso moeten doen, economische malaise of niet.

En dat valt of staat met een autonome houding?

Beslist! Ik zie om me heen best veel schijnbaar activistische architecten die ‘zomaar’ in de val lopen van marktgericht werken als er gebouwd moet worden. Als ze jong zijn hebben ze nog een pretentieuze agenda, maar die stort als een kaartenhuis in elkaar zodra er een opdrachtgever in beeld komt. Als je daadwerkelijk een nieuwe bijdrage aan het vak wilt leveren, nieuwe wegen wilt inslaan en ruimtelijke denkbeelden wilt ontwikkelen, dan kies je voor een autonome houding. Durf ook nee te zeggen tegen een opdracht en te kiezen voor je vrijheid. Dat is de enige manier om je tot een autonoom ontwerper te ontwikkelen. Niet een opdrachtgever, maar jij bepaalt de agenda en de thema’s waaraan je wilt werken. Begrijp me niet verkeerd, er zijn ook architecten die in opdracht mooie en verfijnde gebouwen maken. Daar is niks mis mee. Niet iedereen hoeft een uitzonderingspositie op te zoeken, maar pretendeer dat dan
ook niet. Waar het uiteindelijk om gaat, is dat je liefde, aandacht en tijd in een werk kunt stoppen. Daar ligt wat mij betreft de grens.

Wat frustreert je als het om architectuur gaat?

Dat talentvolle jonge mensen die ineens boven komen drijven niet de tijd en de vrijheid nemen en krijgen om zich verder te ontwikkelen. Het moet allemaal snel, snel, snel. Dat geldt overigens voor meer
disciplines. Tijdsdruk om te presteren en publiceren is funest voor de doorontwikkeling van talent. Talent is op zijn best het startpunt van een boeiende ontdekkingstocht. Verder gaat het om gedrevenheid,
experimenteren, durven mislukken en opnieuw beginnen.

Tot slot. Wie van de oudere generatie wil je dat ik opzoek en waar moet ons gesprek over gaan?

Daar ga ik eens diep over nadenken.

Tekst: Peter de Winter
Fotografie: Martin Wengelaar

Dit artikel is gepubliceerd in ArchitectuurNL nummer 4 van 2018

Gerelateerd

Tags: , , ,

    Schrijf een reactie

    Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.