Woonexperimenten, daar gaat het om zegt David Veldhoen

Interview

Woonexperimenten, daar gaat het om zegt David Veldhoen

Door: Peter de Winter | 03-07-2018

De complexiteit in architectuur en in woonexperimenten is schijnbaar groter dan die in kunst omdat architecten driedimensionale ruimtes ontwerpen die bij elke stap een andere invalshoek krijgen. In een kunstwerk kun je die complexiteit bereiken in een tweedimensionale 3D-illusie of in een sculptuur of installatie. Het verschil is dat als een kunstwerk tegenvalt je het wegbergt, maar een gebouw er minstens vijftig jaar staat. Dat geeft architecten grote verantwoordelijkheid. David Veldhoen is de 31ste kandidaat in de interviewestafette.

David Veldhoen noemt zichzelf beeldhouwer, architectonisch ontwerper en activist. Hij staat open voor alles wat het leven te bieden heeft – zo ben ik opgevoed – en pas nadat hij een opdracht krijgt of hij die zichzelf stelt, gaan de beeldhouwer, ontwerper en activist met elkaar in conclaaf en ontstaat er een vormentaal waarvan de kunstenaar niet wist dat hij die in zich had. Hij wijst in dit verband naar het Melarium in Delft (2016). Dit paviljoen voor bijen, imkers, en natuurliefhebbers vindt hij een goedvoorbeeld van een architectonische invulling van een opdracht voor kunst in de openbare ruimte.

Meer recentelijk, noemt hij het lichtobject boven de tafel in zijn huiskamer. Wat in de winkels hing was saai,eenvormig of niet bijzonder genoeg, dus ging hij als ontwerper zelf aan de slag. Hij begon met schetsen en vormexperimenten in papiermaché om onderzoekenderwijs uit te komen bij 3D-printen in PLA, een biologisch afbreekbaar plastic. Wat hem daarbij voor ogen staat, is hoe je een object ondanks een hightech procedé toch persoonlijkheid en ziel kunt geven. Meer dan om de creatie van een kunstwerk gaat het daarbij om de zoektocht en om de vraag of je met inzet van nieuwe technieken, zoals het CNC-frezen van de massief Accoya houten gevelelementen van het Melarium, een andere vorm van architectuur kunt initiëren die de leefomgeving mooier of interessanter maakt.

Wat is de toegevoegde waarde van een beeldend kunstenaar aan de gebouwde omgeving?

Die zou filosofisch kunnen zijn. Je kunt bijvoorbeeld ideeën uitwerken over hoe je als beeldend kunstenaar over de samenleving denkt en kritisch bevragend meedenken over een nieuw programma voor de stad. Zo heb ik Table Plan (Tafelschikking) voorgesteld, een woonexperiment als ‘sociale sculptuur’ voor honderd mensen met een basisinkomen in een specifiek voor de samenstelling van bewoners te ontwerpen woonblok. Voor dit experiment heb ik bewust samenwerking gezocht met epidemiologisch psychiater Jim van Os. Hij onderzoekt onder meer de impact van de ruimtelijke omgeving op ons welbevinden. Idee voor het experiment is dat als je bewoners van deze enclave een basisinkomen geeft, zaken als geld verdienen, ecologie, privé versus gemeenschappelijk samenleven en de huisvestingsvraag in een ander, minder stressvol daglicht komen te staan.

En die woonexperimenten zijn nodig?

Zeker. Er komt in deze tijd nogal wat op ons af en we zullen andere keuzes moeten gaan maken. We hebben te maken met een onevenredig snel vergrijzende samenleving met een ultieme piek rond 2040. Daardoor zal nagedacht moeten worden over hoe ouderen en jongeren elkaar straks kunnen ondersteunen en hoe dat ruimtelijk in te passen valt. We moeten ook keuzes maken waar het gaat om kopen of huren, waar, voor wie en hoe we sociale huisvesting ontwikkelen en huisvesting voor studenten en starters. Hoe reageren we op de steeds grotere verschillen tussen arm en rijk. Je kunt wel doorgaan met de stad in elkaar zetten zoals we dat altijd gedaan hebben, maar volgens mij is het tijd voor een pas op de plaats. We zouden een filosofisch debat moeten starten en fundamenteel nadenken over hoe we vraagstukken waar steden voor staan, architectonisch kunnen vormgeven. Wat we in de toekomst gaan bouwen, kan er maar beter goed uitzien. Ik bedoel daarmee dat als je verliefd bent en in een grijze flat op de tiende verdieping woont, het allemaal niet zoveel uitmaakt. Maar in het algemeen draagt een goed vormgegeven, groene leefomgeving aantoonbaar bij aan het gevoel van welbevinden van bewoners en gebruikers. Glas, beton en staal zijn niet transparant of licht, maar juist zwaar, hard en ondoordringbaar en als je te hoog woont, verlies je de menselijke maat. Het zou dus goed zijn als er ook kunstenaars bij stedelijke ontwikkeling betrokken worden.

Is architectuur bedrijven moeilijker dan kunst maken?

De complexiteit in architectuur lijkt groter dan in kunst omdat een architect zich moet inbeelden hoe driedimensionale ruimten en allerlei verschillende materialen en kleuren zich tot elkaar verhouden. Elke stap die je zet in een gebouw, geeft een ander blikveld en dat moet allemaal in relatie met elkaar ontworpen worden en kloppen. In een kunstwerk kun je die complexiteit terugbrengen tot een tweedimensionale 3D-illusie of tot de beperkte ruimtelijkheid van een sculptuur of installatie. Aan die beperking ontleent de beeldende kunst tegelijkertijd haar kracht en betekenis. Maar of dat makkelijker is…… Je hoeft in elk geval niet door het moeizame proces te gaan van programma’s van eisen; wetten, regelgeving, vergunningaanvragen, construeren, vergaderen met honderd partijen, budgetteren en noem maar op.

Waarin verschilt de kunstenaar van de architect?

Als beeldend kunstenaar heb ik leren kijken en dat betekent dat ik heel erg kan genieten van de vormgeving, bijvoorbeeld van een mooi gebouw, maar ook dat vormgeving pijn aan je ogen en aan je ziel kan doen. Neem de bedrijventerreinen langs de snelweg. Als ik die zie, begrijp ik niet hoe zoveel lelijkheid gebouwd kon worden. Kennelijk keek geen schoonheidscommissie naar de plannen. Dat Venetië een mooie stad is hoef je niemand uit te leggen, evenmin dat sommige hedendaagse gebouwen monumentale waarde kunnen hebben. Als het ontwerp goed doordacht is en in zijn omgeving opgaat of daarmee een dialoog aangaat, dan ervaar je de schoonheid daarvan als vanzelfsprekend. Niet voor niets zijn historische binnensteden populair bij toeristen. Je ziet er wat echt mooi is en kennelijk ooit de moeite van het koesteren waard was. Daar zit een wezenlijk verschil tussen architectuur en beeldende kunst. Als een kunstwerk je niet aanstaat, kan je het achter een gordijn hangen, opbergen in een kast of weggooien. Een gebouw staat in de openbare ruimte en daar hebben passanten minstens vijftig en soms zelfs honderden jaren mee te maken. Je kunt er of elke dag van genieten of er veel last van hebben. Meer smaken zijn er niet. Generaliserend kun je wel zeggen dat vanuit de vrijplaats, de spiegel die de kunst is, je als kunstenaar veel persoonlijker en meestal zonder ernstige consequenties kunt experimenteren, waar een architect gebonden is aan functionele eisen en natuurkundige wetten.

En daarin verschilt ook de verantwoordelijkheid?

We zijn allebei verantwoordelijk voor wat we maken. Alleen is het werk van de architect altijd zichtbaar voor iedereen. Als architect heb je dus een grote verantwoordelijkheid voor het effect dat jouw werk heeft op de omgeving. Oog voor schoonheid speelt daarbij een grote rol. Probleem daarbij is dat niemand precies weet wat schoonheid is, maar je schoonheid toch ervaart als die er is of als ze juist ontbreekt. Een cliché, maar vooruit, opnieuw – een stad als Venetië, en het Meisje met de parel van Vermeer blijven voor iedereen, altijd goede voorbeelden. Universele schoonheid proberen te maken, wat dat ook moge zijn, daar ligt wat mij betreft de uitdaging als maker. Je hebt als architect dan ook een grotere verantwoordelijkheid voor de generaties die na jou komen. Wat doet jouw werk met mensen die het zullen ondergaan? Uit de gesprekken die ik met Jim van Os voerde over Table Plan kwam ik aan de weet dat ook mensen zonder enige psychiatrische diagnose angstpsychoses kunnen ontwikkelen in onaangename stedelijke omgevingen. Een deprimerende, omgeving zonder sociale samenhang kan zo intimiderend zijn dat bepaalde mensen in paniek kunnen raken en al dan niet tijdelijk, niet goed meer functioneren.

Dus?

Moeten we ophouden met de ontwikkeling van eenvormige woonwijken voor één type mens met één type inkomen en toewerken naar een harmonieus ontworpen leefomgeving. Een omgeving die wonen, werken en recreëren combineert voor een afgewogen mix van jong en oud, zwart en wit, rijk en arm, hoog en praktisch opgeleid. Er gaat een helende werking uit van dergelijke concepten. Daarbij moeten we, vertrouwend op onze eigen normen en waarden als stad, ons niet spiegelen aan steden als Venetië of Barcelona die bezwijken onder het massatoerisme. Dat het daar misgaat, betekent niet dat het in Amsterdam ook mis zal gaan. We weten dat als we niets doen het hier ook uit de hand loopt en daarom kunnen we er maar beter lessen uit trekken en maatregelen nemen. We moeten de uniciteit van deze stad onderkennen en daar waar nodig aanpassen. Soms is hard ingrijpen van het stadsbestuur onvermijdelijk, althans zolang het grote geld niet de dienst uitmaakt.

En wat staat die nieuwe woonexperimenten in de weg?

Iedereen zit vast in zijn eigen bubbel en dat werkt misschien wel ín die bubbel, maar niet tussen de bubbels onderling. Er zijn mensen nodig die het geheel willen en kunnen overzien. Daar komt bij dat het tijd is voor wilde plannen en nieuwe woonexperimenten. Een goed idee of concept hoeft niet altijd uitgevoerd te worden. In de architectuur en kunstgeschiedenis zijn er legio voorbeelden van plannen die een enorme invloed hadden terwijl ze nooit zijn uitgevoerd. New Babylon van kunstenaar Constant bijvoorbeeld is nooit gebouwd, maar heeft wel hele generaties architecten en kunstenaars geïnspireerd opnieuw na te denken over stedenbouw en architectuur. Ik zou me graag aansluiten bij die traditie, maar dan ook willen nadenken over hoe je die wilde plannen toch kunt concretiseren. Doe je dat één op één met een architect of stedenbouwer of leg je je oor ook te luisteren bij een (omgevings-) psycholoog? De laatste heeft verstand van hoe hersens werken, kan je als geen ander vertellen hoe mensen functioneren en hoe ze ruimtes ervaren. Dan zal duidelijk worden dat het ontwerp van ruimtes voor jongeren om een heel andere aanpak vraagt dan ruimtes voor ouderen. Het volautomatisch uitvoeren van hapklare bouwplannen is de dood in de pot. Wilde ideeën en creatieve inzichten zijn hard nodig om te kunnen anticiperen op toekomstige vraagstukken.

Tot slot: wie van de jonge generatie wil je dat ik ga interviewen en waar moet ons gesprek over gaan?

Ik denk aan Ronald Rietveld van RAAAF en mijn vraag is: van welke betekenis zouden recente ontwikkelingen in de wetenschap kunnen zijn voor nieuwe vormen van architectuur?

Dit artikel is gepubliceerd in ArchitectuurNL nummer 3 van 2018

Gerelateerd

Tags: , , , ,

    Schrijf een reactie

    Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.