Interview planoloog Jacqueline Tellinga

Interview

Interview planoloog Jacqueline Tellinga

Door: Peter de Winter | 28-02-2018

Ze ligt wel eens wakker van de kloof tussen arm en rijk die in woningbezit steeds zichtbaarder zal worden en ze wijst op een ‘verstrengelde verzuiling’ waardoor de woningproductie verschraalt. Om het tij te keren is het nodig dat ook het gedachtegoed van denkers als historicus Bas van Bavel, de Amerikaanse stadsgeograaf Richard Florida en de Franse econoom Thomas Piketty in het woningdebat aanschuift en dat gemeentes zelfbouw de ruimte geven. Planoloog Jacqueline Tellinga is de 29e kandidaat in de interviewestafette.

Wat planoloog Jacqueline Tellinga momenteel grote zorgen baart, is dat er geen inhoudelijk goed gesprek is over hoe de uitbreiding van bebouwde omgeving vorm moet krijgen. Waar de uitbreidingsplannen in haar optiek op dreigen neer te komen, is al te bekende receptuur uit de la halen en die weer uitrollen. Dat stoort haar omdat de Vinexperiode van de jaren negentig achter ons ligt en herhalen van hetzelfde recept per definitie niet goed is. In haar optiek is de bulk wel zo’n beetje gebouwd. Dat wat er nog bijgebouwd wordt in de uitleggebieden vergt chirurgische precisie én een inhoudelijk debat. Om de inbreiding hoeven we ons volgens haar minder druk te maken. ‘Daar kunnen we denk ik wel vertrouwen op de direct omwonenden die gaan tamboereren zodra het nodig is.’

In welke richting veranderen de eisen aan woningbouw?

Vandaag de dag telt het land sowieso veel meer kleine huishoudens en zijn we hard op weg richting grootschalige vergrijzing. Dat weten we en er wordt ook over gesproken, maar je ziet dat ‘weten’ nergens terug in zijn betekenis voor hoe je nieuwbouwwijken moet vormgeven. Niemand lijkt zich af te vragen of het nog wel verstandig is de vertrouwde rijtjes eengezinswoningen voor het kerngezin te bouwen. De samenleving is veel pluriformer geworden dan die van twintig jaar geleden. Een ander punt van zorg is de ‘verstrengelde verzuiling’ waardoor de invloed van onder meer ontwerpers heel sober is geworden.

Verstrengelde verzuiling?

Ik doel daarmee op een corporatistisch bestuursmodel met veel macht voor de belangenorganisaties. Je hebt een club voor ontwikkelaars, een voor huurders, een voor kopers, een voor corporaties en je hebt Bouwend Nederland. Al die partijen zijn dagelijks professioneel betrokken bij het programma van de bouwproductie. De rol van de ontwerper beperkt zich tot de vormgeving. Het moet niet zo zijn dat de gemeenteraden alleen nog een klap op de uitkomst kunnen geven. De vraag is tevens of de belangen van de individuele toekomstige bewoners voldoende zijn belichaamd in dit proces. Academische ideeën van mensen buiten het vak zoals historicus Bas van Bavel, de Amerikaanse stadsgeograaf Richard Florida of de Franse econoom Thomas Piketty zijn ook nodig. Hun beschouwingen over ontwikkelingen in de samenleving leveren ideeën op voor de woningbouwproductie. Helaas zijn hun ideeën niet of nauwelijks onderdeel van het debat.

Waarom vind je dat zorgelijk?

We moeten zorgvuldig omgaan met de ruimte die we hebben en het kapitaal dat we inzetten op de nieuwbouwproductie zorgvuldig gebruiken. Als gezegd vergt de verdere uitbreiding van steden een vorm van precisie. Als deze programmatisch wordt gedomineerd door georganiseerde belangenorganisaties, dan verschraalt het keuze- en besluitvormingsproces. De belangenorganisaties die betrokken zijn bij de woningbouwproductie zijn met elkaar in gesprek. Zij worden dan ook rond de tafel uitgenodigd en het zijn deze partijen die door de politiek worden gehoord. Wat je sowieso bij de besluitvorming mist, zijn de ideeën van de mensen die op academisch of filosofisch niveau nadenken over in welke richting de samenleving zich ontwikkelt en welke woningbouw daar bij past. En nu ga ik iets zeggen wat we allemaal wel weten. We hebben de afgelopen decennia een tijd gehad dat een inkomen verwerven uit arbeid goed rendeerde. In de eeuwen daarvoor rendeerde, al dan niet door vererving, vermogen beter dan arbeid. Nu zijn we hard op weg naar een situatie waarin vermogen – dus machtsposities – weer beter rendeert dan inkomen uit arbeid.

De consequentie daarvan is dat de kloof tussen arm en rijk groeit en steeds zichtbaarder wordt vooral ook in het woningbezit. Daar lig ik wel eens wakker van. Met het regeerakkoord werd duidelijk dat Rutte III volop stuurt op de ontwikkeling van huurwoningen in de vrije sector en niet op de mogelijkheid van zelfbouw. De ontwikkelposities in de economisch aantrekkelijkste 19 regio’s gaan vooral terechtkomen bij partijen die bouwen voor de middenhuur en vrije sector. Bewoners van deze huurhuizen in de vrije sector blijven namelijk eindeloos lang huren van duizend euro of meer betalen, maar worden nooit huiseigenaar. Je kunt ook sturen op woningbezit omdat je voor eenzelfde maandlast een hypotheek kunt krijgen. Ik pleit dan ook voor een zo groot mogelijke mix en zelfs een primaat voor zelfbouw en uiteraard sociale woningbouw

Wat is er kwalijk aan de vrije sector en middenhuur?

Zolang het mondiaal goed gaat en de trek naar de steden doorzet, blijft de waarde van de woningen stijgen. Wat ons dan ontzettend parten gaat spelen bij de middenhuur, is dat je mensen levenslang vastzet in een huurwoning zonder dat ze kunnen investeren in hun eigen bezitsvorming. Het voorbeeld van de flats in Utrecht van Mitros en Portaal laat zien dat ze op een gegeven moment worden doorverkocht en terechtkomen in de portefeuille van een buitenlandse investeerder. Het primaire belang van een belegger zijn de rendementen en zijn aandeelhouders en niet de lokale wethouder of de vraagstukken in de wijk. Het is dergelijke partijen niet om huizen te doen, maar om goed renderende handelspakketten die de wereld over gaan. En omdat het vrije sector is, is het zeer wel denkbaar dat over tien of twintig jaar een veel hogere marktconforme huurprijs wordt gevraagd.

Met wie ga jij dan het liefst om tafel zitten?

Waar ik voor pleit, is dat iedereen die zelf een huis wil (laten) bouwen voorrang krijgt bij de verdeling van de ontwikkelrechten. Probleem daarbij is dat gemeentes die mensen niet kennen. Om het recht op zelfbouw goed te regelen en de potentiële zelfbouwers in beeld te krijgen, zou het goed zijn als gemeentes beginnen met een zelfbouwregister aan te leggen; dat is in Engeland al bij wet geregeld. Iedereen die zelf wil bouwen, kan zich laten registreren. Zodra er plannen rond woningbouw gemaakt worden, krijgt iedereen die zelf aan de slag wil of wil laten bouwen voorrang. Uiteraard mag zo’n register geen vrijblijvende bedoeling zijn. Je moet het serieus aanpakken. En zelfbouw kan gaan om laagbouw of stapelen in lage dichtheid of hoge dichtheid op een stukje grond van 5 bij 20 meter in de stad. Vraag is er zeker. Uit onderzoek van de gemeente Amsterdam blijkt dat de helft van de Amsterdammers zelf aan de slag wil.

Wie schuiven er nog meer aan?

Naast gemeentes ook mensen als de eerder genoemde Bas van Bavel, Richard Florida en Thomas Piketty. Zij denken grondig na over de samenleving vanuit hun eigen discipline. Dergelijke kennis moet gedeeld worden. Denk na over wat ze te zeggen hebben en incorporeer het. Maar ook iemand als Jan Elzinga, hoogleraar staatsrecht die het vraagstuk van het corporatistisch bestuursmodel aan de orde stelt, hoort er bij. Natuurlijk schuift ook de Rijksbouwmeester aan. Hij houdt zich bezig met de ruimtelijke ontwikkeling en heeft een mooie brede opdracht die hij belangwekkend vult. Welke rol architecten krijgen? Er zijn in het vak altijd mensen te vinden met een beschouwende visie op de huidige bouwopgaaf, maar de meeste architecten houden zich liever bezig met het ontwerp van een woning of gebouw. Dat is geen diskwalificatie, maar een compliment aan hun vakmanschap.

Wordt het zo langzamerhand geen tijd om een einde te maken aan de woningnood?

Woningnood is het woord van de wederopbouw. Het stamt uit de tijd van vlak na de oorlog toen de mensen echt geen dak boven hun hoofd hadden. Wie slaapt er vandaag de dag nog onder een brug? Maar op je vraag of je voor de woningnood een plan moet maken à la ‘Ruimte voor de rivier’ dat in krap vijftien jaar de rivieren veilig maakte, zeg ik dat je dijken niet met woningbouw kunt vergelijken. Een dijk bouwen is een techniek die dijkenbouwers beheersen en langs de rivier in relatief korte tijd kunnen toepassen. Woningbouw in en buiten stedelijke gebieden is daarentegen een veel complexere opgaaf. Je kunt niet overal maar lukraak woningen neerzetten en daarin verschilt de huidige woningbouw in ons land met die van pakweg zeventig jaar geleden. En de vraag of we de weilanden vol moeten bouwen kan je niet zomaar beantwoorden. Ligt eraan of het een kwetsbaar weiland is of niet. Net als steden voor hoge dichtheden zullen kiezen om zoveel mogelijk mensen een plek te geven.

Post-Vinex

Waar het vooral om gaat, is dat we gaan acteren op wat nodig is, anders gaat post-Vinex er net zo uitzien als Vinex en daar zit uiteindelijk niemand op te wachten. Als we de woningvraag voor een deel beantwoorden via het proces van zelfbouw – en dan doel ik ook op zelfbouw van groepen, daar krijg je hoge dichtheden mee – krijg je op termijn een woningvoorraad die de mensen zelf hebben gewild. Ik geef je op een briefje dat je daarmee een diversiteit krijgt die geen marktpartij had kunnen bedenken en geen architect in opdracht van een ontwikkelaar had kunnen of mogen ontwerpen. Het woord participatiemaatschappij wordt vaak gebruikt. Dan moeten we de mensen die dat willen ook de ruimte geven om het huis te bouwen dat ze willen.

Tot slot wie van de jonge generatie wil je dat ik ga interviewen en waarover moet ons gesprek gaan?

Ik stuur je naar Jacco van Wengerden. Hij heeft samen met Gijs Baks een fantastisch klein huisje met aluminium golfplaten gebouwd voor de gepensioneerde mevrouw Rebel uit het Homeruskwartier in Almere. Een klein huisje bouwen is sowieso al een aandachtige en intensieve opgave voor een architect. Waar ik benieuwd naar ben, is hoe hij als architect denkt over ‘de kleine’ bouwopgave. Er zijn namelijk duizenden mensen als mevrouw Rebel die snakken naar een kleine en goed ontworpen woning.

Tekst: Peter de Winter
Fotografie: Martin Wengelaar

Dit artikel is gepubliceerd in ArchitectuurNL nummer 1 van 2018

Gerelateerd

Tags: ,
  1. Jan Freriks

    ik deel de zorg omtrent de doelstelling van bouwen: bouwen moet een noodzaak in zich herbergen; de noodzaak om te bouwen gaat over het beschutting bieden aan de mens tegen weer en wind alsmede het bieden van sociale beschutting. Bouwen omwille van financieel rendement is uit den boze: het plaatst de bewoner/gebruiker volledig buiten, terwijl juist de bewoner/gebruiker centraal moet staan. De bewoner/gebruiker is de enige belanghebbende in deze. Immers, zonder bewoner/gebruiker hoeft er niet gebouwd te worden.

    Reageer

Schrijf een reactie